2.1.De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld:
1. Eiser is de fiscaal partner van [naam 3] (hierna ook: de echtgenote).
2. Op 29 december 2015 heeft verweerder een renseignement ontvangen waarin eiser voor de jaren 2006 tot en met 2017 is gekoppeld aan een buitenlandse bankrekening bij de [bank 1] (hierna: [bank 1] ).
3. Naar aanleiding van het renseignement heeft verweerder aan eiser op 4 februari 2016 om nadere informatie verzocht over het in het buitenland aangehouden vermogen. Deze vragen hadden betrekking op de aangiften IB/PVV over de jaren 2005 tot en met 2014. Daaropvolgend is er gedurende de jaren 2016 en 2017 tussen eiser (zijn toenmalige boekhouder [naam 4] ) en verweerder gecorrespondeerd.
4. Op 12 juli 2016 heeft eiser diverse bankbescheiden van [bank 1] overgelegd aan verweerder. Bij brief van 13 juli 2016 aan [naam 4] heeft verweerder onder meer om de volgende nadere informatie gevraagd:
“Afgelopen dinsdag hebben wij elkaar gesproken en heeft u mij de bankbescheiden aangereikt. Wij hebben afgesproken dat ik u eventuele vragen zou doen toekomen. Allereerst heb ik geen antwoorden aangetroffen op de algemene vragen zoals die in de vragenbrief van 4 februari 2016 staan opgenomen.
- Ik doel hiermee op de vragen 1 tot en met 4 inzake de herkomst van het vermogen.
Met betrekking tot vraag 5 heeft u gisteren verklaard dat er contact met de bank is geweest en er 4500 euro betaald is voor het verkrijgen van de bankgegevens.
- Graag ontvang ik hiervan de kopieën alsmede kopieën van de overige correspondentie met de bank.
Ten aanzien van de verklaringen die er gisteren zijn afgelegd ontvang ik graag de volgende bescheiden:
(…)
-overzicht waaruit blijkt welke bedragen er contant werden aangehouden naar aanleiding van opnames € 198.500 (2013) en € 327.970 (2014) (in totaal ruim € 525.000 dus)
Daarnaast wil graag een antwoord op de volgende vraag:
- Heeft belastingplichtige en zijn partner nog andere, niet eerder in de aangifte inkomstenbelasting aangegeven, vermogensbestanddelen, verzekeringspolissen in het bezit of heeft hij die die in bezit gehad.”
5. Namens eiser heeft [naam 4] (eisers toenmalige boekhouder) aan verweerder per emailbericht van 30 september 2016 een overzicht verstrekt van contante opnames bij [bank 1] . Daarin is opgenomen:
“Verloop contante opnames [X] .
Alle contante opnames t/m 2012 zijn opgegaan voor privé uitgaven.
Het totaal bedrag van deze opnames bedroeg € 65,000,-.
saldo
Uitgaven verbouwing 2011 € 60.000 € - 60.000 31-12-2011
Uitgaven verbouwing 2012 € 60.000 € -120.000 31-12-2012
Opname bank 2013 € 198.500
Terug betaald lening verbouwing € -120.000 € 78.500 31-12-2013
Opname bank 2014 € 253.000 € 331.500 31-12-2014
2 horloges gekocht € 74785,-
€ 331.500 31-12-2015
Verkocht september 2016 2 horloges € 72.000 € 403.500 30-9-2016
Contant geld nog in bezit 30-9-2016 € 300.000
Opgemaakt van af 2013 t/m heden € 103.500
Deze opnames moeten verdeeld worden over deze jaren.
Geld is ook deels geschonken aan de kinderen en kleinkinderen.”
6. Op 30 juni 2017 heeft verweerder een aangifte IB/PVV over het jaar 2015 ontvangen van eiser. Het verzamelinkomen bedraagt -/- € 4.437 en bestaat uitsluitend uit belastbare winst uit onderneming. Eiser heeft in de aangifte geen melding gemaakt van in het buitenland aangehouden bankrekeningen of van contanten of vorderingen.
7. Op 31 oktober 2017 heeft verweerder een aangifte IB/PVV over het jaar 2016 ontvangen van eiser. Het verzamelinkomen bedraagt € 8.956 en bestaat uitsluitend uit belastbare winst uit onderneming. Eiser heeft in deze aangifte geen melding gemaakt van in het buitenland aangehouden bankrekeningen of van contanten of vorderingen.
8. Over de hoogte van de van eiser in verband met het bij [bank 1] aangehouden buitenlandse vermogen na te vorderen IB/PVV over de jaren 2005 tot en met 2014, alsmede de boete, heffingsrente of belastingrente daarover, heeft eiser met verweerder een schriftelijke vaststellingsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:900 van het Burgerlijk Wetboek gesloten. De vaststellingsovereenkomst (hierna: VSO) is door verweerder en eiser op 26 oktober 2017 respectievelijk 16 november 2017 ondertekend.
9. Op 22 mei 2018 heeft verweerder een nieuw renseignement ontvangen waarin eiser voor de jaren 2006 tot en met 2017 is gekoppeld aan een buitenlandse bankrekening bij de [bank 2] . Uit het renseignement bleek een bedrag op deze rekening van (omgerekend) € 384.787 begin 2013.
10. Naar aanleiding van het renseignement heeft verweerder op 17 juli 2018 om nadere informatie verzocht ten aanzien van de rekening bij [bank 2] ten behoeve van de aangiften IB/PVV over de jaren 2005 tot en met 2017. Daaropvolgend heeft er gedurende het jaar 2018 tussen eiser en zijn echtgenote en verweerder correspondentie plaatsgevonden. Eiser heeft geen bankafschriften van de rekening(en) bij [bank 2] verstrekt.
11. Met dagtekening 12 februari 2020 heeft verweerder aan eiser een kennisgeving van de boeten en aanslagen IB/PVV 2015 en 2016 gestuurd. Daarin is onder meer vermeld:
“Voornemen opleggen vergrijpboete
Naast de gevolgen voor de belastingheffing ben ik voornemens om een vergrijpboete op te leggen ingevolge art. 67d, eerste en/of vijfde lid, Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) en/of art. 67e, eerste en/of zesde lid, AWR.
Motivering boete
De reden waarom een vergrijpboete wordt opgelegd wordt hierna door mij nader gemotiveerd. Het is algemeen bekend dat (al dan niet in het buitenland aangehouden en/of opgekomen) inkomens-en/of vermogensbestanddelen in de belastingaangiften moeten worden opgenomen; de vraagstelling hieromtrent is in de belastingaangifte voldoende duidelijk. Desondanks hebt u de (buitenlandse) inkomens- en/of vermogensbestanddelen niet in de aangiften verantwoord. Ik ben van mening dat u voor deze belastingjaren (voorwaardelijk) opzettelijk onjuiste aangiften heeft gedaan voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.”
12. Bij het opleggen van de aanslagen IB/PVV 2015 en 2016 heeft verweerder in afwijking van de aangiften zowel bij eiser als bij zijn echtgenote een bedrag van € 357.668 aan vermogen in aanmerking genomen bij het inkomen uit sparen en beleggen (in totaal € 715.336). Op basis van een schriftelijk verzoek van eiser en zijn echtgenote van 20 juli 2020 is het gehele vermogen vervolgens toegerekend aan eiser. Naar aanleiding hiervan zijn de navorderingsaanslagen IB/PVV 2015 en 2016 aan eiser opgelegd, waarbij een vermogen van € 715.336 bij eiser in aanmerking is genomen voor zowel 2015 als 2016. Bij de aanslagen IB/PVV 2015 en 2016 alsmede bij de navorderingsaanslagen IB/PVV 2015 en 2016 heeft verweerder vergrijpboeten opgelegd van 225% vanwege het opzettelijk onjuist doen van de aangiften IB/PVV.
13. Verweerder heeft op 20 april 2020 een verzoek om informatie ingediend bij het [bedrijf] om informatie te verkrijgen over de bankrekening bij [bank 2] . Bij brief met dagtekening 13 augustus 2020 heeft de [land] autoriteit gereageerd op het verzoek om internationale gegevensuitwisseling, waarbij bankbescheiden zijn verstrekt aan verweerder.
14. Verweerder heeft op basis van de rekeningafschriften van [bank 1] en de bankbescheiden van [bank 2] in beroep het volgende overzicht opgesteld van de contante opnamen:
Contante opnames
Datum minus kosten
Opnamen [bank 1]
5 september 2013 € 29.000
9 september 2013 € 20.000
10 september 2013 € 19.500
30 september 2013 € 60.000
30 september 2013
€ 70.000
Totaal 2013 € 198.500
13 maart 2014 € 70.000
13 mei 2014 € 100.000
2 juni 2014 € 30.000
15 september 2014 € 53.185
17 september 2014
€ 74.785
Totaal 2014 € 327.970
Opnamen [bank 2]
29 juli 2013 € 19.000
5 september 2013 € 29.000
9 september 2013 € 19.500
2 december 2013 € 80.000
17 maart 2014 € 80.000
3 juni 2014 € 80.000
19 september 2014
€ 75.620
Totaal [naam 5] € 383.120
9 september 2013 € 9.000
2 december 2013 € 20.000
2 juni 2014 € 95.000
3 juni 2014 € 65.000
8 december 2014 € 3.000
18 december 2014
€ 24.198
Totaal ' [naam 6] € 216.198
Totaalopnamen € 1.125.788
Uitgaven
Verbouwingen akkoord € 197.886
Saldo ultimo 2014 € 927.902