Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.De zaak in het kort
2.Het geding in hoger beroep
3.Feiten
4.Beoordeling
(…)
€ 1.214,00(tarief II, 1 punt)
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Gerechtshof Amsterdam
De zaak betreft een hoger beroep van Dexia tegen een vonnis van de kantonrechter Amsterdam over de effectenleaseovereenkomst die door de echtgenote van de afnemer is vernietigd op grond van artikel 1:88 en Pro 1:89 BW. De kernvraag is of Leaseproces bevoegd was om namens de echtgenote de verjaring van haar vordering uit onverschuldigde betaling te stuiten.
De feiten zijn niet in geschil: de effectenleaseovereenkomst is op 5 december 2005 buitengerechtelijk vernietigd door de echtgenote. Dexia betoogt dat de vordering is verjaard, maar de echtgenote stelt dat de verjaring tijdig is gestuit door stuitingsbrieven van Leaseproces uit 2012 en 2016. Het hof oordeelt dat deze brieven voldoen aan de eisen van artikel 3:317 BW Pro en dat Dexia niet tijdig om bewijs van volmacht heeft gevraagd, waardoor het beroep op artikel 3:71 BW Pro faalt.
Het hof concludeert dat de verjaring van de vordering uit onverschuldigde betaling tijdig is gestuit en dat Dexia gehouden is tot terugbetaling van de betaalde bedragen. Het vonnis van de kantonrechter wordt bekrachtigd en Dexia wordt veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en oordeelt dat de verjaring van de vordering tijdig is gestuit, waardoor Dexia gehouden is tot terugbetaling.