4.Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft het volgende overwogen (de heffingsambtenaar wordt in de uitspraak van de rechtbank aangeduid als ‘verweerder’):
6. Ter zitting heeft eiser te kennen gegeven het verweerschrift niet te hebben ontvangen. Desalniettemin heeft de rechtbank de behandeling van het onderzoek ter zitting voortgezet. De rechtbank heeft geconstateerd dat het verweerschrift op 4 april 2024 aan eiser is doorgezonden naar het correspondentieadres van eiser. Eiser procedeert veel en is bekend met de procedure van een beroepszaak als deze, zodat eiser kon weten dat hij enkele weken voor de zitting een verweerschrift kon verwachten. De rechtbank is daarom van oordeel dat het op de weg van eiser lag om eerder aan te geven dat hij nog geen verweerschrift ontvangen heeft. Daarbij heeft de rechtbank ter zitting aan eiser een kopie van het verweerschrift en de bijlagen overhandigd. Lopende de procedure heeft eiser veelvuldig gebruik gemaakt van de gelegenheid om zijn standpunten kenbaar te maken en ter zitting heeft eiser op het verweerschrift kunnen reageren. Ter zitting heeft eiser ook niet om aanhouding van zijn beroep verzocht. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank geen reden gezien om het beroep van eiser aan te houden.
Op de zaak betrekking hebbende stukken
7. Eiser stelt dat ondanks zijn verzoek in de bezwaarfase verweerder ten onrechte de
gegevens van de gebruikte vergelijkingsobjecten niet
in de vorm van een taxatiematrixheeft verstrekt. De rechtbank begrijpt deze klachten aldus dat deze behelzen dat verweerder in de bezwaarfase niet heeft voldaan aan de in de artikelen 6:17 en 7:4, vierde lid van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en artikel 40, tweede lid, Wet WOZ neergelegde verplichtingen.
8. De rechtbank overweegt als volgt en heeft daarbij het navolgende als uitgangspunt
genomen. De Hoge Raad (HR 18 augustus 2023, ECLI:NL:HR:2023:1052) heeft geoordeeld dat de uitleg die aan artikel 40, lid 2, Wet WOZ moet worden gegeven ertoe strekt dat indien eiser aan verweerder een voldoende specifiek verzoek heeft gedaan tot het verstrekken van bepaalde gegevens die ten grondslag hebben gelegen aan de vastgestelde waarde, verweerder op grond van artikel 40, lid 2, Wet WOZ gehouden is te voldoen aan het verzoek van eiser om hem een afschrift van die gegevens te verstrekken. 9. In zijn bezwaarschrift heeft eiser het volgende verzoek gedaan: “Ik, [X] , verzoek U de door U gehanteerde vergelijkingsobjecten te laten weten waarmee U tot de waardebepaling van mijn woning is gekomen, evenzo de matrix van onderdelen en waarden als woning, uitbouwen, berging/schuren en grond. Bij de grondprijzen blijkt dat u tot heden zeer flexibele methoden hanteert en verzoek dan ook tot inzage te kunnen komen hiervanwaar c.q. formule (dan wel via internet).” Naar het oordeel van de rechtbank is dit verzoek niet dermate specifiek dat verweerder was gehouden om meer dan het taxatieverslag aan eiser te verstrekken, hetgeen verweerder heeft gedaan. Verweerder was voorts niet verplicht om in de bezwaarfase een matrix aan eiser te verstrekken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder daarom voldaan aan zijn verplichtingen op grond van artikel 40, lid 2, Wet WOZ.
10. Op grond van artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ, wordt de waarde van een onroerende zaak bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Daarbij heeft als waarde te gelden de waarde in het economische verkeer. Dat is de prijs die bij aanbieding ten verkoop op de voor die onroerende zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde voor de onroerende zaak zou zijn betaald. Op verweerder rust de last aannemelijk te maken dat hij de waarde niet te hoog heeft vastgesteld.
11. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder, gelet op de door hem overgelegde matrix en hetgeen hij overigens heeft aangevoerd, geslaagd in zijn bewijslast. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende. De door verweerder in de matrix genoemde vergelijkingsobjecten zijn wat type, bouwjaar, ligging en omvang betreft voldoende vergelijkbaar met de woning. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de verkoopprijzen van de vergelijkingsobjecten dan ook dienen ter onderbouwing van de waarde van de woning op de waardepeildatum.
12. Daarnaast heeft verweerder aannemelijk gemaakt dat er voldoende rekening is gehouden met de verschillen tussen de woning en de vergelijkingsobjecten. Daartoe overweegt de rechtbank dat verweerder met de bij het verweerschrift overgelegde matrix een afdoende toelichting heeft gegeven op de vastgestelde waarde aan de hand van de voor de woning en de vergelijkingsobjecten gehanteerde vierkantemeterprijzen van de opstal en van het perceel. Verweerder heeft aannemelijk gemaakt dat voldoende rekening is gehouden met de verschillen in grootte, de ligging, kwaliteit, de staat van onderhoud alsmede met de aanwezigheid van bijgebouwen. De waarderelevante factoren van zowel de woning als de vergelijkingsobjecten zijn in de matrix als voldoende gekwalificeerd, behoudens de kwaliteit van [A-straat] 3 en [B-straat] 1, welke als respectievelijk goed en matig zijn gekwalificeerd. In de matrix is de waarde per vierkante meter opstal van de woning bepaald op € 3.151, terwijl deze vierkantemeterprijzen van de vergelijkingsobjecten respectievelijk € 3.677, € 4.050 en € 3.591 bedragen. Ter zitting heeft verweerder voorts de gehanteerde grondstaffel toegelicht en daarmee de grondprijs inzichtelijk gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden gezegd dat de waarde van de woning ten opzichte van de verkoopcijfers van de vergelijkingsobjecten op een te hoog bedrag is vastgesteld.
13. Eiser heeft ter zitting foto’s van zijn woning overgelegd. Voor zover eiser hiermee heeft willen aantonen dat de kwaliteit en/of het onderhoud van zijn woning als minder dan voldoende moet worden aangemerkt, heeft eiser dat naar het oordeel van de rechtbank met het overleggen van de foto’s niet aannemelijk gemaakt.
14. Eiser heeft aangevoerd dat de waarde van de woning niet in een juiste verhouding staat tot de waarde die voor een of meer andere tijdvakken aan de woning is toegekend dan wel aan de WOZ-waarde van buurpand [A-straat] 6. Deze beroepsgrond kan niet slagen. De rechtbank wijst erop dat (het stijgingspercentage van) WOZ-waarden ten opzichte van eerdere jaren geen gegeven is waaraan bij de waardebepaling van de woning zelfstandige betekenis toekomt. De waarde van de woning moet namelijk ieder jaar opnieuw worden bepaald op basis van verkoopprijzen van andere objecten. Voor de beoordeling van de juistheid van de voor het onderhavige belastingjaar vastgestelde waarde is immers slechts van belang of de waarde van de woning in overeenstemming is met het zogenaamde wettelijk waardebegrip, zoals hierboven onder 10 weergegeven.
15. Voor zover eiser in dit verband (tevens) een beroep heeft gedaan op het gelijkheidsbeginsel, overweegt de rechtbank het volgende. Op grond van de jurisprudentie van de Hoge Raad (zie onder andere ECLI:NL:HR:2006:AY9489) kan met toepassing van het gelijkheidsbeginsel een juiste toepassing van de Wet WOZ opzij gezet worden in gevallen waarin vergelijkbare objecten door de heffingsambtenaar te laag zijn gewaardeerd. Voorwaarde hierbij is dat aan deze te lage waardering het oogmerk van begunstiging of een begunstigend beleid ten grondslag ligt en er geen objectieve en redelijke rechtvaardiging is voor het verschil in behandeling of, indien dat niet het geval is, de heffingsambtenaar in een meerderheid van de vergelijkbare gevallen te laag heeft gewaardeerd. Met betrekking tot het gelijkheidsbeginsel liggen de stelplicht en de bewijslast bij de partij die zich op dat beginsel beroept. 16. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat verweerder een begunstigend beleid voert of dat sprake is van een begunstigend oogmerk bij verweerder. Dit betekent dat het beroep van eiser op het gelijkheidsbeginsel slechts kan slagen indien aannemelijk wordt gemaakt, en bij betwisting wordt bewezen, dat in de meerderheid van de vergelijkbare gevallen een juiste wetstoepassing achterwege is gebleven. Daartoe overweegt de rechtbank dat de Hoge Raad in zijn arrest van 8 juli 2005 (ECLI:NL:HR:2005:AT8945) ten aanzien van de meerderheidsregel in WOZ-zaken onder meer heeft geoordeeld dat een beroep op deze regel dient te worden ondersteund met de stelling dat minstens twee (nagenoeg) identieke objecten lager zijn gewaardeerd. Eiser heeft enkel de WOZ-waarde van [A-straat] 6 genoemd. Gelet hierop is reeds hierom geen sprake van een schending van het gelijkheidsbeginsel, het verschil in perceelgrootte tussen dit object en de woning nog daargelaten. Deze beroepsgrond kan niet slagen. 17. Eiser stelt voorts dat hij nog geen uitspraak op bezwaar heeft ontvangen op zijn bezwaarschrift dat ziet op belastingjaar 2021. Zoals de rechtbank hiervoor reeds overwoog, dient de waarde van de woning voor elk belastingjaar afzonderlijk te worden bepaald en beoordeeld. Voor zover eiser met zijn stelling meent dat een beslissing van verweerder inzake dit bezwaarschrift – ten aanzien waarvan verweerder overigens stelt dat deze geen betrekking op de onderhavige woning en reeds op 15 april 2021 is verstuurd – ook van invloed is voor het onderhavige belasting jaar, is dan ook niet juist. Deze stelling van eiser kan de rechtbank daarom niet tot een ander oordeel brengen.
18. Gelet op het voorgaande kan niet worden gezegd dat de vastgestelde waarde in een onjuiste verhouding staat tot de verkoopprijzen van de vergelijkingsobjecten. De waarde is derhalve niet te hoog vastgesteld. De rechtbank zal het beroep derhalve ongegrond verklaren.
19. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.”