ECLI:NL:GHAMS:2026:1

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
6 januari 2026
Publicatiedatum
27 november 2025
Zaaknummer
200.341.726
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot scheiding en deling onroerend goed na echtscheiding met betrekking tot huurinkomsten

In deze zaak gaat het om een vordering tot scheiding en deling van onroerend goed na een echtscheiding. De vrouw, aangeduid als [appellant 1], vordert de verdeling van onroerend goed, inclusief de verkoop en een deel van de huuropbrengsten. De rechtbank heeft een bepaalde vorm van verdeling vastgesteld, maar de man, aangeduid als [appellant 2], is het daar niet mee eens. Hij stelt dat een derde partij, een vennootschap die hij beheert, economisch eigenaar is van het onroerend goed en ook als verhuurder heeft opgetreden. Deze derde partij voegt zich in hoger beroep in de procedure. Het hof wijst het beroep van de man af, omdat elke deelgenoot recht heeft op een verdeling volgens artikel 3:178 BW. De vordering van de vrouw om de huuropbrengsten te verdelen wordt afgewezen, omdat niet is vastgesteld dat de man deze zelf heeft genoten. Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank, waarbij het ook rekening houdt met het conservatoire beslag dat op het onroerend goed is gelegd. De proceskosten worden gecompenseerd, gezien de relatie tussen de partijen.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
Zaaknummer : 200.341.726/01
Zaaknummer rechtbank : C/13/735983/ HA ZA 23-615
arrest van 6 januari 2026
inzake
[appellant 1],
wonende te [plaats] ,
appellant in het principaal hoger beroep,
geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep
hierna te noemen: [appellant 1] ,
en als gevoegde partij
[appellant 2].
gevestigd te [plaats] ,
hierna te noemen: [appellant 2] ,
advocaat voor beide : mr. A.J.F. Gonesh te ‘s-Gravenhage,
tegen
[geïntimeerde],
wonende te [plaats] ,
geïntimeerde in het principaal hoger beroep
appellant in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. M.D. Winter te 's-Gravenhage.

1.Het geding

1.1
Bij exploot van 13 mei 2024 is [appellant 1] in hoger beroep gekomen van het door de rechtbank Amsterdam tussen partijen gewezen vonnis van 6 maart 2024. Vervolgens heeft [appellant 1] de memorie van grieven genomen en daarbij één grief aangevoerd. [appellant 2] heeft op dezelfde roldatum een incidentele memorie tot voeging genomen en tevens op dezelfde roldatum heeft [appellant 1] een akte tot referte genomen in het incident. Bij memorie van antwoord in het incident heeft [geïntimeerde] de onbevoegdheid van het hof ingeroepen. Daarop heeft [appellant 1] nog een memorie van antwoord genomen. Op 4 februari 2025 heeft het hof de vordering van [geïntimeerde] in het onbevoegdheidsincident afgewezen en in het voegingsincident [appellant 2] toegestaan zich te voegen aan de zijde van [appellant 1] . [appellant 2] heeft hierna een memorie genomen. Vervolgens heeft [geïntimeerde] haar memorie van antwoord in de hoofdzaak genomen en de grief bestreden, zij heeft verder incidenteel appel ingesteld. [appellant 1] heeft daarop geantwoord en de grief bestreden.
Vervolgens hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.
1.2
[appellant 1] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog de vorderingen van [geïntimeerde] (voor zover toegewezen) zal afwijzen met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties met nakosten en rente. [appellant 2] heeft zich als gevoegde partij bij deze vorderingen aangesloten.
[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van [appellant 1] en [appellant 2] en alsnog toewijzing van haar vordering op [appellant 2] en [appellant 1] ter zake van huurinkomsten, met uitvoerbaar bij voorraad - de veroordeling van [appellant 1] en [appellant 2] in de kosten van het geding in hoger beroep met nakosten en rente.
[appellant 1] heeft in hoger beroep bewijs van zijn stellingen aangeboden.

2.Feiten

2.1
De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder rov. 2 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. De rechtbank heeft daartoe het volgende vastgesteld.
2.2
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad tot (omstreeks) 2019. Uit hun relatie is één thans nog minderjarig kind geboren, dat bij de vrouw woont. Partijen zijn samen nimmer een samenlevingsovereenkomst aangegaan.
2.3
De vrouw heeft de Surinaamse nationaliteit; de man heeft de Nederlandse
nationaliteit.
2.4
Partijen zijn ook zakelijk aan elkaar verbonden. Zij houden samen de aandelen van de bij akte van 7 oktober 2010 opgerichte Surinaamse rechtspersoon [appellant 2] , hierna te noemen: ‘ [appellant 2] ’, in de verhouding 70% (man) en 30% (vrouw). De man is algemeen directeur van [appellant 2] ; de vrouw was tot 4 september 2020 financieel directeur.
2.5
Partijen hebben op 20 oktober 2016 notarieel geleverd gekregen het registergoed Jan Duikerhof 20 te Diemen, bestaande uit een appartementsrecht met parkeerplaats, hierna ook te noemen: ‘het appartement’. De aankoopprijs van het appartement is voldaan door [appellant 2] . Het appartement is achtereenvolgend aan drie verschillende huurders verhuurd. De eerste keer via Renthouse Vastgoed, die het appartement tot 23 juni 2020 voor partijen beheerde.
2.6
Verder stelt het hof vast dat op het onroerend goed inmiddels conservatoir verhaalsbeslag is gelegd ter zekerheid van een vordering uit hoofde van schadevergoeding door de Surinaamse rechtspersoon [bedrijf]

3.Beoordeling

3.1
Zoals het hof reeds in het arrest in het incident heeft vastgesteld en geoordeeld, is de Nederlandse rechter bevoegd om van de onderhavige vorderingen kennis te nemen en daarover te oordelen. Deze rechtsmacht is verder ook in hoger beroep niet betwist. Ook staat voldoende vast (en is ook overigens onweersproken) dat op deze vorderingen Nederlands recht van toepassing is.
3.2
De vorderingen van [geïntimeerde] in eerste aanleg behelsden het volgende:
- inzage in de ontvangen huurpenningen van het appartement na 23 juni 2020,
- betaling van een geldbedrag van € 340.906,40, uitgesplitst in de helft van de
ontvangen huurpenningen en de helft van de waarde van het appartement,
- ( subsidiair de verdeling van het onroerend goed.
3.3
De rechtbank heeft de vorderingen betreffende de huurpenningen afgewezen, omdat [geïntimeerde] onvoldoende heeft onderbouwd dat [appellant 1] deze huurpenningen heeft ontvangen. Ook de vordering gericht op betaling van de helft van de waarde van het onroerend goed is afgewezen wegens het ontbreken van een rechtsgrond. Tenslotte heeft de rechtbank op grond van art. 3:185 BW wel de wijze van verdeling van het onroerend goed bepaald, te weten door verkoop aan een derde (eventueel) door tussenkomst van een makelaar.
Principaal appel
3.4
De door [appellant 1] aangevoerde grief komt erop neer dat de rechtbank niet een verdeling van het onroerend goed had kunnen gelasten zonder toestemming van [appellant 2] dan wel rekening te houden met de belangen van [appellant 2] , althans dat [geïntimeerde] bij de verdeling van het onroerend goed geen aanspraak kan maken op enige betaling. Ter toelichting is door [appellant 1] aangevoerd dat de aanschaf van het betreffende onroerend goed is gefinancierd door [appellant 2] , terwijl alle investeringen nadien ook door [appellant 2] zijn betaald. [appellant 2] is daarom in zijn visie te beschouwen als economisch eigenaar. Uit de economische eigendom van [appellant 2] althans uit de contractuele relatie tussen partijen enerzijds en [appellant 2] anderzijds, vloeit voort dat partijen het appartement slechts mogen overdragen aan [appellant 2] , respectievelijk dat zij jegens [appellant 2] (in elk geval) toerekenbaar tekortschieten en schadeplichtig zijn (art. 6:74 BW) als zij het appartement (niet overdragen aan [appellant 2] maar) vervreemden aan een derde en de opbrengst niet aan [appellant 2] afdragen, althans aan [appellant 2] niet de kosten betalen die [appellant 2] ter verwerving en behoud van het appartement heeft betaald, en de winst à (ten minste) € 22.800 per jaar die [appellant 2] ten gevolge van de voortijdige vervreemding derft, niet aan [appellant 2] vergoeden (zie daartoe randnummer 9 MvG). In haar vonnis van 6 maart 2024 heeft volgens [appellant 1] de rechtbank deze belangen van [appellant 2] miskend. [appellant 1] kan zich neerleggen bij de verdelingsvordering als zodanig, maar het onroerend goed moet worden geleverd aan [appellant 2] dan wel aan [appellant 1] zonder enige vergoeding aan [geïntimeerde] , althans dient met de verkoopopbrengst van het onroerend goed eerst de schuld van partijen aan [appellant 2] te worden verrekend. [appellant 2] heeft zich bij deze grief en de toelichting erop aangesloten, zoals valt af te leiden uit haar memorie als gevoegde partij.
3.5
De grief moet falen. Het staat vast dat het onroerend goed gezamenlijk op naam van partijen is aangekocht en dat zij daarover (destijds) overigens ook uitdrukkelijk overeenstemming hebben bereikt. Deze tenaamstelling is nu het een registergoed betreft alleszins bepalend voor de vraag wie heeft te gelden als eigenaar in de goederenrechtelijke zin. Het feit dat de koop mogelijk is gemaakt door het ter beschikking stellen van fondsen door [appellant 2] doet daaraan op zich niet af; een schuld kan immers door een ander worden betaald. De door de man in eerste aanleg bepleite stelling dat partijen hebben gehandeld in het kader van een lastgeving, kan worden gepasseerd, nu ook deze – overigens door [geïntimeerde] betwiste - stelling - geen invloed heeft op de gezamenlijke eigendom van partijen als zodanig. Bovendien blijkt uit geen enkel schriftelijk stuk noch anderszins wat de grondslag is geweest van de ter beschikkingstelling door [appellant 2] van de kosten van verwerving en behoud van het appartement. Dat het onroerend goed (inmiddels) op de balans van [appellant 2] staat is evenmin van belang, noch het gegeven dat zij kennelijk vanaf medio 2020 als verhuurder is opgetreden. Tegen die achtergrond geldt ten volle dat ingevolge art. 3:178 BW ieder der deelgenoten – [geïntimeerde] en [appellant 1] - de verdeling van een gemeenschappelijk goed kan vorderen tenzij uit de aard van de gemeenschap anders voortvloeit dan wel dat er andere aanvullende afspraken zijn gemaakt. Daaromtrent is echter niets gesteld of anderszins gebleken dan hiervoor in de toelichting op de grief verwoord. Bovendien zijn ingevolge artikel 3:166 lid 2 BW de aandelen van de deelgenoten gelijk, in dit geval dus ieder voor de helft, tenzij -hetgeen niet is gebleken- uit hun rechtsverhouding anders voortvloeit.
Incidenteel appel
3.6
[geïntimeerde] heeft als grief aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan de positie van [appellant 1] in relatie tot [appellant 2] , die het appartement (kennelijk volgens de vrouw) sedert medio 2020 een aantal keren heeft verhuurd en daaruit huur heeft ontvangen. Door toe te staan c.q. te bewerkstelligen dat [appellant 2] – zonder [geïntimeerde] daarin te kennen - huurovereenkomsten heeft gesloten en daaruit ook huurpenningen heeft ontvangen heeft [appellant 1] wanprestatie gepleegd dan wel onrechtmatig gehandeld jegens [geïntimeerde] . Bovendien is [appellant 1] gezien zijn positie bij [appellant 2] – groot aandeelhouder én bestuurder – te vereenzelvigen met [appellant 2] . Dat alles rechtvaardigt dat de man de feitelijk door hem te ontvangen huur aan haar dient te betalen.
3.7
Het hof stelt allereerst vast dat de vordering van [geïntimeerde] in hoger beroep kennelijk nog slechts ziet op de betaling van een bedrag van € 30.906,40 ‘uit hoofde van door hem althans door [appellant 2] ontvangen huur’. Enig inzicht in de ontvangen huurpenningen vordert [geïntimeerde] niet meer (die vordering was immers ook door de rechtbank afgewezen en daartegen is niet gegriefd). Voor het slagen van de grief is van belang dat vast moet komen staan dat [appellant 1] de huur ontvangen heeft dan wel dat de door [appellant 2] ontvangen huur hem toekomt.
3.8
[appellant 1] heeft naar het oordeel van hof voldoende aannemelijk gemaakt dat de betreffende huurovereenkomsten zijn aangegaan door [appellant 2] en tevens dat de huurinkomsten sinds medio 2020 zijn ontvangen door [appellant 2] . Dat hij ook zelf, persoonlijk, deze baten heeft ontvangen is niet gebleken. In die zin is de vordering van [geïntimeerde] terecht door de rechtbank afgewezen.
3.9
Blijft over de stelling van [geïntimeerde] dat zelfs als voor juist moet worden gehouden dat [appellant 2] als verhuurder is opgetreden, [appellant 1] moet worden vereenzelvigd met [appellant 2] in het licht van de wijze van zijn bestuur van deze vennootschap. Nu volgens [geïntimeerde] vaststaat dat [appellant 1] nimmer met haar overleg heeft gevoerd over een afwijkende wijze van huurontvangsten ( sinds medio 2020) is [appellant 2] als zodanig onbevoegd de bedoelde huurpenningen te ontvangen en dienen deze ontvangsten de man persoonlijk te worden toegerekend.
3.1
[appellant 1] heeft (verder) als verweer gevoerd dat de stellingen van [geïntimeerde] dat [appellant 2] niet bevoegd was om te verhuren en dat de huur aan [geïntimeerde] toekomt als mede-eigenaar van het registergoed onvoldoende gemotiveerd zijn en als zodanig onbegrijpelijk; evenals de stelling dat de opbrengst van de verhuur aan hem persoonlijk moet worden toegerekend.
3.11
Het hof stelt voorop vereenzelviging is een bijzondere vorm van aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad wegens het misbruik maken van identiteitsverschil tussen (in dit geval) een rechtspersoon ( [appellant 2] ) en een natuurlijke persoon ( [appellant 1] ) met het doel om vermogensbestanddelen aan verhaal te onttrekken.. Bij vereenzelviging wordt het identiteitsverschil tussen een bij het geval betrokken rechtspersoon en een of meer andere bij die rechtspersoon betrokken (rechts)personen (volledig) weggedacht. Door een geslaagd beroep op vereenzelviging wordt bereikt dat de ene (rechts)persoon medeaansprakelijk wordt voor het handelen van een andere (rechts)persoon (lees: in de plaats treedt van de ander). Het standaardarrest in dit kader is het Rainbow-arrest (HR 13 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7480)). Uit dit arrest blijkt een hoge drempel voor een succesvol beroep op vereenzelviging. De Hoge Raad overweegt dat het maken van misbruik van een identiteitsverschil tussen rechtspersonen in beginsel leidt tot de verplichting om schade te vergoeden die door het misbruik aan derden wordt toegebracht. Onder verwijzing naar het Citco/Krijger-arrest (HR 9 juni 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1752, NJ 1996/213) voegt de Hoge Raad hieraan toe: “De omstandigheden van het geval kunnen evenwel ook zo uitzonderlijk van aard zijn dat vereenzelviging van de betrokken rechtspersonen – het volledig wegdenken van het identiteitsverschil – de meest aangewezen vorm van redres is.” Deze formulering herhaalt de Hoge Raad nog eens uitdrukkelijk in het Maple Leaf-arrest (HR 7 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2288). Aan een benadeelde komt in beginsel dus een schadevergoeding uit onrechtmatige daad toe en slechts in uitzonderlijke gevallen een beroep op vereenzelviging.
3.12
Naar het oordeel van het hof is hetgeen door [geïntimeerde] is aangedragen als hiervoor verwoord in rov. 3.8 ten enenmale onvoldoende om vereenzelviging aan te nemen met als gevolg de verplichting om door [appellant 2] ontvangen huurpenningen te laten afdragen door [appellant 1] . Al was het alleen maar omdat de betreffende huurpenningen in ieder geval terecht zijn gekomen in het vermogen van [appellant 2] , waarvan [geïntimeerde] 30% van de aandelen houdt.
Dat betekent dat ook deze grief faalt. Voor zover [geïntimeerde] ook nog een vordering heeft ingesteld tegen [appellant 2] wegens af te dragen huurpenningen is zij daarin niet-ontvankelijk, omdat tegen een gevoegde partij geen vordering kan worden ingesteld.
3.13
Dit alles leidt ertoe dat het bestreden vonnis van de rechtbank moet worden bekrachtigd inclusief de daarin bepaalde wijze van verdeling. Uiteraard heeft het hof oog voor het gegeven dat het huidige conservatoir beslag op het onroerend goed door een derde een door de rechtbank vastgestelde afwikkeling zal bemoeilijken gelet op het bepaalde in art. 505 lid 2 Rv, maar dat maakt niet dat daarin zelfstandig een reden voor vernietiging van het vonnis is gelegen.
3.14
Het door [appellant 1] in algemene zin gedane bewijsaanbod passeert het hof nu gelet op hetgeen hiervoor reeds is overwogen en beslist, dat niet meer van belang is.
3.15
Beide partijen zijn in beroep in het ongelijk gesteld. Bovendien zijn zij gewezen levenspartners, zodat daarin voldoende redenen zijn gelegen om de proceskosten te compenseren.

4.Beslissing

Het hof:
rechtdoende in principaal en incidenteel appel:
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;
verklaart [geïntimeerde] niet ontvankelijk in haar vordering tegen [appellant 2] ;
bepaalt dat ieder der partijen de eigen proceskosten draagt;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. R.A. van der Pol, H.K.N. Vos en O.G.H. Milar en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 6 januari 2026.