ECLI:NL:GHAMS:2026:1
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vordering tot scheiding en deling onroerend goed na echtscheiding met betrekking tot huurinkomsten
In deze zaak gaat het om een vordering tot scheiding en deling van onroerend goed na een echtscheiding. De vrouw, aangeduid als [appellant 1], vordert de verdeling van onroerend goed, inclusief de verkoop en een deel van de huuropbrengsten. De rechtbank heeft een bepaalde vorm van verdeling vastgesteld, maar de man, aangeduid als [appellant 2], is het daar niet mee eens. Hij stelt dat een derde partij, een vennootschap die hij beheert, economisch eigenaar is van het onroerend goed en ook als verhuurder heeft opgetreden. Deze derde partij voegt zich in hoger beroep in de procedure. Het hof wijst het beroep van de man af, omdat elke deelgenoot recht heeft op een verdeling volgens artikel 3:178 BW. De vordering van de vrouw om de huuropbrengsten te verdelen wordt afgewezen, omdat niet is vastgesteld dat de man deze zelf heeft genoten. Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank, waarbij het ook rekening houdt met het conservatoire beslag dat op het onroerend goed is gelegd. De proceskosten worden gecompenseerd, gezien de relatie tussen de partijen.