Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1063

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
24 april 2026
Zaaknummer
200.035.991/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:88 BWArt. 1:89 BWArt. 3:52 BWArt. 7:907 BWArt. 2 WCAM-overeenkomst
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verjaring en bewijsopdracht bij vernietiging effectenleaseovereenkomsten wegens ontbreken schriftelijke toestemming echtgenote

In deze civiele zaak staat de vraag centraal of het vernietigingsrecht van de echtgenote op grond van artikel 1:88 en Pro 1:89 BW ten aanzien van effectenleaseovereenkomsten is verjaard. De echtgenote had geen schriftelijke toestemming gegeven voor het aangaan van twee effectenleaseovereenkomsten door afnemer. Zij heeft deze vernietigd via brieven in 2003 en 2005. Dexia betwist de ontvankelijkheid van deze vernietiging wegens verjaring.

De kantonrechter had de overeenkomsten 1 en 2 vernietigd en Dexia veroordeeld tot betaling. Dexia gaat in hoger beroep tegen het oordeel dat de vernietigingsvordering niet verjaard is. Het hof bevestigt dat de overeenkomsten als koop op afbetaling kwalificeren en dat de echtgenote het recht heeft tot vernietiging wegens ontbreken van toestemming.

Het hof overweegt dat de verjaringstermijn van drie jaar begint te lopen vanaf het moment dat de echtgenote daadwerkelijk bekend is met de overeenkomst. De Hoge Raad heeft bepaald dat de verjaring is gestuit door een collectieve actie op 13 maart 2003, waardoor overeenkomsten gesloten vanaf 13 maart 2000 tijdig vernietigd kunnen worden. Overeenkomst 2 is na die datum gesloten en dus tijdig vernietigd.

Voor overeenkomst 1, gesloten vóór 13 maart 2000, stelt het hof een bewijsvermoeden vast dat de echtgenote bekend was met de overeenkomst vanaf het eerste bankafschrift waarop betalingen vanaf een en/of-rekening zijn gedaan. Dexia heeft dit bewijs geleverd, waarna het aan afnemer is om tegenbewijs te leveren. Het hof staat afnemer toe getuigen te horen en bepaalt een getuigenverhoor op 4 mei 2026. De verdere beslissing wordt aangehouden.

Uitkomst: Het hof bevestigt dat de vernietiging van effectenleaseovereenkomst 2 niet verjaard is en stelt bewijsopdracht voor overeenkomst 1 over de bekendheid van de echtgenote, waarna verdere beslissing wordt aangehouden.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.035.991/01
zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam : 848067 DX EXPL 07-565
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 21 april 2026
inzake
DEXIA NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
appellante in principaal hoger beroep, geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde],
wonend te [plaats] (Spanje),
geïntimeerde in principaal hoger beroep, appellant in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. J.B. Maliepaard te Rotterdam.
Partijen worden hierna Dexia en afnemer genoemd.

1.Het geding in hoger beroep

Dexia is bij dagvaarding van 6 januari 2009 in hoger beroep gekomen van een tussenvonnis van 9 april 2008 en een eindvonnis van 29 oktober 2008 van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter), onder bovengenoemd zaak- en rolnummer gewezen tussen afnemer als eiser in conventie en verweerder in reconventie en Dexia als gedaagde in conventie en eiseres in reconventie.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven, met producties;
- memorie van antwoord in principaal appel, memorie van grieven in incidenteel appel tevens akte tot wijziging van eis, met producties;
- memorie van antwoord in incidenteel appel, met productie;
- akte afnemer, met productie;
- antwoordakte Dexia, met productie.
Bij tussenarrest van 4 oktober 2016 is een regiecomparitie gelast voor 188 Dexia-zaken waarin (onder meer) de problematiek van de onaanvaardbaar zware financiële last aan de orde is, waaronder de onderhavige zaak. Deze comparitie heeft op 12 december 2016 plaatsgevonden en daarvan is een proces-verbaal opgemaakt.
Vervolgens hebben partijen nog de volgende stukken ingediend:
- akte uitlaten jurisprudentie Dexia, met productie;
- antwoordakte afnemer.
Ten slotte is arrest gevraagd.
Partijen hebben geconcludeerd zoals verwoord in de processtukken.

2.Feiten

De kantonrechter heeft in het eindvonnis onder “Feiten” feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil, zodat ook het hof deze feiten als vaststaand zal aannemen.
2.1.
Afnemer heeft met een rechtsvoorgangster van Dexia onderstaande effectenleaseovereenkomsten gesloten (hierna: de effectenleaseovereenkomsten). De effectenleaseovereenkomsten zijn op enig moment geëindigd, waarna Dexia de eindafrekeningen heeft opgesteld. De relevante gegevens van de effectenleaseovereenkomsten zijn als volgt:
Nr.
Contractnummer
Datum
Naam
Looptijd
Eindafrekening
Resultaat
1.
[nummer 1]
4-10-1999
Korting Kado
120 mnd
11-7-2006
-/- € 13.175,42
2.
[nummer 2]
30-8-2000
23-12-2003
WinstVerDriedubbelaar
verlenging
36 mnd
36 mnd
20-1-2004
-/- € 19.834,56
3.
[nummer 3]
31-8-2001
31-8-2004
Triple Effect Vooruitbetaling
verlenging
36 mnd
36 mnd
11-7-2006
-/- € 9.626,09
4.
[nummer 4]
31-8-2001
31-8-2004
Triple Effect Vooruitbetaling
verlenging
36 mnd
36 mnd
11-7-2006
-/- € 9.848,91
2.2.
Afnemer was ten tijde van het aangaan van de effectenleaseovereenkomsten gehuwd. De echtgenote heeft afnemer geen (schriftelijke) toestemming verleend voor het aangaan van effectenleaseovereenkomsten 1 en 2.
2.3.
Bij brieven van 11 december 2003 en 17 januari 2005 aan Dexia (hierna: de vernietigingsbrieven) heeft de echtgenote met een beroep op artikel 1:89 BW Pro in samenhang met artikel 1:88 BW Pro meegedeeld effectenleaseovereenkomsten 1 en 2 te vernietigen.

3.Beoordeling

3.1.
Bij beschikking van 25 januari 2007 (ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ7033) heeft dit hof op de voet van artikel 7:907, eerste lid, BW een overeenkomst tussen Dexia en anderen verbindend verklaard voor de kring van gerechtigden als bedoeld in artikel 2 van Pro de WCAM-overeenkomst. Afnemer en de echtgenote hebben tijdig een opt out-verklaring uitgebracht, zodat deze WCAM-overeenkomst hen niet bindt.
3.2.
Deze procedure ziet (onder meer) op door afnemer met Dexia gesloten effectenleaseovereenkomsten 1 en 2 waarvan de echtgenote de vernietigbaarheid heeft ingeroepen met de vernietigingsbrieven. Dexia beroept zich onder meer op verjaring van deze rechtsvordering tot vernietiging.
3.3.
De kantonrechter heeft voor zover hier van belang voor recht verklaard dat de effectenleaseovereenkomsten 1 en 2 zijn vernietigd, Dexia veroordeeld om aan afnemer ter zake deze effectenleaseovereenkomsten te betalen hetgeen Dexia op grond van de in het vonnis genoemde berekening verschuldigd is en Dexia veroordeeld om aan afnemer de wettelijke rente en de kosten van de procedure in conventie te betalen.
3.4.
Tegen deze beslissing van de kantonrechter en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt Dexia op. Dexia heeft onder meer grieven gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat de rechtsvordering tot vernietiging van de effectenleaseovereenkomsten 1 en 2 (door Dexia in haar memorie van grieven aangeduid als ‘Overeenkomsten 3 en 4’) door de echtgenote niet is verjaard.
3.5.
Het hof overweegt als volgt. De effectenleaseovereenkomsten moeten worden aangemerkt als overeenkomsten van koop op afbetaling (huurkoop) in de zin van artikel 1:88 lid 1 aanhef Pro en onder d BW. De echtgenote heeft op grond van artikel 1:89 lid 1 BW Pro het recht de effectenleaseovereenkomsten, die afnemer is aangegaan, te vernietigen, omdat voor het aangaan daarvan aan afnemer geen schriftelijke toestemming is gegeven.
3.6.
Uit artikel 3:52 lid Pro 1, aanhef en onder d, BW in samenhang met artikel 1:89 lid 1 BW Pro volgt dat de rechtsvordering tot vernietiging van een overeenkomst wegens het ontbreken van de krachtens artikel 1:88 BW Pro vereiste toestemming verjaart na drie jaren gerekend vanaf het moment waarop deze bevoegdheid tot vernietiging aan de echtgenote van wie de toestemming was vereist, ten dienste is komen te staan. Ingevolge artikel 3:52 lid 2 BW Pro kan, na verjaring van de rechtsvordering tot vernietiging, een overeenkomst niet meer op dezelfde vernietigingsgrond buitengerechtelijk worden vernietigd.
3.7.
De verjaringstermijn gaat lopen op het tijdstip waarop de echtgenote daadwerkelijk bekend is geworden met het bestaan van de overeenkomst. Beslissend zijn de feiten en omstandigheden die bij de echtgenote bekend zijn, en niet de bekendheid van de echtgenote met de juridische beoordeling daarvan. Het gaat erom wanneer de echtgenote wist van de effectenleaseovereenkomst en niet om de vraag op welk moment zij wist of begreep dat zij bevoegd was de effectenleaseovereenkomst te vernietigen. Op degene die zich op verjaring beroept, in dit geval Dexia, rusten de stelplicht en bewijslast van de feiten en omstandigheden waaruit die bekendheid van de echtgenote kan worden afgeleid.
3.8.
Het hof neemt in aanmerking dat de Hoge Raad heeft geoordeeld dat in gevallen als deze, de bevoegdheid van de echtgenote tot het uitbrengen van een buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging, op 13 maart 2003 is gestuit als gevolg van de op die datum ingestelde collectieve actie van onder meer Stichting Eegalease. Aangezien voor deze rechtsvordering tot vernietiging een verjaringstermijn van drie jaar geldt, betekent dit dat de verjaring van de bevoegdheid tot vernietiging van de effectenleaseovereenkomsten tijdig is gestuit bij alle overeenkomsten die zijn gesloten vanaf 13 maart 2000. Hetzelfde geldt in gevallen waarin de overeenkomst weliswaar vóór die datum is gesloten, maar de echtgenote pas ná 13 maart 2000 bekend werd met de overeenkomst. De verjaringstermijn vangt immers pas aan op het moment dat de echtgenote daadwerkelijk bekend wordt met de overeenkomst (HR 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3018).
3.9.
Het voorgaande betekent dat effectenleaseovereenkomst 2 in ieder geval tijdig is vernietigd, aangezien deze is aangegaan na 13 maart 2000. Het hierna volgende heeft derhalve uitsluitend betrekking op effectenleaseovereenkomst 1.
3.10.
Dexia heeft in dit verband, onder meer, aangevoerd dat de maandelijkse betalingen aan Dexia voor effectenleaseovereenkomst 1 van een en/of-rekening op naam van afnemer en de echtgenote zijn gedaan, zodat aangenomen moet worden dat de echtgenote vanaf de ontvangst van het oudste bankafschrift betreffende een betaling aan Dexia op de hoogte is geraakt van effectenleaseovereenkomst 1. Afnemer heeft erkend dan wel onvoldoende weersproken dat de betalingen vanaf de en/of-rekening zijn gedaan.
3.11.
Het hof ziet aanleiding om eerst deze stelling te behandelen en laat dus vooralsnog in het midden waartoe de overige stellingen en/of verweren van Dexia moeten leiden. Aan het feit dat de betalingen zijn gedaan vanaf de en/of-rekening, ontleent het hof het bewijsvermoeden dat de echtgenote op de datum van het eerste bankafschrift waarop de betaling aan Dexia is vermeld, bekend werd met effectenleaseovereenkomst 1 (vergelijk HR 17 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU6506). Dit brengt mee dat Dexia voorshands is geslaagd in het bewijs dat de echtgenote vóór 13 maart 2000 met het bestaan van effectenleaseovereenkomst 1 bekend is geworden. Het is vervolgens aan afnemer om overeenkomstig zijn aanbod tegenbewijs te leveren van deze bekendheid. Het hof zal hiertoe de gelegenheid geven zoals hierna onder 4.1 is vermeld.
3.12.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4.Beslissing

Het hof:
4.1.
laat afnemer toe tot het leveren van tegenbewijs tegen de voorshands als bewezen geachte stelling dat de echtgenote vóór 13 maart 2000 met het bestaan van effectenleaseovereenkomst 1 bekend is geworden;
4.2.
bepaalt dat als afnemer dit tegenbewijs wenst te leveren door het laten horen van getuigen, een getuigenverhoor zal plaatshebben ten overstaan van mr. L. Alwin die hierbij tot raadsheer-commissaris wordt benoemd. Dit verhoor zal plaatshebben in een van de zalen van het Paleis van Justitie aan het IJdok 20 te Amsterdam op 4 mei 2026 om 9.30 uur;
4.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. L. Alwin, R.M. de Winter en M.M. Kruithof en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 21 april 2026.