Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1466

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
28 mei 2026
Zaaknummer
200.354.476/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:88 BWArt. 1:89 BWArt. 3:52 BWArt. 7:907 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep effectenlease: verjaring vernietigingsrecht en bewijsopdracht

In deze civiele zaak staat de effectenleaseovereenkomst tussen Dexia Nederland B.V. en een afnemer centraal, waarbij de echtgenote van de afnemer de vernietigbaarheid van de overeenkomst heeft ingeroepen wegens het ontbreken van haar schriftelijke toestemming. De kantonrechter had de effectenleaseovereenkomst vernietigd en Dexia veroordeeld tot betaling aan de echtgenote.

Dexia betwistte onder meer de geldigheid van de vernietigingsbrief en stelde dat de rechtsvordering tot vernietiging was verjaard. Het hof sluit zich aan bij de kantonrechter dat de vernietigingsbrief rechtsgeldig is ontvangen en begrepen door Dexia, ondanks het ontbreken van een handtekening.

Het hof oordeelt dat de effectenleaseovereenkomst kwalificeert als koop op afbetaling en dat de echtgenote op grond van de wet het recht heeft deze te vernietigen. De verjaringstermijn van drie jaar vangt aan op het moment dat de echtgenote daadwerkelijk bekend werd met de overeenkomst. Dexia heeft aannemelijk gemaakt dat de echtgenote vóór 13 maart 2000 bekend was met de effectenleaseovereenkomst, op basis van betalingen vanaf een en/of-rekening.

Het hof staat de echtgenote toe tegenbewijs te leveren, onder meer door getuigenverhoor, en houdt verdere beslissing aan. Het getuigenverhoor is gepland op 19 juni 2026. Hiermee wordt de bewijsopdracht duidelijk en wordt de procedure voortgezet.

Uitkomst: Het hof bevestigt de geldigheid van de vernietigingsbrief en staat tegenbewijs toe over de verjaring van het vernietigingsrecht, waarna de zaak wordt aangehouden.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.354.476/01
zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam : 11025033 EL 24-11
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 26 mei 2026
inzake
DEXIA NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
appellante,
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde],
mede in hoedanigheid van erfgenaam van
[naam],
wonend te [plaats 1] (gemeente ’ [plaats 2] ),
geïntimeerde,
advocaat: mr. J.B. Maliepaard te Rotterdam.
Partijen worden hierna Dexia en de echtgenote genoemd.

1.Het geding in hoger beroep

Dexia is bij dagvaarding van 23 april 2025 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) van 13 maart 2025, onder bovengenoemd zaak- en rolnummer gewezen tussen de echtgenote als eiseres in conventie en gedaagde in reconventie en Dexia als gedaagde in conventie en eiseres in reconventie.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven, met productie;
- memorie van antwoord, met producties;
- akte uitlaten producties Dexia.
Ten slotte is arrest gevraagd.
Partijen hebben geconcludeerd zoals verwoord in de processtukken.

2.Feiten

Het hof gaat uit van de volgende feiten, die tussen partijen niet in geschil zijn.
2.1.
De afnemer heeft met een rechtsvoorgangster van Dexia onderstaande effectenleaseovereenkomst gesloten (hierna: de effectenleaseovereenkomst). De effectenleaseovereenkomst is op enig moment geëindigd, waarna Dexia de eindafrekening heeft opgesteld. De relevante gegevens van de effectenleaseovereenkomst zijn als volgt:
Nr.
Contractnummer
Datum
Naam
Looptijd
Eindafrekening
Resultaat
1.
[nummer]
29-3-1999
SpaArEXtra
240 mnd
31-3-2008
€ 2.340,70
2.2.
De echtgenote, met wie de afnemer ten tijde van het aangaan van de effectenleaseovereenkomst was gehuwd, heeft de afnemer geen (schriftelijke) toestemming verleend voor het aangaan van de effectenleaseovereenkomst.
2.3.
Bij brief van 14 april 2003, waaronder de naam van de echtgenote staat vermeld (hierna: de vernietigingsbrief), wordt aan Dexia medegedeeld dat de echtgenote met een beroep op artikel 1:89 BW Pro in samenhang met artikel 1:88 BW Pro de effectenleaseovereenkomst vernietigt.

3.Beoordeling

3.1.
Bij beschikking van 25 januari 2007 (ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ7033) heeft dit hof op de voet van artikel 7:907, eerste lid, BW een overeenkomst tussen Dexia en anderen verbindend verklaard voor de kring van gerechtigden als bedoeld in artikel 2 van Pro de WCAM-overeenkomst. De afnemer en de echtgenote hebben tijdig een opt out-verklaring uitgebracht, zodat deze WCAM-overeenkomst hen niet bindt.
3.2.
Deze procedure ziet op de door de afnemer met Dexia gesloten effectenleaseovereenkomst waarvan de echtgenote stelt de vernietigbaarheid te hebben ingeroepen met de vernietigingsbrief. Dexia stelt zich primair op het standpunt dat de vernietigingsbrief niet is ondertekend door de echtgenote. Voorts beroept Dexia zich onder meer op verjaring van de rechtsvordering tot vernietiging.
3.3.
De kantonrechter heeft ten aanzien van de ondertekening van de vernietigingsbrief overwogen dat uit de door de echtgenote overgelegde stukken, zoals de ontvangstbevestiging van 18 april 2003 van Dexia, blijkt dat Dexia uitdrukkelijk en zonder voorbehoud de ontvangst van de vernietigingsbrief heeft bevestigd. In elk geval heeft Dexia volgens de kantonrechter in algemene termen gereageerd op de vernietigingsbrief en heeft Dexia hieruit kunnen en moeten begrijpen dat de verklaring tot vernietiging gericht was op de betreffende overeenkomst. Voor zover de vernietigingsbrief volgens Dexia onvolkomenheden vertoonde had bovendien van Dexia mogen worden verwacht dat zij hierover opheldering zou hebben gevraagd aan de echtgenote en haar in de gelegenheid zou hebben gesteld deze op te heffen. Dit heeft Dexia nagelaten. De kantonrechter oordeelt dat Dexia zich dan ook niet (voor het eerst) in deze procedure kan beroepen op de omstandigheid dat de vernietigingsbrief niet is ondertekend. Dexia richt zich met haar eerste grief tegen dit oordeel.
3.4.
Het hof sluit zich aan bij de overwegingen van de kantonrechter en neemt deze over. Uit de vernietigingsbrief blijkt duidelijk welk doel deze heeft, nl. het op grond van artikel 1:88 en Pro 89 BW vernietigen van de effectenleaseovereenkomst door de daartoe gerechtigde (de echtgenote). De echtgenote neemt het in de vernietigingsbrief gestelde voor haar rekening. Dexia heeft de ontvangst van de brief schriftelijk bevestigd en daaruit blijkt dat zij de inhoud daarvan ook op die manier heeft begrepen. Grief I van Dexia slaagt dus niet.
3.5.
De kantonrechter heeft voorts voor zover hier van belang, voor recht verklaard dat de effectenleaseovereenkomst is vernietigd, heeft Dexia veroordeeld om aan de echtgenote ter zake de effectenleaseovereenkomst te betalen hetgeen Dexia op grond van de in het vonnis genoemde berekening verschuldigd is, en heeft Dexia veroordeeld om aan de echtgenote de wettelijke rente en de kosten van de procedure te betalen.
3.6.
Tegen deze beslissing van de kantonrechter en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt Dexia met haar overige grieven op. In de grieven van Dexia ligt onder meer besloten dat zij opkomt tegen het oordeel van de kantonrechter dat de rechtsvordering tot vernietiging van de effectenleaseovereenkomst door de echtgenote niet is verjaard.
3.7.
Het hof overweegt als volgt. De effectenleaseovereenkomst moet worden aangemerkt als overeenkomst van koop op afbetaling (huurkoop) in de zin van artikel 1:88 lid 1 aanhef Pro en onder d BW. De echtgenote heeft op grond van artikel 1:89 lid 1 BW Pro het recht de effectenleaseovereenkomst, die de afnemer is aangegaan, te vernietigen, omdat voor het aangaan daarvan aan de afnemer geen schriftelijke toestemming is gegeven.
3.8.
Uit artikel 3:52 lid Pro 1, aanhef en onder d, BW in samenhang met artikel 1:89 lid 1 BW Pro volgt dat de rechtsvordering tot vernietiging van een overeenkomst wegens het ontbreken van de krachtens artikel 1:88 BW Pro vereiste toestemming verjaart na drie jaren gerekend vanaf het moment waarop deze bevoegdheid tot vernietiging aan de echtgenote van wie de toestemming was vereist, ten dienste is komen te staan. Ingevolge artikel 3:52 lid 2 BW Pro kan, na verjaring van de rechtsvordering tot vernietiging, een overeenkomst niet meer op dezelfde vernietigingsgrond buitengerechtelijk worden vernietigd.
3.9.
De verjaringstermijn gaat lopen op het tijdstip waarop de echtgenote daadwerkelijk bekend is geworden met het bestaan van de overeenkomst. Beslissend zijn de feiten en omstandigheden die bij de echtgenote bekend zijn, en niet de bekendheid van de echtgenote met de juridische beoordeling daarvan. Het gaat erom wanneer de echtgenote wist van de effectenleaseovereenkomst en niet om de vraag op welk moment zij wist of begreep dat zij bevoegd was de effectenleaseovereenkomst te vernietigen. Op degene die zich op verjaring beroept, in dit geval Dexia, rusten de stelplicht en bewijslast van de feiten en omstandigheden waaruit die bekendheid van de echtgenote kan worden afgeleid.
3.10.
Het hof neemt in aanmerking dat de Hoge Raad heeft geoordeeld dat in gevallen als deze, de bevoegdheid van de echtgenote tot het uitbrengen van een buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging, op 13 maart 2003 is gestuit als gevolg van de op die datum ingestelde collectieve actie van onder meer Stichting Eegalease. Aangezien voor deze rechtsvordering tot vernietiging een verjaringstermijn van drie jaar geldt, betekent dit dat de verjaring van de bevoegdheid tot vernietiging van de effectenleaseovereenkomsten tijdig is gestuit bij alle overeenkomsten die zijn gesloten vanaf 13 maart 2000. Hetzelfde geldt in gevallen waarin de overeenkomst weliswaar vóór die datum is gesloten, maar de echtgenote pas ná 13 maart 2000 bekend werd met de overeenkomst. De verjaringstermijn vangt immers pas aan op het moment dat de echtgenote daadwerkelijk bekend wordt met de overeenkomst (HR 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3018).
3.11.
Dexia heeft in dit verband, onder meer, aangevoerd dat de maandelijkse betalingen aan Dexia voor de effectenleaseovereenkomst van een en/of-rekening op naam van de afnemer en de echtgenote zijn gedaan, zodat aangenomen moet worden dat de echtgenote vanaf de ontvangst van het oudste bankafschrift betreffende een betaling aan Dexia op de hoogte is geraakt van de effectenleaseovereenkomst. De echtgenote heeft erkend dan wel onvoldoende weersproken dat de betalingen vanaf de en/of-rekening zijn gedaan.
3.12.
Het hof ziet aanleiding om eerst deze stelling te behandelen en laat dus vooralsnog in het midden waartoe de overige stellingen en/of verweren van Dexia moeten leiden. Aan het feit dat de betalingen zijn gedaan vanaf de en/of-rekening, ontleent het hof het bewijsvermoeden dat de echtgenote op de datum van het eerste bankafschrift waarop de betaling aan Dexia is vermeld, bekend werd met de effectenleaseovereenkomst (vergelijk HR 17 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU6506). Dit brengt mee dat Dexia voorshands is geslaagd in het bewijs dat de echtgenote vóór 13 maart 2000 met het bestaan van de effectenleaseovereenkomst bekend is geworden. Het is vervolgens aan de echtgenote om overeenkomstig haar aanbod tegenbewijs te leveren van deze bekendheid. Het hof zal hiertoe de gelegenheid geven zoals hierna onder 4.1 is vermeld.
3.13.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4.Beslissing

Het hof:
4.1.
laat de echtgenote toe tot het leveren van tegenbewijs tegen de voorshands als bewezen geachte stelling dat zij vóór 13 maart 2000 met het bestaan van de effectenleaseovereenkomst bekend is geworden;
4.2.
bepaalt dat als de echtgenote dit tegenbewijs wenst te leveren door het laten horen van getuigen, een getuigenverhoor zal plaatshebben ten overstaan van mr. M.M. Kruithof die hierbij tot raadsheer-commissaris wordt benoemd. Dit verhoor zal plaatshebben in een van de zalen van het Paleis van Justitie aan het IJdok 20 te Amsterdam op 19 juni 2026 om 11.30 uur;
4.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.M. Kruithof, L. Alwin en R.M. de Winter en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2026.