ECLI:NL:GHAMS:2026:1848

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
6 juli 2026
Zaaknummer
200.361.727/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 806 lid 1 onder a RvArt. 1.1.9 Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen ondertoezichtstelling minderjarige

De moeder is in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van de kinderrechter die haar minderjarige kind onder toezicht stelde van een gecertificeerde instelling voor de periode van 20 augustus 2025 tot 20 augustus 2026. De moeder verzocht vernietiging van deze beschikking, terwijl de raad de bekrachtiging van het besluit verlangde.

Het hof beoordeelde de ontvankelijkheid van het hoger beroep. De moeder had het beroepschrift op de laatste dag van de beroepstermijn na sluitingstijd van de griffie in de brievenbus van het hof gedeponeerd. Volgens het procesreglement en vaste rechtspraak moeten stukken echter binnen de openingstijden van de griffie worden ingediend. Het hof kon niet vaststellen dat het beroepschrift tijdig en rechtsgeldig was ingediend.

De moeder stelde dat zij door overmacht na 17.00 uur het beroepschrift persoonlijk had ingediend en dat de termijn tot 23.59 uur liep. Het hof verwierp dit, verwijzend naar het procesreglement en jurisprudentie van de Hoge Raad. De moeder had ook digitaal kunnen indienen om de termijn te waarborgen, maar had dit nagelaten.

Daarom verklaarde het hof de moeder niet-ontvankelijk in haar hoger beroep en kwam het niet toe aan inhoudelijke behandeling van de zaak. De beschikking van de kinderrechter bleef daarmee in stand.

Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep van de moeder niet-ontvankelijk wegens te late indiening van het beroepschrift.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.361.727/01
zaaknummer rechtbank: C/13/770099 / JE RK 25-389
beschikking van de meervoudige kamer van 7 juli 2026 in de zaak van
[de moeder] ,
wonende op een bij het hof bekend adres,
verzoekster in hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. M.F.B. Hersman te Amsterdam,
en
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie [plaats] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna: de raad.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige] , hierna: [minderjarige] , en
- de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio [plaats] , gevestigd te [plaats] , hierna: de GI.
Het hof heeft als informant aangemerkt:
- [de vader] , hierna: de vader.

1.Het verloop van de procedure bij de rechtbank

1.1
Het hof verwijst voor het verloop van de procedure bij de rechtbank naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kinderrechter) van 20 augustus 2025, uitgesproken onder het hiervoor genoemde zaaknummer (hierna: de bestreden beschikking). Bij de bestreden beschikking is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 20 augustus 2025 tot 20 augustus 2026.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De moeder is in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
2.2
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een brief van de zijde van de moeder van 27 november 2025;
- een bericht van de zijde van de raad van 2 februari 2026 met bijlage, en
- ( op verzoek van het hof) een bericht van de zijde van de moeder van 26 mei 2026 met bijlagen.
2.3
De zitting heeft op 29 mei 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat,
- de raad, vertegenwoordigd door V.D. Aelbers, en
- twee vertegenwoordigers van de GI.
De vader is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

3.De feiten

3.1
De moeder en de vader (hierna gezamenlijk: de ouders) zijn de ouders van [minderjarige] , geboren [in] 2020 te [plaats] . De ouders hebben een relatie met elkaar gehad. De vader heeft [minderjarige] erkend. De moeder oefent alleen het gezag uit over [minderjarige] . [minderjarige] woont bij haar moeder en oma (moederszijde, hierna: mz).
3.2
Bij beschikking van 7 juni 2024 van de rechtbank Amsterdam is een omgangsregeling vastgesteld waarbij de vader onder begeleiding twee uur per week omgang heeft met [minderjarige] . Deze regeling wordt niet uitgevoerd. Ook de in de hiervoor vermelde beschikking vastgestelde informatieregeling is gestagneerd.
3.3
De moeder en de vader hebben de dag voor de zitting in hoger beroep telefonisch een afspraak gemaakt om samen op 31 mei 2026 met [minderjarige] naar de speeltuin te gaan.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De kinderrechter heeft in de bestreden beschikking [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 20 augustus 2025 tot 20 augustus 2026.
4.2
De moeder verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen (en naar het hof begrijpt: het verzoek van de raad tot ondertoezichtstelling van [minderjarige] alsnog af te wijzen).
4.3
De raad verzoekt – naar het hof begrijpt – de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

Ontvankelijkheid van de moeder in haar hoger beroep
5.1
Het hof dient allereerst te beoordelen of de moeder ontvankelijk is in haar hoger beroep.
5.2
Op grond van artikel 806 lid 1 onder Pro a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) moet door de verzoeker en door degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de uitspraak. Het hof stelt voorop dat de dag waarop het beroepschrift ter griffie van het hof is ingekomen maatgevend is voor de beantwoording van de vraag of het hoger beroep tijdig door de moeder is ingesteld.
De bestreden beschikking dateert van 20 augustus 2025. De laatste dag van de termijn voor het instellen van hoger beroep in deze zaak was daarmee 20 november 2025.
Blijkens de stempel op het beroepschrift is het stuk pas op 21 november 2025 ter griffie ingekomen.
Het verloop van de procedure voorafgaand aan de zitting
5.3
Het hof heeft mr. Hersman per brief van 24 november 2025 verzocht om uiterlijk 28 november 2025 aan het hof te laten weten wat haar standpunt is over de ontvankelijkheid van het hoger beroep.
5.4
Bij brief van 27 november 2025 (ingekomen bij het hof op 1 december 2025) heeft mr. Hersman meegedeeld dat zij op 20 november 2025 met de auto vanaf haar kantoor in de [X buurt] naar het hof is gereden om het beroepschrift in persoon in te dienen. Door vertragingen in het verkeer kwam zij na 17.00 uur aan bij het hof. Zij heeft vervolgens gesproken met medewerkers van de beveiliging, die ervoor hebben gezorgd dat zij de stukken op dat moment kon deponeren in de brievenbus in de gevel van het gebouw van het hof. Zij heeft dat rond 17.30 uur, en daarom ruim binnen de termijn voor indiening, gedaan. Om de hiervoor genoemde redenen is mr. Hersman van mening dat er geen sprake is van een termijnoverschrijding en dat zij ontvankelijk moet worden verklaard in haar beroepschrift.
De standpunten ter zitting
5.5
Ter zitting in hoger beroep heeft mr. Hersman – voor zover hier van belang – het volgende aangevoerd. De Hoge Raad stelt dat een beroepschrift tot 23.59 uur van de laatste dag van de appeltermijn ingediend kan worden. De hele dag geldt dus als mogelijkheid om een beroepschrift in te dienen. Mr. Hersman is vanwege overmacht na 17.00 uur binnengelopen bij het hof. De Centrale Balie was toen al dicht en een medewerker van de beveiliging heeft haar vervolgens geholpen om de stukken in de brievenbus te doen. Het is een onjuiste opvatting dat de termijn voor het (in persoon) indienen van stukken sluit op het moment dat de Centrale Balie sluit, waar deze voor het indienen op andere manieren nog zeven uur doorloopt. Mr. Hersman dacht dat zij het beroepschrift op tijd had ingediend, omdat zij de stukken in persoon afgegeven heeft bij het hof. Dat is ook de reden dat mr. Hersman de stukken niet alsnog per e-mail heeft nagezonden. Als zij de stukken op de juiste wijze had ingeleverd of per e-mail verzonden had, dan had het hof de stukken ook pas een dag later gezien, aldus mr. Hersman.
5.6
De raad heeft zich ter zitting in hoger beroep gerefereerd aan het oordeel van het hof ten aanzien van het al dan niet verstrijken van de appeltermijn.
De beoordeling
5.7
Volgens vaste rechtspraak zijn rechtsmiddelentermijnen van openbare orde en moeten deze door de rechter ambtshalve worden toegepast. In het belang van een goede rechtspleging moet duidelijkheid bestaan omtrent het tijdstip waarop een termijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel aanvangt en eindigt. Aan rechtsmiddeltermijnen dient dan ook strikt de hand te worden gehouden. Op laatstgenoemd uitgangspunt kan slechts onder bijzondere omstandigheden een uitzondering worden gemaakt, zoals in het geval van zogenoemde apparaatsfouten.
5.8
Mr. Hersman heeft aangevoerd dat zij het beroepschrift op 20 november 2025 heeft ingediend bij het hof. Het hof stelt in dat kader het volgende vast. Artikel 1.1.9 van het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven (zestiende versie, geldig van 1 juli 2025 tot januari 2026) luidt als volgt:
‘Indiening van stukken
Belanghebbenden dienen stukken bij het hof waar de zaak in behandeling komt of in behandeling is als volgt in.
1. de belanghebbende die niet-digitaal procedeert:
- door toezending per post aan de griffie van dat hof {
hyperlink benaming griffie en postadres}; - door afgifte aan de Centrale Balie van dat hof {
hyperlink adres hof};
[…]
- door toezending via Veilig Mailen, op de voorwaarde dat het stuk direct per post aan de griffie van het hof wordt nagezonden of wordt afgegeven aan de Centrale Balie van het hof, onder de uitdrukkelijke vermelding dat het reeds eerder via Veilig Mailen ingediende stukken betreft.
Voor toezending via Veilig mailen gelden daarnaast de in Bijlage V vermelde regels {
hyperlink regels voor het gebruik van Veilig Mailen}.
Verzendingen via Veilig Mailen die vóór 24.00 uur van de laatste dag van een lopende termijn zijn ontvangen, gelden als binnen de termijn ingediend, tenzij een termijn op een ander tijdstip op die dag eindigt.
[…]
Indiening van stukken op een andere wijze dan in dit artikel beschreven, is niet toegestaan.
[…]
De griffie is op werkdagen telefonisch bereikbaar van 8.30 tot 17.00 uur {hyperlink telefoonnummers}.’
5.9
Zoals hiervoor onder 5.8 en op
https://www.rechtspraak.nl/organisatie-en-contact/organisatie/gerechtshoven/gerechtshof-amsterdamis vermeld, is het hof (waaronder de griffie en de Centrale Balie) doordeweeks van 8.30 tot 17.00 uur open. Het hof constateert dat mr. Hersman op 20 november 2025 om omstreeks 17.30 uur, en dus buiten de openingstijden van de griffie en de Centrale Balie, op aanwijzen van een medewerker van de beveiliging van het hof stukken heeft gedeponeerd in de brievenbus van het hof. De Hoge Raad heeft in een uitspraak van 10 januari 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0473, bepaald dat er geen reden is om voor een beroepschrift een uitzondering te maken op de voor civiele zaken geldende algemene regel dat het indienen van processtukken slechts gedurende de openingstijden van de griffie kan plaatsvinden. Anders dan mr. Hersman stelt, lopen de termijnen voor het indienen van processtukken in persoon naar het oordeel van het hof dan ook anders dan voor het indienen van processtukken via Veilig Mailen. Dit heeft met name te maken met de controleerbaarheid van het tijdstip van indienen en de controleerbaarheid van de inhoud van het ingediende stuk. Daarbij betrekt het hof de beschikking van de Hoge Raad van 12 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:570. Daaruit volgt dat niet alleen moet komen vast te staan dat tijdig een stuk is ingediend, maar dat ook moet kunnen worden vastgesteld dat dat processtuk voldoet aan de eisen die de wet daaraan stelt. In het onderhavige geval neemt het hof aan dat mr. Hersman vóór het einde van de dag stukken in de brievenbus van het hof heeft gedaan, maar het hof kan niet vaststellen dat die stukken daadwerkelijk een beroepschrift bevatten dat aan de wettelijke vereisten voldeed. Het is namelijk niet uit te sluiten dat het ter griffie binnengekomen beroepschrift van 21 november 2025 pas ná middernacht in de brievenbus is gestopt.
Daar komt nog bij dat het indienen van stukken op een andere wijze dan in artikel 1.1.9 van het Procesreglement beschreven, zoals in dit geval door de stukken te deponeren in de brievenbus van het hof, niet is toegestaan.
Vast staat dat het beroepschrift pas op 21 november 2025, en daarom na het verstrijken van de beroepstermijn, ter griffie van het hof is ingekomen. Dat mr. Hersman het beroepschrift buiten de openingstijden van de Centrale Balie in de brievenbus van het hof heeft gedeponeerd dient voor rekening en risico van de moeder te komen. Daarbij overweegt het hof dat mr. Hersman, nu zij wist dat zij het beroepschrift buiten de openingstijden van de Centrale Balie indiende, op 20 november aan het einde van de dag – zekerheidshalve – het beroepschrift digitaal had kunnen indienen om zo de beroepstermijn veilig te stellen, wat zij heeft nagelaten (vgl. GHSHE:2025:1981).
5.1
Het voorgaande maakt dat er – naar het oordeel van het hof – geen feiten of omstandigheden zijn gesteld of gebleken waaruit blijkt dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding (vgl. HR 11 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1682). De moeder dient daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard in het door haar ingestelde hoger beroep.
5.11
Gelet op het voorgaande komt het hof aan een inhoudelijke behandeling van de zaak niet toe.
5.12
Al het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar hoger beroep.
Deze beschikking is gegeven door mr. L.M. Mons, mr. J.M. van Baardewijk en mr. J.M.C. Louwinger-Rijk, in tegenwoordigheid van mr. I.L.I. Bossert als griffier en is op 7 juli 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.