ECLI:NL:GHAMS:2026:1953

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
25/45
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 114, lid 2, DWUArt. 221, lid 3, CDWArt. 103, lid 3, DWUArt. 116, lid 7, DWUArt. 214, lid 3, CDW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van rechtmatigheid nieuwe uitnodiging tot betaling en renteheffing door Douane

In deze bestuursrechtelijke zaak staat centraal of de inspecteur bevoegd was om een nieuwe uitnodiging tot betaling (utb) uit te reiken voor douaneschulden die eerder in een verzamel-utb waren opgenomen en deels waren verminderd door het Gerechtshof. Daarnaast is de rechtmatigheid van de in rekening gebrachte rente op achterstallen aan de orde.

De feiten betreffen 21 aangiften van zonnepanelen uit Taiwan, die volgens het OLAF-rapport van Chinese oorsprong zijn. De inspecteur had een verzamel-utb uitgereikt, die door de rechtbank grotendeels werd vernietigd, maar door het Gerechtshof werd verminderd. De inspecteur reikte vervolgens een nieuwe utb uit voor de verminderd geachte bedragen, vermeerderd met rente.

Het Gerechtshof oordeelt dat de douaneschulden materieel bestaan en dat de inspecteur bevoegd is een nieuwe utb uit te reiken, ondanks eerdere verklaringen in eerste aanleg. Het beginsel van gezag van gewijsde staat dit niet in de weg, omdat de douaneschulden nog niet definitief waren vastgesteld. Ook is de rente op achterstallen terecht geheven, aangezien de wettelijke regeling dit vanaf 1 mei 2016 toestaat, ongeacht het ontstaan van de schuld.

Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er wordt geen veroordeling in kosten uitgesproken.

Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt dat de inspecteur bevoegd was een nieuwe uitnodiging tot betaling uit te reiken en dat de rente op achterstallen terecht is geheven.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 25/45
9 juni 2026
uitspraak van de meervoudige douanekamer
op het hoger beroep van
[X] ,gevestigd te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: mr. J.A. Biermasz)
tegen de uitspraak van 19 november 2024 in de zaak met kenmerk HAA 22/4051 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
de
inspecteur van de Douane, de inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
In de bestreden uitspraak heeft de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de afwijzing van haar bezwaar tegen een uitnodiging tot betaling (hierna: de utb) van € 1.946.283,64 (€ 1.440.909,29 aan antidumpingrechten, € 310.308,18 aan compenserende rechten en € 195.066,17 aan rente op achterstallen) ongegrond verklaard. Daarnaast heeft de rechtbank de inspecteur en de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid) veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade voor respectievelijk € 166,67 en € 833,33, en van de proceskosten van belanghebbende (ieder tot een bedrag van € 109,40).
1.2.
Na het instellen van hoger beroep op naam van belanghebbende hebben partijen de volgende stukken ingediend:
  • een motivering van het hoger beroep door belanghebbende;
  • een verweerschrift en verzoek tot geheimhouding door de inspecteur;
  • een aanvullend verweerschrift door de inspecteur.
1.3.
Bij tussenbeslissing van 8 augustus 2025 heeft de geheimhoudingskamer het verzoek om
geheimhouding van delen van het OLAF-rapport toegewezen.
1.4.
Het onderzoek ter zitting in de hoofdzaak heeft plaatsgevonden op 26 mei 2026. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2.Feiten

2.1.
De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld, waarbij de inspecteur wordt aangeduid als “verweerder” en belanghebbende als “eiseres”:
“1. In de periode van 12 mei 2014 tot en met 8 juli 2014 zijn in naam en voor rekening van eiseres in totaal 21 aangiften voor het brengen in het vrije verkeer gedaan van – kort gezegd – zonnepanelen verzonden uit Taiwan met vermelding van Taiwan als land van oorsprong.
2. Het Europees Bureau voor fraudebestrijding (hierna: OLAF) heeft in 2014 een onderzoek uitgevoerd naar verdachte overbrengingen van zonnepanelen uit de Volksrepubliek China in Taiwan. De bevindingen van het onderzoek heeft OLAF vastgelegd in een rapport met dagtekening 21 april 2015 (hierna: het OLAF-rapport).
3. Op grond van de bevindingen van OLAF zoals neergelegd in het OLAF-rapport heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de door eiseres in het vrije verkeer gebrachte zonnepanelen van Chinese oorsprong zijn.
4. Met betrekking tot de hiervoor onder 1. bedoelde 21 aangiften heeft verweerder met dagtekening 13 augustus 2015 aan eiseres een verzamel-utb uitgereikt (hierna: de verzamel-utb).
5. Bij uitspraak op bezwaar van 1 augustus 2016 heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de verzamel-utb ten aanzien van één van de aangiften toegewezen en het bezwaar tegen de verzamel-utb ten aanzien van de overige 20 aangiften afgewezen.
6. Bij uitspraak van 19 juli 2019 (ECLI:NL:RBNHO:2019:6209) heeft de rechtbank de verzamel-utb in haar geheel vernietigd. Tot de stukken van het geding behoort het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank, waarin onder meer het volgende is opgenomen:
“(…) verklaart […] namens verweerder:
Bijlage 13 bij het verweerschrift, subbijlage 6, is een volledig overzicht van de aangiften. Ik zie nu dat het schema is gaan schuiven waardoor niet alles meer goed loopt.
Ik dacht dat over aangifte [# 1] wel iets is gezegd in de vooraankondiging of in de uitspraak op bezwaar. Er staat echter niets over het niet op elkaar aansluiten van de nummers. Ik zie nu dat er geen link is dus de heffing vervalt. (…) Voor de aangifte [# 2] geldt hetzelfde en kan ik geen link maken. Ook die heffing moet vervallen. De rechtbank houdt mij voor dat bij de aangifte [# 3] in de laatste kolom 10 containernummers zijn vermeld terwijl op de aangiften in Nederland 15 containernummers zijn vermeld. Ik begrijp- nu dat de douanewaarde van € […] ziet op 15 containers. Dit moeten 10 containers zijn dus er moet 1/3 van de waarde af en 1/3 van de heffing. Ik weet niet hoe die 5 containers in de utb zijn gekomen. De containers staan niet op de D5-aangiften maar wel op de invoeraangiften. Ik denk dat is gedacht dat over alle 15 containers moest worden geheven omdat 10 containers uit China kwamen. Ik vind dat niet correct. Die 5 containers moeten er uit want daarvan is niet zeker dat ze via D5- en L1-aangiften zijn gekomen. (…)”
7. Op 2 september 2020 heeft het Gerechtshof Amsterdam uitspraak gedaan op het hoger beroep van zowel eiseres als verweerder (ECLI:NL:GHAMS:2021:2828). Het Gerechtshof heeft in deze uitspraak onder meer geoordeeld dat verweerder ter zitting in eerste aanleg in niet voor tweeërlei uitleg vatbare bewoordingen aan de rechtbank heeft kenbaar gemaakt dat de verzamel-utb dient te worden verminderd voor zover deze de aangiften (met volgnummers) [# 1] , [# 2] en (deels) [# 3] betreft en dat het verweerder alsdan in rechte niet vrijstaat om in hoger beroep terug te komen op zijn standpunt. De omstandigheid dat in hoger beroep, op basis van de door de Taiwanese douane verstrekte aangiftegegevens, ook voor de aangiften [# 1] , [# 2] en [# 3] aannemelijk is gemaakt dat de desbetreffende zonnepanelen wel degelijk van Chinese oorsprong zijn, maakt dit volgens het Gerechtshof niet anders. Het Gerechtshof heeft de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de verzamel-utb verminderd met € 1.751.217,45.
8. Eiseres heeft beroep in cassatie ingesteld tegen deze uitspraak van het Gerechtshof.
9. Bij brief van 22 oktober 2021 heeft verweerder het voornemen tot het uitreiken van een utb voor de bedragen aan antidumpingrechten en compenserende rechten waarmee het Gerechtshof de verzamel-utb had verminderd, vermeerderd met de (inmiddels) daarover verschuldigde rente op achterstallen, aan eiseres gezonden.
10. Nadat eiseres bij brief van 15 november 2021 op dit voornemen had gereageerd, heeft verweerder de onderhavige utb aan eiseres opgelegd.
11. In een op 5 juli 2024 gewezen arrest heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie van eiseres ongegrond verklaard (ECLI:NL:HR:2024:905). De Hoge Raad heeft onder meer geoordeeld dat het Gerechtshof Amsterdam terecht heeft beslist dat het bepaalde in artikel 3, eerste lid, van Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 september 2013 en in artikel 19 van Pro Verordening (EG) nr. 515/97 van de Raad van 13 maart 1997 geen aanleiding geeft om de door OLAF in Taiwan vergaarde informatie als bewijsmiddel uit te sluiten en dat verweerder zich voor het bewijs van de niet-preferentiële oorsprong van de zonnepanelen heeft mogen baseren op de bevindingen van OLAF zoals neergelegd in het OLAF-rapport.”
2.2.
Nu de hiervoor vermelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn bestreden zal ook het Hof daarvan uitgaan.

3.Geschil in hoger beroep

Tussen partijen is in geschil of de inspecteur vrijstond om een nieuwe utb uit te reiken. Daarnaast is in geschil of de inspecteur terecht rente op achterstallen in rekening heeft gebracht.

4.Overwegingen van de rechtbank

De rechtbank heeft ten aanzien van het geschil het volgende overwogen:

Beroepsgronden
15. Tijdens het onderzoek ter zitting heeft eiseres naar voren gebracht dat de Hoge Raad in het arrest van 5 juli 2024 een definitief oordeel heeft gegeven over een aantal van de door eiseres aangevoerde beroepsgronden. Daaraan verbindt zij de conclusie dat die gronden in de onderhavige procedure niet meer aan de orde behoeven te komen. Zij handhaaft wel de beroepsgrond dat het verweerder niet vrijstond om opnieuw een utb op te leggen voor de aangiften [# 1] , [# 2] en (deels) [# 3] . De overige tegen de verzamel-utb aangevoerde beroepsgronden, te weten dat de bevoegdheid van OLAF ontbreekt en dat verweerder niet heeft voldaan aan de op hem rustende bewijslast, heeft zij ter zitting ingetrokken. Eiseres heeft tevens laten weten dat zij geen beroep doet op het vertrouwensbeginsel. Dit betekent dat de beoordeling van de rechtbank zich zal beperken tot de volgende vragen: stond het verweerder vrij om opnieuw een utb uit te reiken en, zo ja, heeft verweerder terecht rente op achterstallen in rekening gebracht?
Stond het verweerder vrij om opnieuw een utb uit te reiken voor de aangiften [# 1] , [# 2] en (deels) [# 3] ?
16. In zijn uitspraak van 2 september 2021 heeft het Gerechtshof Amsterdam onder meer het volgende overwogen:
- In rechtsoverweging 5.19: “Uit het vorenoverwogene volgt dat, anders dan de rechtbank heeft beslist, naar het oordeel van het Hof voor alle in geding zijnde aangiften het vereiste bewijs van de Chinese oorsprong is geleverd. Bij deze stand van het geding dient het verweer van belanghebbende te worden behandeld, inhoudende dat de inspecteur is gebonden aan zijn ter zitting bij de rechtbank ingenomen standpunt dat de heffing dient te vervallen ten aanzien van de aangiften [# 1] ( [# 1] ), [# 2] ( [# 2] ) en (deels) [# 3] ( [# 3] ) en dat de utb in zoverre reeds daarom terecht is vernietigd door de rechtbank.”.
- In rechtsoverweging 5.21: “Naar ’s Hofs oordeel heeft de inspecteur ter zitting in eerste aanleg in niet voor tweeërlei uitleg vatbare bewoordingen aan de rechtbank kenbaar gemaakt dat de utb dient te worden verminderd voor zover deze de aangiften [# 1] , [# 2] en (deels) [# 3] betreft. Het staat de inspecteur alsdan in rechte niet vrij om in hoger beroep terug te komen op zijn standpunt. De omstandigheid dat in hoger beroep, op basis van de door de Taiwanese douane verstrekte aangiftegegevens, ook voor de aangiften [# 1] , [# 2] en [# 3] aannemelijk is gemaakt dat de desbetreffende zonnepanelen wel degelijk van Chinese oorsprong zijn (zie 5.15, eerste volzin), maakt dit niet anders.”.
17. Het Gerechtshof heeft de uitspraak op bezwaar vernietigd, behoudens de hiervoor onder 5. genoemde vermindering, en de verzamel-utb verminderd met een bedrag van € 1.440.909,29, zijnde de antidumpingrechten en compenserende rechten die over de zonnepanelen van aangiften [# 1] , [# 2] en (deels) [# 3] in de verzamel-utb waren opgenomen. De vermindering van de verzamel-utb betekent echter naar het oordeel van de rechtbank niet dat ook de daaraan ten grondslag liggende douaneschulden zijn aangetast. Uit het door de Uniewetgever (voorheen Gemeenschapswetgever) gemaakte onderscheid tussen het bestaan van de douaneschuld op zichzelf en de invordering ervan, volgt dat het ontstaan van de douaneschuld voorafgaat aan de mededeling van het bedrag ervan door middel van een utb en dus noodzakelijkerwijs losstaat van deze mededeling. De op grond van artikel 5, negende lid, van het CDW respectievelijk artikel 5, achttiende lid, van het DWU op eiseres rustende verplichting tot betaling van de rechten bij invoer is niet de verplichting die voortvloeit uit de mededeling van de douaneschuld, maar die voortvloeit uit het belastbare feit zelf. De mededeling van de douaneschuld en dus ook de gedeeltelijke vermindering van de verzamel-utb (mededeling) zijn daarom niet van invloed op het bestaan van de douaneschuld (vgl. Gerechtshof Amsterdam 16 augustus 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:2726, rechtsoverweging 5.5 en de aldaar aangehaalde jurisprudentie van het Hof van Justitie en de Hoge Raad). Met name verwijst de rechtbank naar het arrest van het Hof van Justitie van 20 oktober 2005, C-247/04, Transport Maatschappij Traffic BV, ECLI:EU:C:2005:628, punten 24 en 25.
18. Hieruit volgt dat de uit de aangiften [# 1] , [# 2] en (deels) [# 3] voortvloeiende douaneschulden niet zijn verminderd. Verweerder kan wel de utb verminderen, maar niet de douaneschuld. Dat verweerder in de procedure tegen de verzamel-utb bij de rechtbank heeft geconstateerd dat hij geen bewijs had om een link te maken voor de aangiften [# 1] , [# 2] en (deels) [# 3] , zoals blijkt uit de hiervoor onder 6. opgenomen passage uit het proces-verbaal, betekent niet dat daarmee is komen vast te staan dat de betreffende douaneschulden niet bestaan. Het Gerechtshof Amsterdam heeft niet geoordeeld dat geen douaneschuld bestaat of dat deze niet aannemelijk is gemaakt. Het Gerechtshof heeft  door te oordelen dat voor alle in geding zijnde aangiften het vereiste bewijs van oorsprong is geleverd  juist materieel vastgesteld dat de douaneschuld wel bestaat. Evenmin volgt uit de uitspraak van het Gerechtshof dat de boeking van de douaneschuld zou zijn vervallen of ingetrokken zou moeten worden. In de uitspraak van het Gerechtshof ligt daarom niet besloten dat geen nieuwe utb kan worden opgelegd. Geen rechtsregel staat eraan in de weg dat verweerder een nieuwe mededeling van dezelfde douaneschuld doet waarbij hij het benodigde bewijsmateriaal wel overlegt.
Rente op achterstallen
19. In haar uitspraak van 29 april 2022 (ECLI:NL:RBNHO:2022:3713) heeft de rechtbank geoordeeld dat rente op achterstallen in de zin van artikel 114, tweede lid, van het DWU, niet in rekening kan worden gebracht over douaneschulden die onder het CDW zijn ontstaan. De nadien gedane uitspraken van het Gerechtshof Amsterdam van 4 april 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:1007 en ECLI:NL:GHAMS:2023:1009 en van 3 mei 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:1010 hebben de rechtbank evenwel aanleiding gegeven om haar eerdere oordeel dat rente op achterstallen slechts kan worden berekend over douaneschulden die zijn ontstaan vanaf 1 mei 2016 (onder de werking van het DWU) te herzien.
20. De rechtbank sluit zich thans aan bij dat oordeel en de overwegingen van het Gerechtshof Amsterdam, die als volgt luiden:
“Een nieuwe rechtsregel, zoals artikel 114, lid 2, van het DWU (rente op achterstallen), is van toepassing vanaf de inwerkingtreding van de handeling waarbij hij is ingevoerd. Een dergelijke regel is weliswaar niet van toepassing op rechtsposities die zijn ontstaan en definitief zijn verworven vóór die inwerkingtreding, maar is wel onmiddellijk van toepassing op de toekomstige gevolgen van een onder vigeur van de oude wettelijke regeling ontstane situatie en op nieuwe rechtsposities. Dit ligt – onder voorbehoud van het beginsel dat rechtshandelingen geen terugwerkende kracht hebben – alleen anders wanneer de nieuwe regel gepaard gaat met bijzondere bepalingen die specifiek de voorwaarden voor de toepassing ervan in de tijd vastleggen (vgl. HvJ 3 juni 2021, Jumbocarry Trading, C-39/20, punt 29, ECLI:EU:C:2021:435). Dergelijke bijzondere bepalingen ontbreken voor het in rekening brengen van rente op achterstallen, zodat het ervoor dient te worden gehouden dat de Uniewetgever met de invoering van artikel 114 DWU Pro heeft beoogd om rente op achterstallen te heffen vanaf 1 mei 2016, ongeacht de datum waarop de desbetreffende douaneschulden zijn ontstaan.
Het stond de Uniewetgever vrij om per 1 mei 2016 voornoemde rente op achterstallen ook voor reeds bestaande douaneschulden in te voeren, hoewel onder de werking van het CDW niet in een vergelijkbare renteregeling was voorzien (vgl. artikel 214, lid 3, CDW gelezen in samenhang met artikel 519 UCDW Pro). De beginselen van rechtszekerheid en bescherming van het gewettigd vertrouwen, brengen geen verplichting met zich om de rechtsorde ongewijzigd te laten in de tijd. De marktdeelnemers mogen niet vertrouwen op de handhaving van een bestaande situatie die de instellingen van de Unie in het kader van hun beoordelingsbevoegdheid kunnen wijzigen (zie arrest Jumbocarry Trading, punt 50).”
Dit betekent dat de gevorderde rente op achterstallen wel door eiseres verschuldigd is. Ook deze beroepsgrond faalt.”

5.Beoordeling van het geschil

Uitreiken nieuwe utb mogelijk?
5.1.
De inspecteur heeft met dagtekening 13 augustus 2015 een (verzamel)uitnodiging tot betaling (hierna: utb) uitgereikt aan belanghebbende ten bedrage van € 7.006.983,53 aan antidumpingrechten en € 1.508.994,59 aan compenserende rechten. Het Hof heeft in zijn uitspraak van 2 september 2021, nr. 19/01310, ECLI:NL:GHAMS:2021:2828, deze utb verminderd met € 1.440.909,29 aan definitieve antidumpingrechten en € 310.308,18 aan definitieve compenserende rechten, omdat de inspecteur ter zitting bij de rechtbank had verklaard dat de heffing voor de desbetreffende aangiften moest “vervallen” omdat hij in de (onjuiste) vooronderstelling verkeerde dat hij ten aanzien van die aangiften niet beschikte over het benodigde bewijs van de Chinese oorsprong van de goederen (zie citaat proces-verbaal in punt 6 van de rechtbankuitspraak). De inspecteur heeft voor laatstgenoemde douaneschulden een nieuwe utb uitgereikt. Belanghebbende betoogt ook in hoger beroep dat het de inspecteur niet vrij stond om een nieuwe utb uit te reiken.
5.2.
Het Hof onderschrijft het in de rechtsoverwegingen 16 tot en met 18 gegeven oordeel van de rechtbank en de gronden waarop dit oordeel berust. Hetgeen belanghebbende in hoger beroep heeft aangevoerd, werpt geen ander of nieuw licht op de zaak. In aanvulling hierop overweegt het Hof het volgende.
5.3.
Anders dan belanghebbende ter zitting in hoger beroep heeft betoogd, staat het beginsel van gezag van gewijsde in dit geval niet aan uitreiking van een nieuwe utb in de weg. Als gezag van gewijsde al zou moeten worden aanvaard in douanezaken, in afwijking van het beginsel dat elke aanslag op zich moet worden beschouwd (vgl. HR 22 juni 1921, B. 2799), kan het alleen gelden voor de punten, feitelijk en rechtens, die in de betrokken rechterlijke beslissing daadwerkelijk of noodzakelijkerwijs zijn beslecht (vgl. HvJ EU 29 maart 2011, ThyssenKrupp Nirosta GmbH, C‑352/09 P, ECLI:EU:C:2011:191, punt 123, artikel 236 Rv Pro en ABRvS 6 augustus 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AI0801). Voor zover de inspecteur in de eerdere procedure in eerste aanleg heeft verklaard dat de heffing moest vervallen, is van een dergelijke beslechting geen sprake. Na die verklaring bestond immers geen geschil meer over de douaneschulden die met dat deel van de heffing (utb) correspondeerden. De rechtbank kon (toen) daarom niet meer oordelen over die douaneschulden. In zijn uitspraak van 2 september 2021 heeft het Hof vervolgens op louter procesrechtelijke gronden geoordeeld dat de (eerste) utb diende te worden verminderd, dus niet omdat de desbetreffende douaneschulden niet zouden zijn ontstaan. Integendeel, het Hof heeft in zijn uitspraak – ten overvloede – vermeld dat het bewijs dat de douaneschulden zijn ontstaan zich wel in het procesdossier bevond.
5.4.
Van een schending van het rechtszekerheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel is evenmin sprake, omdat belanghebbende ten aanzien van de desbetreffende aangiften nog geen definitieve rechtspositie had verworven op het tijdstip waarop de inspecteur zijn thans voorliggende utb aan haar uitreikte. Van een definitief verworven rechtspositie ten aanzien van een douaneschuld is eerst sprake wanneer de desbetreffende douaneschuld is verjaard of tenietgegaan (zie HvJ EU 3 juni 2021, Jumbocarry Trading, C-39/20, ECLI:EU:C:2021:435, punten 37 en 38). De drie aangiften waarop de thans voorliggende utb betrekking heeft zijn aanvaard op 16 en 17 juni 2014. Mededeling van een douaneschuld aan de schuldenaar dient plaats te vinden binnen drie jaar. Deze termijn wordt geschorst (opgeschort) door het instellen van bezwaar en beroep (zie artikel 221, lid 3 CDW en artikel 103, lid 3 DWU). Belanghebbende heeft op 29 september 2015 een bezwaarschrift ingediend. Dit brengt met zich dat op de datum waarop het Hof zijn uitspraak deed (2 september 2021) de inspecteur nog over een termijn van één jaar en acht maanden beschikte om de desbetreffende douaneschulden aan belanghebbende mede te delen. Onder die omstandigheden is de inspecteur, indien hij tot het inzicht komt dat de desbetreffende douaneschulden wel degelijk zijn ontstaan, gehouden de (reeds in 2015 geboekte) douaneschulden aan belanghebbende mede te delen door uitreiking van een nieuwe utb (zie ook artikel 116, lid 7 DWU). Het hoger beroep faalt in zoverre.
Rente op achterstallen
5.5.
Bij deze stand van het geding houdt partijen verdeeld of de inspecteur terecht rente op achterstallen in rekening heeft gebracht op grond van het bepaalde in artikel 114, lid 2, van het DWU. Het Hof onderschrijft het in de rechtsoverwegingen 19 en 20 gegeven oordeel van de rechtbank en de gronden waarop dit oordeel berust. In aanvulling op deze overwegingen van de rechtbank verwijst het Hof naar zijn uitspraak van 27 juli 2023, nrs. 22/00386 en 22/00387, ECLI:NL:GHAMS:2023:2975, r.o. 4.24 e.v. alsmede de punten 4.50 tot en met 4.63 van de conclusie van A-G Ettema in het tegen dat oordeel van het Hof gerichte cassatieberoep (conclusie van 26 juli 2024, ECLI:NL:PHR:2024:793). Hetgeen belanghebbende in hoger beroep heeft aangevoerd, werpt geen ander of nieuw licht op de zaak.
5.6.
Gelet op het vorenoverwogene heeft de inspecteur terecht rente op achterstallen in rekening gebracht. Het hoger beroep faalt ook in zoverre.
Slotsom
5.7.
Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

6.Kosten

Het Hof vindt geen aanleiding voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van Pro de Awb in verbinding met artikel 8:108 van Pro die wet.

7.Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door mrs. B.A. van Brummelen, voorzitter, C.J. Hummel en W.J. Blokland, leden van de douanekamer, in tegenwoordigheid van mr. A.H. van Dapperen, als griffier. De beslissing is op 9 juni 2026 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing
Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen
Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op
www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op
www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Een afschrift van deze uitspraak is aangetekend per post verzonden op: