ECLI:NL:GHAMS:2026:1996

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
3 juli 2026
Publicatiedatum
21 juli 2026
Zaaknummer
200.363.607/02
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid wrakingsverzoek na einduitspraak in hoger beroep

De wrakingskamer van het Gerechtshof Amsterdam behandelde op 3 juli 2026 het wrakingsverzoek van de verzoeker tegen de raadsheren die betrokken waren bij de behandeling van zijn hoger beroep. De hoofdzaak betrof het hoger beroep tegen een beslissing van de kamer voor het notariaat. De ontvankelijkheid van het hoger beroep was op 18 maart 2026 behandeld, waarna de uitspraak op 2 juni 2026 werd gedaan en per beveiligde e-mail aan de verzoeker werd verzonden.

De verzoeker diende op 1 juni 2026 een akte van ongenoegen in en op 2 juni 2026 een wrakingsverzoek, waarin hij bezwaar maakte tegen de raadsheren. De wrakingskamer stelde vast dat het wrakingsverzoek pas na de einduitspraak was ingediend, waardoor het niet tijdig was volgens vaste rechtspraak. De verzoeker kon daarom niet in het wrakingsverzoek worden ontvangen.

De wrakingskamer oordeelde dat het proces-verbaal van de terechtzitting de enige wettelijke bron is voor de uitspraakdatum en dat de mededeling van de verzoeker over een andere datum onvoldoende aanknopingspunten bood om het proces-verbaal te betwijfelen. Een mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek werd achterwege gelaten omdat het verzoek niet ontvankelijk was. De wrakingskamer verklaarde het verzoek dan ook niet-ontvankelijk.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek is niet-ontvankelijk verklaard omdat het na de einduitspraak is ingediend.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

zaaknummer wrakingszaak : 200.363.607/02
zaaknummer hoofdzaak : 200.363.607/01
Beslissing van de wrakingskamer van 3 juli 2026
op het wrakingsverzoek ingediend door:
[verzoeker] ,
wonend [plaats] ,
hierna: verzoeker.

1.De procedure

1.1.
De hoofdzaak betreft het hoger beroep tegen de beslissing van de kamer voor het notariaat in het ressort ’s-Hertogenbosch met zaaknummers SHE/2025/39 en SHE/2025/55.
1.2.
De hoofdzaak is, voor zover het de ontvankelijkheid van het hoger beroep betreft, behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 18 maart 2026, op welke zitting de verzoeker is verschenen en het woord heeft gevoerd. Op deze zitting is de behandeling gesloten en is 2 juni 2026 als datum van uitspraak medegedeeld.
1.3.
Op 1 juni 2026 heeft verzoeker het hof per e-mailbericht een ‘akte van ongenoegen’ gestuurd, waarin hij – kort weergegeven – zijn bezwaren heeft geuit tegen de beslissing van het hof om op de zitting van 18 maart 2026 enkel de ontvankelijkheid van het hoger beroep te behandelen en waarin hij heeft verzocht om dit stuk in het dossier te voegen.
1.4.
Op 2 juni 2026 heeft het hof de beslissing in de hoofdzaak uitgesproken op de openbare terechtzitting. Deze beslissing is op die dag om 11.57 uur per beveiligd
e-mailbericht naar de verzoeker gestuurd. In deze beslissing is het hoger beroep van de verzoeker niet-ontvankelijk verklaard.
1.5.
Op 2 juni 2026 om 13.38 uur heeft een griffiemedewerker per e-mailbericht medegedeeld dat de ‘akte van ongenoegen’ van de verzoeker van 1 juni 2026 niet aan het dossier zal worden toegevoegd, omdat het niet tijdig is ingestuurd.
1.6.
Op 2 juni 2026 om 14.39 uur heeft de verzoeker per e-mailbericht medegedeeld het hof te wraken [de wrakingskamer begrijpt: de raadsheren mrs. O.J. van Leeuwen, C.H.N. van Altena en T.W. van Grafhorst] om de redenen vermeld in de akte [de wrakingskamer begrijpt: de akte van 1 juni 2026].
1.7.
Op 9 juni 2026 heeft een griffiemedewerker van de wrakingskamer per e-mailbericht aan de verzoeker te kennen gegeven dat de wraking na de einduitspraak is gedaan en de verzoeker daarom niet in het wrakingsverzoek kan worden ontvangen.
1.8.
Op 23 juni 2026 is een brief ingekomen van de verzoeker, waarin hij heeft betoogd dat hem op de terechtzitting van 18 maart 2026 als uitspraakdatum 3 juni 2026 is medegedeeld – in tegenstelling tot hetgeen in het proces-verbaal van de terechtzitting van 2 juni 2026 is vermeld – en dat het proces-verbaal dus onjuist is, dat hij het wrakingsverzoek doorzet en dat hij verzoekt uitgenodigd te worden voor een zitting van de wrakingskamer.
1.9.
Op 26 juni 2026 heeft de griffie van de wrakingskamer per e-mailbericht aan de verzoeker te kennen gegeven dat de wrakingskamer binnen twee weken formeel zal beslissen op zijn verzoeken.

2.Ontvankelijkheid van het wrakingsverzoek

2.1.
Anders dan de verzoeker heeft betoogd, ziet de wrakingskamer geen aanleiding om aan te nemen dat op de terechtzitting van 18 maart 2026 is medegedeeld dat de uitspraak zou plaatsvinden op 3 juni 2026. Het proces-verbaal van de terechtzitting vormt de enige wettelijke kenbron van hetgeen ter terechtzitting heeft plaatsgevonden en de wrakingskamer dient in beginsel van de juistheid daarvan uit te gaan. Hetgeen de verzoeker heeft aangevoerd biedt geen aanknopingspunten om van de onjuistheid van het proces-verbaal terechtzitting uit te gaan. Niet in geschil is dat de uitspraak op 2 juni 2026 om 11.57 uur per beveiligd e-mailbericht aan de verzoeker is verzonden. Het hof neemt bij zijn beoordeling van de ontvankelijkheid van het verzoek daarom tot uitgangspunt dat de uitspraak - conform de mededeling ter zitting van 18 maart 2026 - op 2 juni 2026 is gedaan.
2.2.
Volgens vaste rechtspraak (zie o.a. Hoge Raad 13 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ9926) is een schriftelijk ingediend wrakingsverzoek tijdig gedaan indien het voorafgaande aan de uitspraak bij het gerecht is ingekomen en wel op een tijdstip dat de betrokken rechter daarvan redelijkerwijs nog kennis kon nemen.
2.3.
Het wrakingsverzoek is om 2 juni 2026 om 14.39 uur bij het hof binnengekomen. De eindbeslissing in de hoofdzaak is eerder die dag al gegeven. Het verzoek is dus niet tijdig gedaan. Omdat de wet niet voorziet in de mogelijkheid van wraking nadat einduitspraak is gedaan in de zaak van de verzoeker, kan hij om die reden niet in het wrakingsverzoek worden ontvangen.
2.4.
Voor een behandeling van het verzoek ter terechtzitting bestaat geen reden. Het in de wet opgenomen recht op een mondelinge behandeling is door de wetgever bedoeld voor het debat over de gegrondheid van het verzoek, maar aan dat debat wordt gezien het vorenstaande niet toegekomen. Daarom kan – overeenkomstig het bepaalde in paragraaf 4.2 sub d van het Wrakingsprotocol van het hof Amsterdam – een mondelinge behandeling van het voorliggende wrakingsverzoek achterwege blijven.

3.De beslissing

De wrakingskamer verklaart de verzoeker niet-ontvankelijk in het verzoek tot wraking.
Deze beslissing is gegeven door mr. F.J.P.M. Haas, mr. M.L.M. van der Voet en
mr. E.M. de Stigter, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. C.H. Sillen als griffier en door de voorzitter in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2026.