ECLI:NL:GHAMS:2026:2098

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
16 juli 2026
Publicatiedatum
28 juli 2026
Zaaknummer
200.359.741
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15b lid 1 FwArt. 288 FwArt. 285 lid 1 onder f FwArt. 349a lid 1 FwArt. 352 lid 1 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gerechtshof stelt alternatieve aanvangsdatum schuldsaneringsregeling vast na omzetting faillissement

De zaak betreft de omzetting van het faillissement van appellant in een schuldsaneringsregeling en de vaststelling van het alternatieve aanvangsmoment van deze regeling. Appellant was sinds 3 mei 2022 failliet en verzocht op 30 januari 2025 om omzetting naar schuldsanering, welke op 19 september 2025 werd toegewezen met een termijn van drieënhalf jaar.

Het hof hield de zaak aan in afwachting van prejudiciële vragen die de Hoge Raad op 24 april 2026 beantwoordde. De Hoge Raad oordeelde dat het alternatieve aanvangsmoment van de schuldsaneringsregeling ook kan liggen op de dag van de eerste afdracht tijdens het faillissement, mits de schuldenaar maximaal heeft afgedragen en zich voldoende heeft ingespannen.

Op basis van gegevens van de bewindvoerder stelde het hof vast dat appellant gedurende 40 maanden failliet was, waarvan hij 34 maanden aan zijn inspanningsplicht voldeed. De eerste afdracht vond plaats op 29 juli 2022, maar het hof hield rekening met sparen vanaf faillissementsdatum 3 mei 2022 als eerste afdracht. Correcties werden toegepast voor zes maanden niet voldoen aan inspanningsplicht en negen maanden niet voldoen aan afdrachtplicht, waardoor de aanvangsdatum werd vastgesteld op 3 augustus 2023.

De reguliere termijn van drieënhalf jaar blijft ongewijzigd, waardoor de schuldsaneringsregeling eindigt op 3 februari 2027. De boedelachterstand na omzetting is niet relevant voor de aanvangsdatum en kan later worden behandeld. Het hof vernietigde het bestreden vonnis voor zover het verzoek tot eerdere aanvangsdatum werd afgewezen en deed opnieuw recht.

Uitkomst: Het hof stelt de aanvangsdatum van de schuldsaneringsregeling vast op 3 augustus 2023 na correctie voor niet-naleving van afdracht- en inspanningsplicht tijdens faillissement.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.359.743/01
zaaknummer rechtbank : C/13/22/82 F
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 16 juli 2026
in de zaak van
[appellant],
wonend in [plaats] ,
appellant,
advocaat: mr. L.N. Huizenga te Amsterdam.
Appellant wordt hierna [appellant] genoemd.

1.Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

Op 20 november 2025 heeft het hof een tussenarrest gewezen. Het hof verwijst naar hetgeen daarin is overwogen en beslist (ECLI:NL:GHAMS:2025:3135).
In het tussenarrest is de zaak aangehouden voor onbepaalde tijd, tot het moment waarop de Hoge Raad de prejudiciële vragen heeft beantwoord die waren gesteld door het hof ’s-Hertogenbosch in een arrest van 15 mei 2025 (ECLI:NL:GHSHE:2025:1365). In het tussenarrest heeft het hof overwogen dat [appellant] vervolgens de gelegenheid krijgt zich over de beslissing van de Hoge Raad uit te laten.
De Hoge Raad heeft de prejudiciële vragen beantwoord in zijn beslissing van 24 april 2026 (ECLI:NL:HR:2026:714). Het hof heeft bij e-mail van 29 april 2026 [appellant] de gelegenheid geboden zich over de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad uit te laten. [appellant] heeft daarop een ‘Akte uitlating na prejudiciële uitspraak Hoge Raad’ ingediend, die door het hof op 5 juni 2026 is ontvangen.
Op 2 juli 2026 heeft een (voortgezette) mondelinge behandeling plaatsgevonden. [appellant] was daarbij niet aanwezig maar heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Huizenga. Bij de mondelinge behandeling is ook verschenen mr. M. van Bommel, bewindvoerder in de schuldsaneringsregeling van [appellant] . Mr. Van Bommel heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling een brief d.d. 29 juni 2026, met bijlagen, aan het hof doen toekomen. Mr. Huizenga heeft desgevraagd verklaard ook over deze stukken te beschikken.
Uitspraak is bepaald op vandaag.

2.Beoordeling

Inleiding
2.1.
Het gaat in deze zaak om het volgende. [appellant] is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 3 mei 2022 op eigen aangifte in staat van faillissement verklaard met aanstelling van mr. Van Bommel als curator. [appellant] heeft op 30 januari 2025 op de voet van artikel 15b lid 1 Fw de rechtbank verzocht dit faillissement op te heffen onder het gelijktijdig uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling. De rechtbank heeft bij vonnis van 19 september 2025 het faillissement van [appellant] opgeheven, ten aanzien van hem de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken en mr. Van Bommel tot bewindvoerder benoemd. De rechtbank heeft de termijn van de schuldsaneringsregeling vastgesteld op drieënhalf jaar, te rekenen vanaf de datum van het vonnis.
2.2.
In het tussenarrest heeft het hof overwogen dat de klachten van [appellant] tegen de beslissing van de rechtbank om de reguliere termijn van de schuldsaneringsregeling van anderhalf jaar met twee jaar te verlengen tot drieënhalf jaar, niet slagen. Het hof heeft verder in het tussenarrest de beslissing over de vraag naar het aanvangsmoment van de schuldsaneringsregeling en de vraag of de boedelafdrachten die [appellant] in het kader van het faillissement heeft gedaan, kunnen leiden tot een eerder aanvangsmoment van de termijn van de schuldsaneringsregeling als bedoeld in art. 349a lid 1 Fw, aangehouden in afwachting van de beantwoording van de hiervoor bedoelde prejudiciële vragen.
HR 24 april 2026
2.3.
Voor deze zaak zijn met name de overwegingen van de Hoge Raad in de prejudiciële beslissing van 24 april 2026 van belang over de eerste prejudiciële vraag en de tweede prejudiciële vraag onder a. Deze vragen stellen, in onderlinge samenhang gelezen, aan de orde of bij omzetting van een faillissement in een schuldsaneringsregeling op de voet van art. 15b lid 1 Fw afdrachten die de schuldenaar tijdens het faillissement heeft gedaan, kunnen leiden tot een eerder aanvangsmoment van de termijn van de schuldsaneringsregeling als bedoeld in art. 349a lid 1 Fw. Het is die situatie waar het in de zaak van [appellant] over gaat. Het antwoord op deze vragen wordt gegeven in rov. 3.8 van de beslissing van de Hoge Raad en luidt als volgt:
Gelet op hetgeen hiervoor in 3.4-3.7 is overwogen, brengt een redelijke wetstoepassing mee dat het alternatieve aanvangsmoment van art. 349a lid 1 Fw ook gelegen kan zijn op de dag waarop de eerste afdracht is gedaan in het kader van het faillissement van de schuldenaar vóór omzetting in de schuldsaneringsregeling op de voet van art. 15b Fw. Die eerste afdracht moet in zoverre op één lijn worden gesteld met de eerste aflossing als bedoeld in art. 349a lid 1 Fw.
Hierbij geldt dat de schuldenaar, om in aanmerking te komen voor vervroeging van het aanvangsmoment op de voet van art. 349a lid 1 Fw, tijdens het faillissement maximaal, op basis van de normen die gelden voor berekening van het vtlb, moet hebben afgedragen aan de boedel en zich moet hebben ingespannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven. De schuldenaar zal de rechter gegevens moeten verstrekken om te kunnen vaststellen in hoeverre de door hem gepleegde inspanningen in het faillissement vergelijkbaar zijn met die waartoe hij bij toepassing van de schuldsaneringsregeling gehouden zou zijn, vergezeld van een verklaring of advies van de curator. Als de rechter die oordeelt over de omzetting van het faillissement in een schuldsaneringsregeling, vaststelt dat voldaan is aan de eisen die voortvloeien uit art. 288 Fw Pro en dat de schuldenaar zich tijdens het faillissement voldoende heeft ingespannen ten behoeve van zijn schuldeisers – in voorkomende gevallen ook door in voldoende mate te solliciteren naar betaalde arbeid – staat de eventuele omstandigheid dat die inspanningen niet geheel gelijk zijn aan de inspanningen waartoe de schuldenaar gehouden zou zijn uit hoofde van de schuldsaneringsregeling, niet eraan in de weg om de termijn van de schuldsaneringsregeling te laten lopen vanaf de dag waarop de eerste afdracht in het faillissement is gedaan.
De verklaring en het standpunt van de bewindvoerder
2.4.
[appellant] heeft bij zijn akte een aantal stukken overgelegd, waaronder een verklaring van 4 juni 2026 met bijlagen, van mr. Van Bommel (zoals hiervoor vermeld voormalig curator en huidig bewindvoerder in de schuldsaneringsregeling van [appellant] , hierna ook: de bewindvoerder). De bewindvoerder verklaart, mede gezien de inhoud van haar brief van 29 juni 2026 met bijlagen, en voor zover van belang, samengevat het volgende.
[appellant] heeft gedurende 40 maanden in staat van faillissement verkeerd, te weten van 3 mei 2022 tot 19 september 2025, de dag waarop zijn faillissement is omgezet in de schuldsaneringsregeling. [appellant] heeft in deze periode van 40 maanden van mei 2022 tot en met december 2022 en van juli 2023 tot en met september 2025 fulltime gewerkt. Hij heeft over de periode september 2022 tot en met december 2022 geen inkomsten ontvangen. Dit is veroorzaakt door financiële problemen bij zijn opdrachtgever, die uiteindelijk failliet is gegaan. Dit staat er niet aan in de weg dat [appellant] ook tijdens deze periode heeft voldaan aan zijn inspanningsplicht. [appellant] heeft in de periode januari 2023 tot en met juni 2023 geen werk gehad. Uit dit alles volgt dat [appellant] tijdens zijn faillissement gedurende 34 van de 40 maanden heeft voldaan aan zijn inspanningsplicht. Na zijn toelating tot de schuldsaneringsregeling is [appellant] fulltime blijven werken en voldoet hij ook in deze fase aan zijn inspanningsplicht.
2.5.
De bewindvoerder heeft op 15 juli 2022 een voor [appellant] geldend vrij te laten bedrag (hierna: vtlb) aan hem bekend gemaakt, waarna [appellant] op 29 juli 2022 een eerste afdracht heeft gedaan. Hij heeft op die datum in totaal drie betalingen gedaan, die zien op de maanden mei, juni en juli 2022. Tijdens faillissement is het vtlb viermaal berekend, waarbij het vtlb driemaal rond € 2.900 is vastgesteld en eenmaal op € 3.250. [appellant] heeft tijdens zijn faillissement in totaal € 55.575 naar de faillissementsrekening overgemaakt. De bewindvoerder verwijst naar een overzicht waarin voor de periode van het faillissement de volgende gegevens zijn vermeld: het inkomen van [appellant] , het vtlb, de daaruit voortvloeiende afdrachtplicht en de feitelijke afdrachten. [appellant] heeft in de schuldsaneringsregeling een boedelachterstand opgelopen van ruim € 10.000. De oorzaak hiervan is dat [appellant] heeft afgedragen volgens een door de bewindvoerder opgesteld vtlb terwijl de rechter-commissaris voor de periode oktober 2025 – januari 2026 uiteindelijk een lager vtlb heeft vastgesteld. [appellant] heeft toegezegd deze boedelachterstand te zullen inlopen, aldus steeds de bewindvoerder.
Het standpunt van [appellant] en zijn gewijzigde verzoek
2.6.
[appellant] verzoekt in zijn akte om vernietiging van het bestreden vonnis voor zover daarin het verzoek om een eerder aanvangsmoment te bepalen is afgewezen en om in plaats daarvan, samengevat en voor zover van belang, de aanvangsdatum van de schuldsaneringsregeling te stellen op
primair19 januari 2023,
subsidiair19 juni 2023 en
meer subsidiair19 oktober 2023.
2.7.
In zijn akte voert [appellant] , samengevat en voor zover van belang, het volgende aan over de bepaling van het zogeheten alternatieve aanvangsmoment van de schuldsaneringsregeling als bedoeld in artikel 349a lid 1 Fw.
Primair geldt dat [appellant] heeft voldaan aan zijn afdrachtplicht gedurende faillissement. Uit het overzicht dat gehecht is aan de verklaring van de bewindvoerder blijkt dat [appellant] tijdens faillissement zijn inkomsten boven het vtlb aan de boedel heeft afgedragen. Deze afdrachtplicht is gebaseerd op het zogeheten faillissements-vtlb dat kan afwijken van het vtlb dat geldt in de schuldsaneringsregeling. Uit de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 24 april 2026 volgt dat bij de beoordeling van een mogelijk eerder aanvangsmoment van de termijn van de schuldsaneringsregeling, voor de vraag of is voldaan aan de afdrachtplicht moet worden uitgegaan van het faillissements-vtlb. Subsidiair moet worden uitgegaan van het vtlb dat geldt in de schuldsaneringsregeling, dat lager ligt dan het in faillissement vastgestelde vtlb. Als dat betekent dat [appellant] tijdens faillissement niet maximaal heeft afgelost dan kan hiermee bij het bepalen van het aanvangsmoment van de schuldsaneringsregeling rekening worden gehouden door zogeheten saldering toe te passen (HR 20 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1913).
Verder staat vast dat [appellant] tijdens zijn faillissement gedurende zes maanden niet heeft voldaan aan de inspanningsplicht. Ook hiermee kan bij het bepalen van het aanvangsmoment van de schuldsaneringsregeling rekening worden gehouden door saldering toe te passen.
[appellant] heeft in zijn akte drie scenario’s uitgewerkt, namelijk een scenario dat alleen gesaldeerd wordt voor het niet voldoen aan de inspanningsplicht en twee scenario’s waarin ook gesaldeerd wordt voor het niet voldoen aan de afdrachtplicht (in die twee scenario’s wordt gerekend met twee verschillende vtlb’s). Deze scenario’s leiden ertoe dat – uitgaande van een looptijd van 42 maanden – de schuldsaneringsregeling volgens [appellant] eindigt op
primair19 juli 2026,
subsidiair19 december 2026 en
meer subsidiair19 april 2027.
Voor de bepaling van het aanvangsmoment van de schuldsaneringsregeling is het boedeltekort dat daarin is ontstaan niet van belang, aldus [appellant] .
Het oordeel van het hof
2.8.
Het hof overweegt als volgt.
2.9.
Uit artikel 349a lid 1 Fw volgt dat de schuldsaneringsregeling aanvangt op de dag van de uitspraak tot de toepassing daarvan. Het artikel geeft ook een alternatief aanvangsmoment, kort gezegd de dag waarop de eerste aflossing is gedaan in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling als bedoeld in artikel 285 lid 1 onder Pro f Fw. Uit de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 24 april 2026 blijkt dat het alternatieve aanvangsmoment van art. 349a lid 1 Fw ook gelegen kan zijn op de dag waarop de eerste afdracht is gedaan in het kader van het faillissement van de schuldenaar vóór omzetting in de schuldsaneringsregeling op de voet van art. 15b Fw. Om in aanmerking te komen voor dit alternatieve aanvangsmoment, moet de schuldenaar, voor zover hier van belang, tijdens het faillissement maximaal, op basis van de normen die gelden voor berekening van het vtlb, hebben afgedragen aan de boedel (de afdrachtplicht) en zich hebben ingespannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven (de inspanningsplicht). De schuldenaar zal de rechter gegevens moeten verstrekken om te kunnen vaststellen in hoeverre de door hem gepleegde inspanningen in het faillissement vergelijkbaar zijn met die waartoe hij bij toepassing van de schuldsaneringsregeling gehouden zou zijn, vergezeld van een verklaring of advies van de curator.
2.10.
In deze zaak staat vast dat [appellant] op 3 mei 2022 in staat van faillissement is verklaard en dat dit faillissement op de voet van artikel 15b lid 1 Fw op 19 september 2025 is omgezet in een schuldsaneringsregeling, waardoor [appellant] afgerond 40 maanden in staat van faillissement heeft verkeerd. Evenals [appellant] zal het hof verder met dit afgeronde getal van 40 rekenen. De toelating van [appellant] tot de schuldsaneringsregeling staat in dit hoger beroep niet ter discussie. Beoordeeld moet worden of [appellant] aanspraak kan maken op een alternatief aanvangsmoment van de schuldsaneringsregeling, dat is gelegen vóór de (door de rechtbank als aanvangsdatum gehanteerde) dag van het toelatingsvonnis. [appellant] heeft met de verklaring van de bewindvoerder (die ook curator was in zijn faillissement), de daarbij gevoegde bijlagen en de overige door hem en de bewindvoerder overgelegde stukken en de ter zitting verstrekte inlichtingen het hof voldoende gegevens verstrekt om te kunnen vaststellen of een alternatieve aanvangsdatum in deze zaak kan worden bepaald en zo ja, op welke dag die aanvangsdatum is gelegen.
2.11.
Voor de vraag of [appellant] tijdens faillissement heeft voldaan aan de afdrachtplicht, moet worden onderzocht of hij tijdens faillissement
maximaalheeft afgelost op basis van de normen die gelden voor de berekening van het vtlb. [appellant] betoogt dat hierbij moet worden uitgegaan van de vtlb’s die tijdens faillissement aan hem zijn verstrekt. Het hof volgt hem hierin niet. De reden daarvoor is de volgende. De vtlb’s die tijdens faillissement zijn opgemaakt, houden rekening met een zeer hoge maandelijkse huur, aanvankelijk € 3.625 later € 2.894. Voor de vraag of tijdens faillissement maximaal, op basis van de normen die gelden voor berekening van het vtlb, is afgedragen aan de boedel, zal moeten worden uitgegaan van een vtlb dat passend is. Dat zijn de genoemde vtlb’s niet, zoals ter zitting van 2 juli 2026 aan mr. Huizenga is voorgehouden. Tijdens die zitting is verder aan mr. Huizenga voorgehouden dat het vtlb van € 2.309, dat met goedkeuring van de rechter-commissaris in de schuldsaneringsregeling is vastgesteld voor de periode februari 2026 tot en met juni 2026, wél tot uitgangspunt kan worden genomen. In dit vtlb wordt uitgegaan van de voor [appellant] geldende gezinssituatie, van genormaliseerde woonlasten en wordt rekening gehouden met het inkomen van de echtgenote van [appellant] . [appellant] heeft in zijn akte onderkend dat indien gerekend wordt met een ander (lager) vtlb dan de faillissement-vtlb’s, hij niet volledig heeft voldaan aan zijn afdrachtplicht. [appellant] heeft aangevoerd dat hiermee bij het bepalen van het aanvangsmoment van de schuldsaneringsregeling rekening kan worden gehouden door zogeheten saldering toe te passen. Dat onderschrijft het hof. Uit HR 20 december 2024 blijkt dat de rechter bij toepassing van het alternatieve aanvangsmoment van de schuldsaneringsregeling de omstandigheid in aanmerking kan nemen dat de schuldenaar niet volledig heeft voldaan aan zijn afdracht- en/of inspanningsplicht. De rechter kan in een dergelijk geval saldering toepassen dan wel op andere wijze bepalen hoeveel eerder de termijn van de schuldsaneringsregeling kan ingaan. Het hof bespreekt hierna in rov. 2.15 waar dit toe leidt.
2.12.
Aan de hand van de door [appellant] verstrekte gegevens, kan de aanvangsdatum van de voor hem uitgesproken schuldsaneringsregeling als volgt worden vastgesteld.
Eerste afdracht
2.13.
De datum van de eerste feitelijke aflossing was, volgens de opgave van de bewindvoerder, 29 juli 2022. [appellant] heeft op die datum in totaal drie betalingen gedaan, die zien op de maanden mei, juni en juli 2022, zo kan ook worden afgeleid uit het door hem overgelegde rekeningafschrift. Hieruit valt af te leiden dat [appellant] gedurende de eerste drie maanden van zijn faillissement heeft gespaard om ook voor die maanden te kunnen voldoen aan de afdrachtplicht. In de hiervoor in rov. 2.7 genoemde prejudiciële beslissing van 20 december 2024 heeft de Hoge Raad onder meer beslist dat bij de toepassing van artikel 349a Fw sparen tijdens het minnelijke traject van de schuldhulpverlening een vorm van eerste aflossing kan zijn. Naar het oordeel van het hof is deze regel ook toepasbaar in de situatie die hier aan de orde is, namelijk dat is gespaard tijdens faillissement voor de eerste drie maanden, dus vanaf datum faillissement. Het hof ziet daarin aanleiding de datum van faillissement (3 mei 2022) als datum van de eerste afdracht aan te houden.
Inspanningsplicht
2.14.
De bewindvoerder heeft verklaard dat [appellant] tijdens zijn faillissement gedurende zes maanden niet heeft voldaan aan zijn inspanningsplicht, wat [appellant] heeft bevestigd. Dat betekent dat de ingangsdatum met zes maanden moet worden gecorrigeerd. De bewindvoerder heeft verklaard dat [appellant] gedurende de overige periode van zijn faillissement wel aan de inspanningsplicht heeft voldaan. Het hof heeft geen reden te twijfelen aan de verklaring van de bewindvoerder en zal derhalve daarvan uitgaan. Het hof volgt daarbij het standpunt van [appellant] en de bewindvoerder dat [appellant] in de vier maanden dat hij wel heeft gewerkt, maar door financiële problemen bij zijn opdrachtgever geen betaling voor zijn arbeid heeft ontvangen, wel heeft voldaan aan de inspanningsplicht.
Afdrachtplicht
2.15.
Uit de gegevens die de bewindvoerder heeft overgelegd, blijkt dat [appellant] tijdens faillissement een bedrag van € 55.575 heeft afgedragen aan de boedel. De bewindvoerder heeft ook gegevens verschaft over het (netto-)inkomen van [appellant] tijdens faillissement. [appellant] heeft gedurende veertien maanden aanspraak gehad op een inkomen van € 5.850 per maand. Vanwege het faillissement van zijn opdrachtgever heeft [appellant] gedurende vier maanden dit inkomen niet daadwerkelijk ontvangen. Omdat niet gebleken is dat [appellant] op dit punt een verwijt valt te maken, zal voor die periode van vier maanden de afdrachtplicht op nul worden gesteld. Uit de gegevens van de bewindvoerder blijkt verder dat [appellant] gedurende twintig maanden een inkomen heeft genoten van € 4.430 per maand. Hij heeft, zoals hiervoor overwogen, gedurende zes maanden niet gewerkt en geen inkomen genoten. Met die zes maanden is al rekening gehouden bij de correctie die moet plaatsvinden vanwege het niet voldoen aan de inspanningsplicht, en die telt het hof hier daarom niet nogmaals mee. Hiervoor is verder overwogen dat bij het vaststellen van de afdrachtplicht uitgegaan moet worden van een vtlb van € 2.309. Dat leidt tot het volgende bedrag dat [appellant] tijdens faillissement had moeten aflossen:
10 x (€ 5.850 -/- € 2.309) = € 35.410
4 x (€ 0) € 0
20 x (€ 4.430 -/- € 2.309) =
€ 42.420
Totaal: € 77.830
Vervolgens moet worden bepaald om hoeveel maanden het bij [appellant] gaat dat per saldo niet is voldaan aan de afdrachtplicht. [appellant] had in de relevante faillissementsperiode 30 maanden inkomsten waarmee hij daadwerkelijk aan de boedel kon afdragen. Dat is gemiddeld (€ 77.830/30 maanden =) € 2.594 per maand. [appellant] heeft € 55.575 afgedragen, waardoor een bedrag van (€ 77.830 -/- 55.575 =) € 22.255 te weinig is afgedragen. Dat staat gelijk aan een periode van (afgerond) 9 maanden (€ 22.255/€ 2.594). Omdat [appellant] per saldo gedurende negen maanden tijdens faillissement niet heeft voldaan aan de afdrachtplicht, moet de aanvangsdatum met die periode worden gecorrigeerd.
Aanvangsdatum
2.16.
De overwegingen van het hof hiervoor leiden tot het volgende. De datum van de eerste afdracht is 3 mei 2022. Deze datum kan echter niet als daadwerkelijke ingangsdatum worden genomen omdat deze moet worden gecorrigeerd met (6 + 9 =) vijftien maanden doordat [appellant] tijdens faillissement niet volledig heeft voldaan aan de inspannings- en afdrachtplicht, zoals hiervoor onder 2.14 en 2.15 is toegelicht. Het hof stelt de aanvangsdatum van de schuldsaneringsregeling van [appellant] daarom op 3 augustus 2023. Omdat de klachten van [appellant] tegen de beslissing van de rechtbank om de reguliere termijn van de schuldsaneringsregeling van anderhalf jaar met twee jaar te verlengen tot drieënhalf jaar niet slagen, eindigt de schuldsaneringsregeling van [appellant] dus in beginsel op 3 februari 2027 (in plaats van 19 maart 2029).
2.17.
De omstandigheid dat [appellant] een boedelachterstand heeft opgelopen na de omzetting van het faillissement in de schuldsaneringsregeling is naar het oordeel van het hof in deze zaak voor het bepalen van de aanvangsdatum van de schuldsaneringsregeling niet van belang. Deze achterstand kan aan de orde komen tijdens de beëindigingszitting als bedoeld in artikel 352 lid 1 Fw Pro.
Slotsom
2.18.
De slotsom luidt dat het hoger beroep gedeeltelijk succes heeft. Het hof zal beslissen zoals hierna is vermeld.

3.Beslissing

Het hof:
3.1.
vernietigt het bestreden vonnis maar uitsluitend voor zover daarbij het verzoek strekkende tot het bepalen van een eerdere ingangsdatum van de schuldsaneringsregeling is afgewezen, en doet in zoverre opnieuw recht:
3.2.
stelt de aanvangsdatum van de termijn van de schuldsaneringsregeling op 3 augustus 2023;
3.3.
bekrachtigt het bestreden vonnis voor het overige;
3.4.
verwijst de zaak naar de rechtbank Amsterdam ter verdere uitvoering van de schuldsaneringsregeling,
3.5.
wijst af het meer of anders verzochte.
Dit arrest is gewezen door mrs. K.A.J. Bisschop, M.L.D. Akkaya en M.M. Korsten-Krijnen en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.
Van dit arrest kan gedurende acht dagen na de dag van de uitspraak beroep in cassatie
worden ingesteld door middel van een verzoekschrift in te dienen ter griffie van de Hoge
Raad.