Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
2.Beoordeling
[appellant] heeft gedurende 40 maanden in staat van faillissement verkeerd, te weten van 3 mei 2022 tot 19 september 2025, de dag waarop zijn faillissement is omgezet in de schuldsaneringsregeling. [appellant] heeft in deze periode van 40 maanden van mei 2022 tot en met december 2022 en van juli 2023 tot en met september 2025 fulltime gewerkt. Hij heeft over de periode september 2022 tot en met december 2022 geen inkomsten ontvangen. Dit is veroorzaakt door financiële problemen bij zijn opdrachtgever, die uiteindelijk failliet is gegaan. Dit staat er niet aan in de weg dat [appellant] ook tijdens deze periode heeft voldaan aan zijn inspanningsplicht. [appellant] heeft in de periode januari 2023 tot en met juni 2023 geen werk gehad. Uit dit alles volgt dat [appellant] tijdens zijn faillissement gedurende 34 van de 40 maanden heeft voldaan aan zijn inspanningsplicht. Na zijn toelating tot de schuldsaneringsregeling is [appellant] fulltime blijven werken en voldoet hij ook in deze fase aan zijn inspanningsplicht.
primair19 januari 2023,
subsidiair19 juni 2023 en
meer subsidiair19 oktober 2023.
Primair geldt dat [appellant] heeft voldaan aan zijn afdrachtplicht gedurende faillissement. Uit het overzicht dat gehecht is aan de verklaring van de bewindvoerder blijkt dat [appellant] tijdens faillissement zijn inkomsten boven het vtlb aan de boedel heeft afgedragen. Deze afdrachtplicht is gebaseerd op het zogeheten faillissements-vtlb dat kan afwijken van het vtlb dat geldt in de schuldsaneringsregeling. Uit de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 24 april 2026 volgt dat bij de beoordeling van een mogelijk eerder aanvangsmoment van de termijn van de schuldsaneringsregeling, voor de vraag of is voldaan aan de afdrachtplicht moet worden uitgegaan van het faillissements-vtlb. Subsidiair moet worden uitgegaan van het vtlb dat geldt in de schuldsaneringsregeling, dat lager ligt dan het in faillissement vastgestelde vtlb. Als dat betekent dat [appellant] tijdens faillissement niet maximaal heeft afgelost dan kan hiermee bij het bepalen van het aanvangsmoment van de schuldsaneringsregeling rekening worden gehouden door zogeheten saldering toe te passen (HR 20 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1913).
Verder staat vast dat [appellant] tijdens zijn faillissement gedurende zes maanden niet heeft voldaan aan de inspanningsplicht. Ook hiermee kan bij het bepalen van het aanvangsmoment van de schuldsaneringsregeling rekening worden gehouden door saldering toe te passen.
[appellant] heeft in zijn akte drie scenario’s uitgewerkt, namelijk een scenario dat alleen gesaldeerd wordt voor het niet voldoen aan de inspanningsplicht en twee scenario’s waarin ook gesaldeerd wordt voor het niet voldoen aan de afdrachtplicht (in die twee scenario’s wordt gerekend met twee verschillende vtlb’s). Deze scenario’s leiden ertoe dat – uitgaande van een looptijd van 42 maanden – de schuldsaneringsregeling volgens [appellant] eindigt op
primair19 juli 2026,
subsidiair19 december 2026 en
meer subsidiair19 april 2027.
Voor de bepaling van het aanvangsmoment van de schuldsaneringsregeling is het boedeltekort dat daarin is ontstaan niet van belang, aldus [appellant] .
maximaalheeft afgelost op basis van de normen die gelden voor de berekening van het vtlb. [appellant] betoogt dat hierbij moet worden uitgegaan van de vtlb’s die tijdens faillissement aan hem zijn verstrekt. Het hof volgt hem hierin niet. De reden daarvoor is de volgende. De vtlb’s die tijdens faillissement zijn opgemaakt, houden rekening met een zeer hoge maandelijkse huur, aanvankelijk € 3.625 later € 2.894. Voor de vraag of tijdens faillissement maximaal, op basis van de normen die gelden voor berekening van het vtlb, is afgedragen aan de boedel, zal moeten worden uitgegaan van een vtlb dat passend is. Dat zijn de genoemde vtlb’s niet, zoals ter zitting van 2 juli 2026 aan mr. Huizenga is voorgehouden. Tijdens die zitting is verder aan mr. Huizenga voorgehouden dat het vtlb van € 2.309, dat met goedkeuring van de rechter-commissaris in de schuldsaneringsregeling is vastgesteld voor de periode februari 2026 tot en met juni 2026, wél tot uitgangspunt kan worden genomen. In dit vtlb wordt uitgegaan van de voor [appellant] geldende gezinssituatie, van genormaliseerde woonlasten en wordt rekening gehouden met het inkomen van de echtgenote van [appellant] . [appellant] heeft in zijn akte onderkend dat indien gerekend wordt met een ander (lager) vtlb dan de faillissement-vtlb’s, hij niet volledig heeft voldaan aan zijn afdrachtplicht. [appellant] heeft aangevoerd dat hiermee bij het bepalen van het aanvangsmoment van de schuldsaneringsregeling rekening kan worden gehouden door zogeheten saldering toe te passen. Dat onderschrijft het hof. Uit HR 20 december 2024 blijkt dat de rechter bij toepassing van het alternatieve aanvangsmoment van de schuldsaneringsregeling de omstandigheid in aanmerking kan nemen dat de schuldenaar niet volledig heeft voldaan aan zijn afdracht- en/of inspanningsplicht. De rechter kan in een dergelijk geval saldering toepassen dan wel op andere wijze bepalen hoeveel eerder de termijn van de schuldsaneringsregeling kan ingaan. Het hof bespreekt hierna in rov. 2.15 waar dit toe leidt.
€ 42.420