Uitspraak
[appellant],
[geïntimeerde],
1.Het geding in eerste aanleg
29 augustus en 7 november 2012 van de rechtbank Assen, sector kanton, locatie Emmen (hierna: de kantonrechter).
2.Het geding in hoger beroep
- de memorie van grieven, tevens vermeerdering van eis (met producties),
- de akte tot referte,
(…) te bekrachtigen het vonnis van 7 november 2014 door de Rechtbank Assen, sector kanton, locatie Emmen, tussen partijen gewezen onder zaaknummer 317844 CV EXPL 11-3134 waar het betreft de betreft de beslissing van de kantonrechter:
Verklaart voor recht dat [geïntimeerde] niet gerechtigd is geweest de afkoopwaarde van polis-nummer [nummer 1] onbenut te laten, althans niet aan te wenden ten behoeve van de pensioenaanspraken van [appellant], en dat [geïntimeerde] door aldus te handelen schadeplichtig is geworden jegens [appellant].
Verklaart dit vonnis in zoverre uitvoerbaar bij voorraad.
(…) te vernietigen de vonnissen d.d. 29 augustus 2012 en 7 november 2012 door de Rechtbank Assen, sector kanton, locatie Emmen, tussen partijen gewezen onder zaaknummer 317844 CV EXPL 11-3134, waar het betreft de overige beslissingen en opnieuw rechts doende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Geïntimeerde te veroordelen, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, ter nakoming van de pensioenregeling zoals vastgesteld in de pensioenreglementen van Aegon tot betaling aan een door appellant aan te wijzen pensioenuitvoerder van een koopsom, welke 1 februari 2013 recht geeft op een ouderdomspensioen van € 12.625,00 per jaar en een partnerpensioen van € 8.838,00 per jaar, althans geïntimeerde te veroordelen tot betaling aan appellant van een bedrag door U Edelachtbare in goede justitie te bepalen, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,- voor iedere dag die geïntimeerde na betekening van het in deze te wijzen arrest in gebreke blijft;
Geïntimeerde te veroordelen, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, ter dekking van het pensioengat dat beoogd werd te worden gedekt door polisnr. [nummer 1], tot betaling aan een door appellant aan te wijzen pensioenuitvoerder van een koopsom, welke vanaf 1 februari 2013 recht geeft op een ouderdomspensioen van € 21.008,00 per jaar en een partnerpensioen van € 14.706,00 per jaar, althans geïntimeerde te veroordelen tot betaling aan appellant van een bedrag door U edelachtbare in goede justitie te bepalen, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 voor iedere dag die geïntimeerde na betekening van het in deze te wijzen arrest in gebreke blijft, althans geïntimeerde te veroordelen tot betaling aan appellant van een bedrag door U edelachtbare in goede justitie te bepalen;
Het voldoen van de buitengerechtelijke incassokosten en de kosten van de procedure, daaronder begrepen het salaris van de gemachtigde.
geïntimeerde te veroordelen, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, ter nakoming van de pensioenregeling zoals vastgelegd in de pensioenreglement van Aegon tot betaling aan een door appellant aan te wijzen pensioenuitvoerder van een koopsom, welke van 1 februari 2013 recht geeft op ene ouderdomspensioen van € 12.625,00 per jaar en een partnerpensioen van
Geïntimeerde te veroordelen, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, ter dekking van het pensioengat dat beoogd werd te worden gedekt door polisnr. [nummer 1], tot betaling aan een door appellant aan te wijzen pensioenuitvoerder van een koopsom, welke vanaf 1 februari 2013 recht geeft op een ouderdomspensioen van € 17.784,00 per jaar en een partnerpensioen van € 12.449,00 per jaar, althans geïntimeerde te veroordelen tot betaling aan appellant van een bedrag door U Edelachtbare in goede justitie te bepalen, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van 250,00 voor iedere dag die geïntimeerde na betekening van het in deze te wijzen arrest in gebreke blijft, althans geïntimeerde te veroordelen tot betaling aan appellant van een bedrag door U Edelachtbare in goede justitie te bepalen;
Het voldoen van de buitengerechtelijke incassokosten en de kosten van de procedure, daaronder begrepen het salaris van de gemachtigde.
Geïntimeerde te veroordelen, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, teneinde de onrechtmatige resp. onbevoegde maximering van het pensioengevend salaris ongedaan te maken, tot betaling aan een door appellant aan te wijzen pensioenuitvoerder van een koopsom, welke van 1 februari 2013 recht geeft op een ouderdomspensioen van € 4.634,00 per jaar en een partnerpensioen van
Geïntimeerde te veroordelen, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, ter dekking van het pensioengat dat beoogd werd te worden gedekt door polisnr.
Het voldoen van de buitengerechtelijke incassokosten en de kosten van de procedure, daaronder begrepen het salaris van de gemachtigde.
Geïntimeerde te veroordelen, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, teneinde de onrechtmatig resp. onbevoegde maximering van het pensioengevend salaris ongedaan te maken, tot betaling aan een door appellant aan te wijzen pensioenuitvoerder van een koopsom, welke van 1 februari 2013 recht geeft op een ouderdomspensioen van € 4.634,00 per jaar en een partnerpensioen van € 3.244,00 per jaar, althans geïntimeerde te veroordelen tot betaling aan appellant van een bedrag door U Edelachtbare in goede justitie te bepalen, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 voor iedere dag die geïntimeerde na betekening van het in deze te wijzen arrest in gebreke blijft;
geïntimeerde te veroordelen, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, ter dekking van het pensioengat dat beoogd werd te worden gedekt door polisnr. [nummer 1], tot betaling aan een door appellant aan te wijzen pensioenuitvoerder van een koopsom, welke vanaf 1 februari 2013 recht geeft op een ouderdomspensioen van € 17.784,00 per jaar en een partnerpensioen van € 12.449,00 per jaar, althans geïntimeerde te veroordelen tot betaling aan appellant van een bedrag door U Edelachtbare in goede justitie te bepalen, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 voor iedere dag die geïntimeerde te veroordelen tot betaling aan appellant van een bedrag door U Edelachtbare in goede justitie te bepalen;
Het voldoen van de buitengerechtelijke incassokosten en de kosten van de procedure, daaronder begrepen het salaris van de gemachtigde.
Geïntimeerde te veroordelen, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, ter nakoming van de pensioenregeling zoals vastgesteld in de pensioenreglementen van Aegon tot betaling aan een door appellant aan te wijzen pensioenuitvoerder van een koopsom, welke van 1 februari 2013 recht geeft op een ouderdomspensioen van € 12.625,00 per jaar en een partnerpensioen van € 8.838,00 per jaar, althans geïntimeerde te veroordelen tot betaling aan appellant van een bedrag door U Edelachtbare in goede justitie te bepalen, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 voor iedere dag die geïntimeerde na betekening van het in deze te wijzen arrest in gebreke blijft;
Geïntimeerde te veroordelen, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, ter dekking van het pensioengat dat beoogd werd te worden gedekt door polisnr. [nummer 1], tot betaling aan een door appellant aan te wijzen pensioenuitvoerder van een koopsom, welke vanaf 1 februari 2013 recht geeft op een ouderdomspensioen van € 5.201,00 per jaar en een partnerpensioen van € 3.641,00 per jaar, althans geïntimeerde te veroordelen tot betaling aan appellant van een bedrag door U Edelachtbare in goede justitie te bepalen, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 voor iedere dag die geïntimeerde na betekening van het in deze te wijzen arrest in gebreke blijft, althans geïntimeerde te veroordelen tot betaling aan appellant van een bedrag door U Edelachtbare in goede justitie te bepalen;
Het voldoen van de buitengerechtelijke incassokosten en de kosten van de procedure, daaronder begrepen het salaris van de gemachtigde.
Geïntimeerde te veroordelen, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, teneinde de onrechtmatig resp. onbevoegde maximering van het pensioengevend salaris ongedaan te maken, tot betaling aan een door appellant aan te wijzen pensioenuitvoerder van een koopsom, welke van 1 februari 2013 recht geeft op een ouderdomspensioen van € 4.634,00 per jaar en een partnerpensioen van € 3.244,00 per jaar, althans geïntimeerde te veroordelen tot betaling aan appellant van een bedrag door U Edelachtbare in goede justitie te bepalen, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 voor iedere dag die geïntimeerde na betekening van het in deze wijzen arrest in gebreke blijft;
Geïntimeerde te veroordelen, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, ter dekking van het pensioengat dat beoogd werd te worden gedekt door polisnr. [nummer 1], tot betaling aan een door appellant aan te wijzen pensioenuitvoerder van een koopsom, welke vanaf 1 februari 2013 recht geeft op een ouderdomspensioen van € 5.201,00 per jaar en een partnerpensioen van € 3.641,00 per jaar, althans geïntimeerde te veroordelen tot betaling aan appellant van een bedrag door U Edelachtbare in goede justitie te bepalen, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 voor iedere dag die geïntimeerde na betekening van het in deze te wijzen arrest in gebreke blijft, althans geïntimeerde te veroordelen tot betaling aan appellant van een bedrag door U Edelachtbare in goede justitie te bepalen;
Het voldoen van de buitengerechtelijke incassokosten en de kosten van de procedure, daaronder begrepen het salaris van de gemachtigde."
In principaal appèl:
3.Beoordeling van het geschilwijziging van eis
vaststaande feiten
29 augustus 2012 de feiten vastgesteld. Tegen deze vaststelling zijn geen als zodanig aangeduide grieven gericht. In het algemene deel van zijn memorie van grieven heeft [appellant] een uitvoerige weergave van de feiten gegeven. Deze weergave wijkt op onderdelen af van de door de rechtbank vastgestelde feiten. In zoverre is sprake van een verholen grief tegen de feitenvaststelling door de rechtbank. Het hof ziet hierin aanleiding zelf de feiten vast te stellen.
1 januari 1991 in loondienst bij RVS en bouwde hij pensioen op via Nationale Nederlanden/ Pensioenfonds ING.
"per datum indiensttreding opname in de premievrije pensioenregeling;"
In een post scriptum in deze brief is het volgende vermeld:
"M.b.t. de eventuele pensioenbreuk zij opgemerkt dat onze adviseur in dezen aan een oplossing werkt en in overleg is getreden (het hof leest: met) assuradeuren. Indien voornoemde arbeidsvoorwaarden Uwerzijds accoord (met name het aanvangssalaris) zijn zult U hieromtrent z.s.m. nader worden geïnformeerd."
“
Artikel 16. Wijziging van de pensioenaanspraken1. De werkgever kan de betaling van zijn bijdragen verminderen of beëindigen indien
bedrijfsbelang dit noodzakelijk maakt als gevolg van een ingrijpende wijziging van
omstandigheden.
2. Indien sociale wetten of verplicht gestelde pensioenvoorzieningen worden ingevoerd
of gewijzigd, kan de werkgever, indien hij dat noodzakelijk of gewenst acht, de in de dit
pensioenreglement vastgelegde pensioenregeling aan de gewijzigde omstandigheden
aanpassen.
3. Indien de werkgever van de in lid 1 dan wel lid 2 genoemde bevoegdheden gebruik wenst
te maken, stelt hij de deelnemers en de verzekeraar hiervan onverwijld schriftelijk in kennis.
Bij gebruikmaking daarvan zullen de op grond van reeds betaalde jaarlijkse
stortingskoopsommen verworven aanspraken op pensioen niet worden aangetast.”
"Voor dit excedent ouderdomspensioen, met bijbehorend weduwen- en wezenpensioen, is een premie vastgesteld ter grootte van f. 4.570,-. Deze premie wordt uitgedrukt in een percentage van het salaris. Deze premie wordt door de werkgever voldaan."
fl. 5.840,- per jaar.
"Ondergetekende verklaart per 01 juli 1999 de pensioenverzekering bij Aegon Levensverzekeringen NV te willen beëindigen en ontvangt graag z.s.m. doch uiterlijk binnen 4 weken na dagtekening van dit schrijven een schriftelijke opgave van de afkoopwaarde per 01 juli 1999.
Ik verzoek u de opgave rechtstreeks naar mijn werkgever, [geïntimeerde], toe te sturen."
De verklaring heeft betrekking op de polisnummers [nummer 1] en [nummer 2].
fl. 43.734,92 (polisnummer [nummer 2]) aan AMEV overgemaakt, nadat [appellant] op
15 oktober 1999 twee verklaringen had ondertekend waarin hij zich akkoord verklaarde met betaling van de zgn. overdrachtswaarde van de beide verzekeringen door Aegon aan AMEV
“alwaar de huidige werkgever [geïntimeerde] de pensioentoezegging heeft veilig gesteld.”
“De hieronder aangegeven werknemers gaan akkoord met de reserve waardeoverdracht van hun pensioenaanspraken, opgebouwd bij hun vorige werkgever, naar AMEV Levensverzekering N.V.:
De vereiste verklaringen treft u hierbij aan.
Naam werknemer: Polisnr AEGON: Polisnr AMEV: Overdrachtswaarde:
(…) (…) (…) (…)
[appellant] [nummer 2] [1] f 42.890,00
[appellant] [nummer 1] [1] f 34.502,00
(…) (…) (…) (…)”
“Begin dit jaar is de pensioenregeling van de [geïntimeerde] Groep getoetst aan de wet fiscale behandeling van pensioenen en het fiscaal besluit betreffende beschikbare premiestaffels van 28 april 2003. Alle pensioenregelingen in Nederland dienen uiterlijk per 1 juni 2004 te voldoen aan de huidige fiscale wet- en regelgeving.
(…)
Uit de inventarisatie en toetsing van onze pensioenregeling is gebleken dat aanpassing ten gevolge van bovenstaande nieuwe wet- en regelgeving absoluut noodzakelijk is. Voldoet de pensioenregeling namelijk niet aan de fiscale eisen, dan kan de fiscus de pensioenaanspraken van werknemers tot het belastbaar loon rekenen. Dat willen wij en u natuurlijk voorkomen. Daarom hebben wij moeten besluiten om onze pensioenregeling met ingang van 1 januari 2004 te wijzigen.
1. Tot op heden werden er voor het ouderdomspensioen twee verschillende beschikbare
premiestaffels gehanteerd (…). Deze twee staffels worden vervangen door één nieuwe staffel
(…) die voor alle deelnemers zal gelden.
2. Ingevoerd wordt een maximum pensioengevend salaris van € 67.500,--.
3. De pensioenpolissen worden zo spoedig mogelijk aangepast waarbij de mutatiedatum wordt
gesteld op 1 januari 2004. (…)
Voor werknemers die ten gevolge van de nieuwe regeling er op achteruit gaan, wordt een aanvullende storting gedaan, betrekking hebbend op de periode 1-1-2004 tot 1-6-2004, gebaseerd op de voor hen geldende pensioenberekening zoals die gold tot 1 januari 2004. Vanaf 1 juni 2004 zal ook voor deze werknemers de nieuwe pensioenregeling onverkort van kracht zijn. (…)”
“Voor wat betreft de pensioenvoorziening merkte de heer [Y] (van ProRisk – toevoeging hof) nog op dat er een maximum pensioengevend salaris en een middenloonregeling was ingevoerd. De heer [Y] heeft mij, na mijn telefoongesprek op 28 december 2004, een kopie van deze brief van 9 juni 2004 toegefaxt. Deze brief had ik nimmer ontvangen.
Met betrekking tot de pensioenvoorziening die ik bij de Nationale Nederlanden had heb ik van een ex-collega van NN begrepen dat bestaande rechten aldaar in stand zijn gebleven en dat voor nieuwe werknemers een middelloonregeling geldt, indien gewenst ben ik graag bereid bij deze pensioenproblematiek aan de Nationale Nederlanden voor te leggen en o.a. op te vragen welke rechten ik aldaar zou hebben gehad op basis van de huidige actuele situatie.”
“Over de veranderingen binnen de pensioenregeling van de [geïntimeerde] Groep B.V. is de heer [appellant] geïnformeerd op 8 juni 2004 (…)
Eveneens maakt de heer [appellant] deel uit van een select gezelschap van de [geïntimeerde] Groep die naast de rechten uit de AMEV semi collectieve pensioenregeling, ook nog rechten geniet uit de oude bestaande regeling met Aegon. Over de opgebouwde rechten van deze regeling wordt de heer [appellant] nader geïnformeerd door ProRisk.”
“Polisnummer [nummer 1] is beëindigd op 31 december 2005 en kan niet geconverteerd worden naar de collectieve pensioenregeling van [geïntimeerde]. Een pensioenbrief met de begrippen “jaarsalaris” en “pensioengevend salaris” hebben wij in het dossier van deze polis niet aangetroffen.”
“(…)Omtrent de pensioenbreuk werd afgesproken dat gezocht zou worden naar een oplossing. Die werd gevonden in het sluiten van een individuele verzekering bij de AEGON onder polisnummer
[nummer 1]. Door mijn adviseur werd ik er op gewezen dat deze verzekering echter werd beëindigd per 31 december 2005. Dat had niet gemogen. (…)
Voor wat betreft het eenzijdig invoeren van een maximum pensioengevend salaris heeft mijn adviseur informatie ingewonnen bij het juridisch pensioenadviesbureau van de AEGON. Dit bureau stelt dat het voor bestaande pensioenen niet is toegestaan. Daarom verdient dit correctie.
Uit bijgaande informatie (per post) blijkt dat bij de overgang van de letselschaderegelaars van de Nationale Nederlanden door CED is overeengekomen dat er een eindloonregeling blijft bestaan. Derhalve zal dat ook hersteld moeten worden. De afspraak was immers dat minimaal dezelfde voorwaarden zouden gelden als die welke golden bij de Nationale Nederlanden.
Bijgaand zend ik je een overzicht hoe de pensioenopbouw zou hebben moeten zijn, en zoals die nu is. Ik zal het overzicht ook nog mailen omdat onderdelen daarvan niet volledig leesbaar zijn. Uit het overzicht blijkt dat er een pensioentekort is van € 6.320,00 per jaar. Dat kan worden opgevangen door:
(…)
Graag zou ik je willen vragen het daartoe te leiden dat er een oplossing komt voor voornoemde problematiek.”
29 maart 2009 aan [geïntimeerde] of de nieuwe tussenpersoon van [geïntimeerde], [tussenpersoon], om een reactie op zijn memo van 9 maart 2008 heeft gevraagd, vond op 5 mei 2009 een gesprek plaats tussen [appellant] en mevrouw [A] van [geïntimeerde]. Naar aanleiding daarvan heeft [appellant] [tussenpersoon] gevraagd voor 31 mei 2009 een oplossing te vinden voor zijn pensioenprobleem. In een e-mailbericht van 30 juli 2009 aan mevrouw [A] heeft [appellant] geschreven dat hij nog steeds geen duidelijkheid heeft gekregen. [appellant] stelt voor het pensioenprobleem voor te leggen aan een onafhankelijke deskundige.
€ 6.320,- per jaar. [appellant] heeft die berekeningen naar [geïntimeerde] gestuurd.
procedure in eerste aanleg
€ 271.600,- nodig.
bespreking van de grieven
Allereerst is aangegeven dat indien onverkort uitvoering zou zijn gegeven aan de oorspronkelijke pensioenpolis van Aegon [appellant] op basis van deze polis een ouderdomspensioen van € 32.448,- zou hebben ontvangen, € 12.625,- meer dan hij nu ontvangt. Het kost € 253.409,- om dit tekort (inclusief het tekort aan partnerpensioen) te repareren.
Vervolgens is in het rapport vermeld dat indien polis op [nummer 1] jaarlijks zou zijn bijgestort om het bij iedere salarisverhoging ontstane pensioengat op te vullen, zou op deze polis een ouderdomspensioen van € 21.008,00 zijn opgebouwd. De koopsom voor dit bedrag bedraagt € 417.476,-. Indien de beperking van de opbouw op basis van eindloon toelaatbaar is, luiden deze bedragen respectievelijk € 17.784,- en € 353.406,-. Indien wordt uitgegaan van het pensioengat bij het dienstverband dient voor de dekking van dit pensioengat
( € 5.201,- per jaar) een koopsom van € 103.360,- te worden gestort.
Volgens het rapport is, ten slotte, sprake van een gemis in opbouw van € 4.588,- per jaar vanwege het in 2005 invoeren van het maximaal pensioengevend salaris. Deze schade kan worden gecompenseerd door een storting van €92.093,-. Dit bedrag is al begrepen in de als eerste onderscheiden categorie pensioenschade.
[appellant] heeft op basis van dit rapport bij memorie van eis zijn eis vermeerderd. Ook de laatste wijziging van eis is op dit rapport gebaseerd.
grief 1 in het principaal appelkomt [appellant] op tegen het oordeel van de kantonrechter dat het verjaringsverweer van [geïntimeerde] slaagt voor zover het betrekking heeft op
de in 2004 door [geïntimeerde] aangepaste collectieve regeling. [geïntimeerde] komt met
grief 1 in het incidenteel appelop tegen het oordeel van de kantonrechter dat de vordering van [appellant] betreffende de polis met nummer [nummer 1] niet is verjaard. Nu beide grieven de vraag aan de orde stellen wanneer, en onder welke voorwaarden, eventuele vorderingen van [appellant] uit hoofde van pensioenaanspraken zijn verjaard en de grieven in zoverre met elkaar samenhangen, zal het hof de grieven tezamen behandelen.
onder polisnummer [nummer 1] opgebouwde waarde niet langer zou worden aangewend voor het pensioengat dat was ontstaan door de overstap van [appellant] naar [geïntimeerde], maar voor de reguliere pensioenopbouw van [appellant], de opbouw conform de bij [geïntimeerde] geldende (collectieve) pensioenregeling. In de in rechtsoverweging 3.1.11 aangehaalde akkoordverklaringen wordt geen melding gemaakt van een gewijzigde pensioenregeling, maar is juist uitdrukkelijk is aangegeven dat [geïntimeerde] de aan [appellant] gedane pensioentoezegging bij AMEV “heeft veilig gesteld”. [geïntimeerde], op wie de stelplicht rust ten aanzien van het door haar gedane beroep op verjaring, heeft niet aangevoerd dat toen aan [appellant] is meegedeeld dat geen opbouw meer zou plaatsvinden voor het pensioengat en dat het voor het pensioengat reeds gespaarde bedrag voor een ander doel zou worden aangewend. Anders dan [geïntimeerde] meent, kon [appellant] dat - zeker in het licht van de vermelding op de akkoordverklaringen dat de pensioentoezegging was veilig gesteld - ook niet afleiden uit de polis betreffende de bij AMEV gesloten pensioenverzekering. Uit deze polis volgt slechts dat de aan AMEV door Aegon overgedragen bedragen, waaronder het bedrag betreffende polis [nummer 1] zijn aangewend ten behoeve van een pensioenaanspraak, maar niet dat deze pensioenaanspraak afwijkt van een pensioenaanspraak op grond van een eerdere pensioentoezegging. Het hof wijst er op dat Aegon [appellant] in haar brief van
12 december 2007 (aangehaald in rechtsoverweging 3.1.21) - overigens ten onrechte - heeft meegedeeld dat de polis per 31 december 2005 is beëindigd. Na de ontvangst van deze brief kon [appellant] er rekening mee houden dat er vanaf ultimo 2005 geen pensioenopbouw onder deze polis meer plaatsvond. [appellant] heeft minder dan vijf jaar na deze brief de inleidende dagvaarding doen uitbrengen. Het hof wijst er op dat [geïntimeerde] in de conclusie van antwoord ten aanzien van meergenoemde polis nog heeft betoogd dat deze pas op 31 december 2011 is geëindigd (CvA onder 10). Zij heeft daaraan toegevoegd (CvA onder 11):
“[geïntimeerde] weet tot op heden niet waarom deze polis is beëindigd noch wat daarvan de consequenties zijn geweest. Anders dan [appellant] stelt staat voor haar in het geheel niet vast dat [appellant] geen aanspraak (meer) kan maken op hetgeen onder die polis is opgebouwd.”
Nu het voor [geïntimeerde] zelf in januari 2012, toen zij de conclusie van antwoord nam, nog niet duidelijk was dat [appellant] geen aanspraak kon maken op een pensioenuitkering op grond van polis [nummer 1] en gesteld noch gebleken is dat [geïntimeerde] over minder stukken beschikte dan [appellant] betreffende de pensioenopbouw van [appellant] - nog daargelaten dat zij als werkgeefster diende te beschikken over alle relevante informatie betreffende de nakoming van haar pensioenverplichtingen en deze stukken, minst genomen verwarrend waren - , valt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet in te zien op grond waarvan dat [appellant] al in 1999/2000 duidelijk zou moeten zijn geweest.
“aan het einde van het gesprek heb je aangegeven dat de pensioenregeling jou nu duidelijk is en dat één en ander goed is toegelicht.”
Volgens haar volgt uit dit e-mailbericht dat het haar slechts duidelijk was dat [appellant] onduidelijkheden ervoer over zijn pensioenopbouw, maar niet dat hij meende een vordering op haar te hebben. Het hof volgt [geïntimeerde] niet in dit betoog. Indien [geïntimeerde] in het gesprek van
16 september 2006 al de indruk moet hebben gekregen dat [appellant] slechts wat duidelijkheid wilde over zijn pensioenregeling en dat hij van mening was dat hij de gewenste duidelijkheid ook had ontvangen, moet het memo van 9 maart 2008 haar uit de droom hebben geholpen, als dat al niet was gebeurd door het in rechtsoverweging 3.1.19 aangehaalde e-mailbericht van 10 juli 2007. Het hof laat dan nog buiten beschouwing dat [appellant] de ontvangst van het e-mailbericht van 4 oktober 2006 heeft ontkend en heeft bestreden dat in dat bericht een correcte weergave is gegeven van het gesprek op
De tweede component betreft de bij het aangaan van de overeenkomst gedane toezegging betreffende de pensioenbreuk. Volgens [appellant] zou deze toezegging hebben geleid tot een pensioen (naast het collectieve ouderdomspensioen) van € 21.008,- per jaar (primair), of
€ 17.784,- (subsidiair), dan wel € 5.201,- (meer subsidiair), terwijl hij daadwerkelijk geen pensioen heeft ontvangen; het in polis [nummer 1] opgebouwde kapitaal is immers besteed voor de reguliere pensioenopbouw op basis van het collectieve pensioen. Om alsnog genoemde pensioenbedragen te ontvangen is storting van een koopsom van € 417.476,-, respectievelijk € 353.406,- dan wel € 103.360,- vereist, aldus [appellant].
€ 14.546,-, vormde de grondslag voor de berekening van zijn schade.
[geïntimeerde] stelt verder dat in de berekeningen wordt uitgegaan van een niet gelimiteerde eindloonregeling. Deze stelling berust op een verkeerde lezing van het berekeningsrapport. Uit dat rapport volgt dat de deskundige de pensioenopbouw “
bij onverkorte uitvoering op basis collectieve contract Aegon” heeft berekend op € 32.448,-. De onverkorte uitvoering van de pensioenopbouw op basis van dat contract betekent een opbouw op basis van een gemitigeerde eindloonregeling, niet op basis van een onverkorte eindloonregeling. In het rapport zijn ten aanzien van de berekening van de pensioenopbouw op grond van de individuele regeling drie varianten onderscheiden. In een van die varianten wordt inderdaad uitgegaan van het maximale pensioengevende salaris, in de andere varianten niet.
de grieven 2 tot en met 6 in het principaal appellegt [appellant] het geschil tussen partijen, zoals zich dat na de vermeerdering van eis heeft ontwikkeld, in volle omvang aan het hof voor. Het hof zal de grieven dan ook tezamen behandelen en zal, mede gelet op de devolutieve werking van het appel, daarbij betrekken hetgeen [geïntimeerde] zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, bij haar bespreking van de grieven van [appellant] en in de toelichting op grief 1 in het incidenteel appel, heeft aangevoerd.
€ 32.448,- per jaar, maar € 19.823,- bedraagt (inclusief de opbouw onder polis [nummer 1]). Er dient dan ook van te worden uitgegaan dat [geïntimeerde] haar verplichtingen niet is nagekomen, tenzij de oorspronkelijke pensioenregeling is gewijzigd. Volgens [geïntimeerde] is dat laatste het geval. [geïntimeerde] heeft daartoe, naar het hof haar stellingen begrijpt, aangevoerd dat [appellant] heeft ingestemd met een wijziging van het pensioenreglement toen het pensioen werd ondergebracht van Aegon bij AMEV, dat [appellant] enkele jaren uit dienst is geweest en dat bij zijn herintreding een andere pensioenregeling gold en dat in 2004 met ingang van
1 januari 2005 de pensioengrondslag is gemaximeerd. Het hof zal deze door [geïntimeerde] aangevoerde wijzigingsgronden bespreken.
7:613 BW, dat ook van toepassing is op een wijzigingsbeding in een pensioenreglement (vgl. ook artikel 19 Pensioenwet Pro), kan een werkgever slechts een beroep doen op een schriftelijk beding dat hem de bevoegdheid geeft een arbeidsvoorwaarde te wijzigen indien hij bij de wijziging een zodanig zwaarwichtig belang heeft dat het belang van de werknemer dat door de wijziging zou worden geschaad daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken. Het is aan de werkgever om te stellen, en zo nodig te bewijzen, dat aan deze vereisten is voldaan.
€ 67.500,- bruto per jaar. [appellant] heeft er terecht op gewezen dat [geïntimeerde], indien het haar te doen was om de strijdigheid met de WGBL te beëindigen, beter had kunnen kiezen voor invoering van een eindloonregeling en, indien dat te duur zou zijn, net zo goed voor een maximum pensioengevend salaris dat gelijk was aan het salaris dat [appellant] per
conclusies
4.De beslissing
veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep en begroot deze kosten, voor zover tot op heden aan de zijde van [appellant] gevallen
- voor de procedure in eerste aanleg op € 202,82 aan verschotten en op € 2.450,- voor salaris van de gemachtigde;
- voor de procedure in hoger beroep (in principaal en in incidenteel appel) op € 391,82 aan verschotten en op € 11.420,50 voor geliquideerd salaris van de advocaat;