Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
inspecteurvan de
Belastingdienst/Centrale administratieve processen(hierna: de Inspecteur)
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Vaststaande feiten
Boete
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Belanghebbende werd een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting en een verzuimboete opgelegd wegens het gebruik van een in Frankrijk geregistreerde auto in Nederland. De rechtbank had de aanslag en boete verminderd en de periode van naheffing verkort. Belanghebbende stelde in hoger beroep dat hij zijn hoofdverblijf niet in Nederland had, maar in Frankrijk, en dat de aanslag daarom onterecht was.
Het hof overwoog dat belanghebbende, hoewel ingeschreven in de Nederlandse Basisregistratie Personen, tegenbewijs moest leveren dat zijn hoofdverblijf niet in Nederland was. Het hof vond dat het bewijs van belanghebbende onvoldoende was om dit aannemelijk te maken. Formele aanwijzingen en het feit dat belanghebbende toeslagen ontving en niet terugbetaalde, ondersteunden het oordeel dat zijn hoofdverblijf in Nederland lag.
Verder oordeelde het hof dat het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel niet was geschonden, omdat belanghebbende de mogelijkheid had om te reageren op de vooraankondiging van de aanslag. De naheffingsaanslag en boete waren terecht opgelegd en de vermindering door de rechtbank werd onderschreven. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het gerechtshof verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de vermindering van de naheffingsaanslag en boete door de rechtbank.