Belanghebbende deed BPM-aangifte voor een gebruikte auto uit een andere EU-lidstaat en betaalde € 1.225. De Inspecteur legde een naheffingsaanslag op, maar het bezwaar van belanghebbende werd door de rechtbank onterecht niet-ontvankelijk verklaard. Het Hof oordeelt dat het bezwaar ontvankelijk is en bevestigt een BPM-schuld van € 31.
Belanghebbende vorderde hogere rentevergoeding en vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het Hof stelt dat de rentevergoeding conform de Algemene wet inzake rijksbelastingen moet worden berekend en wijst een immateriële schadevergoeding toe van € 2.500, verdeeld tussen de Staat en de Inspecteur, vanwege de langdurige procedure en bijzondere omstandigheden.
De proceskostenvergoeding wordt aangepast vanwege de omvangrijke en soortgelijke procedures die door de gemachtigde van belanghebbende zijn gevoerd. Het Hof vernietigt de uitspraken van de rechtbank en formuleert de beslissing opnieuw, waarbij het bezwaar ontvankelijk wordt verklaard, de BPM-schuld wordt bevestigd, immateriële schade wordt toegekend en proceskosten worden vergoed.