Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
6 november 2016
inspecteurvan de
Belastingdienst/Kantoor Arnhem(hierna: de Inspecteur)
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Belanghebbende was werkzaam bij een werkgever en ontving in 2014 nabetalingen over de periode 2009-2013 als rechtsherstel na vernietiging van een ontslagbesluit. De Inspecteur nam deze nabetalingen in 2014 mee als genoten inkomen voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV).
Belanghebbende voerde aan dat de nabetalingen reeds in de periode 2009-2013 genoten moesten worden vanwege de rentedragendheid van de achterstallige salarissen en dat hij mocht vertrouwen op de juiste inhouding van loonheffing door zijn werkgever. Het hof oordeelde dat wettelijke rente niet gelijkstaat aan rentedragend inkomen en dat de Inspecteur niet gebonden is aan de inhoudingen van de werkgever, omdat loonbelasting slechts een voorheffing is.
Daarnaast werd het beroep op het gelijkheidsbeginsel verworpen omdat nabetalingen niet gelijk kunnen worden gesteld aan reguliere maandelijkse salarisbetalingen. Het hof verklaarde het hoger beroep ongegrond en wees erop dat belanghebbende een verzoek tot toepassing van de middelingsregeling kan indienen ter verzachting van het belastingnadeel.
Uitkomst: Het hoger beroep van belanghebbende tegen de aanslag IB/PVV over nabetalingen in 2014 wordt ongegrond verklaard.