ECLI:NL:HR:2013:BY8161
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad oordeelt over aftrekbaarheid periodieke giften en schenkingsrecht in inkomstenbelasting 2003
In deze zaak staat centraal de vraag of periodieke uitkeringen van certificaten en het betaalde schenkingsrecht in 2003 aftrekbaar zijn als giften in de inkomstenbelasting. De erflaatster had in 2001 een recht op periodieke uitkeringen van certificaten aan een stichting geschonken. Na haar overlijden in 2002 hebben de erfgenamen deze verplichtingen uitgevoerd, waarbij de uitkering over 2002 pas in 2003 plaatsvond.
De Rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar het Hof vernietigde deze uitspraak en verklaarde het beroep gegrond. Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris stelden cassatieberoep in. De Hoge Raad oordeelt dat de uitkeringen in 2003 als periodieke giften in de zin van artikel 6.34 Wet IB 2001 moeten worden beschouwd, en dat het schenkingsrecht als andere gift in de zin van artikel 6.35 Wet IB 2001 aftrekbaar is.
Verder stelt de Hoge Raad vast dat de verplichting om in 2002 certificaten over te dragen niet rentedragend is geworden in 2002, zodat de uitkering pas in 2003 aftrekbaar is. De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof voor zover het de aanslag vermindert en vermindert de aanslag tot een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van €236.930. De Staatssecretaris wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De aanslag inkomstenbelasting 2003 wordt verminderd tot een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van €236.930 met aftrek van periodieke giften en schenkingsrecht.