Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.[Appellant 1]
[Appellant 2]
1.[Geïntimeerde 1]
[Geïntimeerde 2]
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze zaak vorderden appellanten betaling van een bedrag van €30.000, vermeerderd met rente, gebaseerd op een schuldverklaring uit 2006. Geïntimeerden voerden verjaring van deze vordering aan. De rechtbank wees de vordering af wegens verjaring en veroordeelde appellanten in de proceskosten.
Appellanten gingen in hoger beroep en stelden dat de verjaringstermijn pas begon bij opeising, vanwege de aard van de overeenkomst en de zakelijke en vriendschappelijke relatie met geïntimeerden. Het hof oordeelde dat de schuldverklaring een overeenkomst tot nakoming na onbepaalde tijd is, maar dat de verjaringstermijn in beginsel direct begint te lopen, tenzij onredelijkheid aannemelijk is gemaakt.
Het hof vond onvoldoende feiten voor toepassing van de uitzondering dat opeising niet binnen afzienbare tijd zou plaatsvinden. De brief van 2016 was te laat om de verjaring te stuiten. Daarom was de vordering verjaard. Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank en veroordeelde appellanten in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en wijst het hoger beroep af wegens verjaring van de vordering.