Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.[appellant 1] ,
[appellant 2]
1.Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
2.De vaststaande feiten
Artikel 3. Duur van de overeenkomst.
Vestiging kwalitatieve verplichtingen ex 6:252 van het Burgerlijk Wetboek
lidte worden en gedurende zijn eigenarenschap (...) lid te zijn en te blijven van de vereniging, genaamd: Vereniging van Eigenaren Buitenplaats de Hildenberg, onder gehoudenheid en nakoming wat al daartoe in de hem bekende statuten (en in de eventueel toekomstige wijzigingen daarvan) is/wordt bepaald.
VERENIGING VAN EIGENAREN
kwalitatieve verplichting ex artikel 6:252 van Pro het Burgerlijk Wetboek:
OVERIGE BIJZONDERE BEPALINGEN
kwalitatieve verplichting ex artikel 6:252 van Pro het Burgerlijk wetboek:
kettingbeding(en), (…)’
DOEL
3.Het geschil en de beslissing in eerste aanleg
4.De motivering van de beslissing in hoger beroep
gepreciseerd”) in die zin dat hij thans vordert te verklaren voor recht dat de overeenkomst van beheer- en verhuur inzake recreatiewoningen Buitenplaats De Hildenberg van 8 april 2004 door opzegging rechtsgeldig is beëindigd per 26 november 2016, zodat de verplichting tot verhuur via De Hildenberg is komen te vervallen, hetgeen derhalve ook geldt voor het aan opvolgende eigenaren op te leggen kettingbeding als omschreven in artikel 22 van Pro deze overeenkomst, zodat De Hildenberg geen nakoming van deze verplichtingen kan vorderen. En te verklaren voor recht dat de tussen partijen gesloten beheer- en verhuurovereenkomst vernietigbaar is wegens dwaling, zodat daarop gestoelde vorderingen tot nakoming als ongegrond en/of onbewezen dienen te worden afgewezen, met veroordeling van De Hildenberg in de proceskosten.
naar verwachting– wat daar verder ook van zij – hoger zal zijn bij een centrale verhuurder. Het hof volgt de rechtbank derhalve niet in haar oordeel dat het de kennelijke partijbedoeling is geweest dat de beheer- en verhuurovereenkomst onopzegbaar zou zijn. Dit is door De Hildenberg onvoldoende onderbouwd en blijkt overigens ook nergens uit.
grief 2slaagt en het vonnis waarvan beroep reeds daarom niet in stand kan blijven. Het hof zal de gevorderde verklaring voor recht toewijzen in die zin dat de overeenkomst van beheer- en verhuur inzake recreatiewoningen Buitenplaats De Hildenberg van 8 april 2004 door opzegging rechtsgeldig is beëindigd per 26 november 2016, zodat de verplichting tot verhuur via De Hildenberg op grond van die overeenkomst is komen te vervallen. Nu de beheer- en verhuurovereenkomst is opgezegd treft dit ook het in artikel 22 van Pro die overeenkomst opgenomen kettingbeding, zodat de verklaring voor recht ook in die zin zal worden toegewezen als hierna in het dictum volgt.
grief 3onder nr. 43. dat [appellanten] de vordering tot verklaring voor recht dat er sprake is van dwaling, subsidiair aan de vordering tot verklaring voor recht dat sprake is van rechtsgeldige opzegging, heeft ingesteld. Het hof begrijpt dat uit de woorden: “Indien en voor zover de Beheer- en Verhuurovereenkomst niet door [appellanten] kan worden opgezegd”. Nu zich die voorwaarde niet voordoet, hoeft niet op de vordering ter zake van dwaling te worden beslist.
grief drie. Voormelde vordering zal, voor het geval die vordering als alternatief ingesteld moet worden begrepen, dus worden afgewezen.
doenen niet om iets te dulden of niet te doen in de zin van lid 1 van voornoemde bepaling. Verplichtingen om iets te doen of te geven zijn van de werking van artikel 6:252 BW Pro uitgesloten.
€ 288,00
€ 313,00