Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
8 januari 2019
[Z](hierna: belanghebbende)
inspecteurvan de
Belastingdienst/Kantoor Leeuwarden(hierna: de Inspecteur)
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Vaststaande feiten
[X] ou Mme [A] .
slechts de combinatie [X] met [A]als rekeninghouder in aanmerking, zoals die onder voornoemd punt 2 staat vermeld.
alle door u genoemde aanslagen en boete beschikkingen in uw brief d.d. 30 september 2004, uw kenmerk 101/16362561, zoals opgenomen in de “Mededeling navorderingsaanslagen en boeten wegens buitenlandse tegoeden”.Hierbij deelde de toenmalige gemachtigde mee dat belanghebbende akkoord ging met het aanhouden van de bezwaren totdat in de zogenoemde NautaDutilh-procedures onherroepelijk uitspraak is gedaan. De Inspecteur heeft bij brief van 16 november 2004 bevestigd dat hij dit bezwaarschrift op 13 oktober 2004 heeft ontvangen. De Inspecteur heeft het bezwaarschrift hierbij aangemerkt als een bezwaar tegen de aanslag in de IB/PVV voor het jaar 2000.
Aan de rechthebbende” en betreffende “
rekening nr. [00000]” bericht de KB-Lux als volgt:
Aan de rechthebbende” en betreffende “
rekening nr. [00000]” het volgende:
3.Geschil
4.Beoordeling van het geschil
[X] met [A]’ slechts eenmaal voorkomt en wel in het geval van belanghebbende en [A] . In zijn op 5 augustus 2013 opgemaakte proces-verbaal (zie 2.27) komt [C] tot een bevestiging van deze conclusie. Voorts heeft de Inspecteur gewezen op de door KB-Lux verstrekte gegevens (zie 2.45).
- Het op naam van een ander openen van een rekening bergt het risico in zich dat de ander zich over het saldo van de op zijn naam staande rekening ontfermt;
- Iemand die anoniem wilde blijven kon, naar de Belastingdienst onbestreden heeft aangevoerd, ook een coderekening openen dan wel zich bedienen van een zogenoemde "facuy-name". Dat iemand de hiervoor vermelde risico’s en het risico van het plegen van identiteitsfraude wilde nemen om geld bij een Luxemburgse bank onder te brengen, is dan ook uiterst onwaarschijnlijk.”.
5.Griffierecht en proceskosten
6.Beslissing
8 januari 2019in het openbaar uitgesproken.