Belanghebbende, een landbouwondernemer, had een fiscale oudedagsreserve (FOR) opgebouwd vóór 2001, maar vermeldde deze vanaf 2002 niet meer in zijn aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV). Vanaf 2003 was sprake van een negatief ondernemingsvermogen en werd ook de zelfstandigenaftrek niet meer geclaimd. In 2014 staakte belanghebbende zijn onderneming en vermeldde wederom de FOR niet in de aangifte.
De inspecteur rekende de FOR tot de winst en legde een navorderingsaanslag op. Belanghebbende voerde aan dat noch hij noch zijn gemachtigde op de hoogte waren van de FOR en dat de foutenleer niet toegepast mocht worden omdat er geen fout was of dat de inspecteur ook schuld had. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna belanghebbende hoger beroep instelde.
Het hof oordeelde dat de FOR als fiscale reserve volgens de Wet IB 2001 vermeld had moeten worden en dat het niet vermelden daarvan een fout is die volledig aan belanghebbende is toe te rekenen. De foutenleer is bedoeld om te voorkomen dat bedrijfswinst onbelast blijft en is hier van toepassing. De navorderingsaanslag is daarom terecht opgelegd. Het hoger beroep is ongegrond verklaard, ook voor de belastingrente. Er is geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskosten.