Belanghebbende is eigenaar van twee woningen die sinds 1904 bestaan en ernstig zijn getroffen door bodem- en grondwaterverontreiniging veroorzaakt door een lekkende ondergrondse tank bij een naastgelegen garagebedrijf. De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarden voor de jaren 2016, 2017 en 2018 vast op respectievelijk €235.000 en €228.000 per woning en legde aanslagen OZB op. Belanghebbende maakte bezwaar en kwam in beroep tegen de waardebeschikkingen, stellende dat de waarden te hoog waren vanwege de bodemverontreiniging en de onverkoopbaarheid van de woningen.
De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond, waarna belanghebbende hoger beroep instelde bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het hof stelde vast dat de heffingsambtenaar onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de waardevaststellingen rekening hielden met de waardedruk door de bodemverontreiniging. Belanghebbende slaagde er evenmin in aannemelijk te maken dat sprake was van een saneringsverplichting of dat de woningen volledig waardeloos waren. Het hof stelde daarom de WOZ-waarden in goede justitie vast op €135.000 en €128.000 voor respectievelijk de woningen aan de [a-straat 1] en [a-straat 2].
Het hof vernietigde de uitspraak van de rechtbank en de uitspraken op bezwaar, verminderde de aanslagen OZB dienovereenkomstig en veroordeelde de heffingsambtenaar in de proceskosten en het griffierecht. De uitspraak werd gedaan op 28 april 2021 door een meervoudige belastingkamer van het gerechtshof.