Uitspraak
[appellante],
de VvE,
1.Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
2.Waar gaat deze zaak over?
3.Het geschil en de beslissing in eerste aanleg
4.Het geschil in hoger beroep
eerste griefkomt [appellante] op tegen het oordeel van de rechtbank dat de omschrijving in artikel 5:112 lid 1 onder Pro e BW betreffende het doel van een vereniging van eigenaars meer omvat dan alleen beheer en behoud van de gemeenschappelijke onroerende zaak, dat deze omschrijving voor een serviceflat mee kan brengen dat het faciliteren van zorgtaken, de exploitatie van een winkel en het faciliteren van recreatie onder de wettelijke doelomschrijving kunnen vallen en dat in dit geval uit de vaststaande feiten volgt dat het vanaf het begin de bedoeling van VvE is geweest als gemeenschappelijk belang de zorgtaken, de exploitatie van een winkel en recreatie te faciliteren. De
tweede griefricht zich tegen het oordeel dat artikel 9 lid 1 onder Pro j in samenhang met artikel 42 lid 3 van Pro het reglement bepaalt dat alle overige schulden en kosten, gemaakt in het belang van de gezamenlijke eigenaars als zodanig gezamenlijk zijn waarbij is verwezen naar het arrest van het hof ’s Hertogenbosch van 5 maart 2019, ECLI:NL:GHSHE: 2019:794. Met de
derde griefklaagt [appellante] over het oordeel dat uit het samenstel van artikel 42 lid 3 en Pro artikel 16 lid 2 van Pro de splitsingsakte in samenhang met het aangepaste huishoudelijk reglement duidelijk en objectief kenbaar is dat de VvE zich ook bezighoudt met de behartiging van algemene belangen, dat het duidelijk is dat belangen van eigenaars van een appartementsrecht in een serviceflat voor senioren kunnen zijn gelegen in (de) aanwezigheid in het gebouw van zorg, van een winkel en van mogelijkheden voor recreatie en dat dit feitelijk kenbaar was, ook voor [appellante] .