Belanghebbende kocht een gebruikte Audi A3 in Duitsland en liet deze registreren in Nederland, waarbij BPM werd betaald op aangifte. De Inspecteur verklaarde het bezwaar ongegrond, waarna belanghebbende beroep instelde bij de rechtbank, dat werd afgewezen. In hoger beroep betwistte belanghebbende onder meer de hoogte van het griffierecht, schending van de hoorplicht, de betaling voorafgaand aan het belastbare feit, en de wijze van afschrijving, waaronder de toepassing van een ex-rental waardering.
Het Hof oordeelde dat het vooraf heffen van griffierechten niet in strijd is met het Unierecht en dat de hoogte van het griffierecht geen onoverkomelijk obstakel vormt. De Inspecteur had voldoende gelegenheid geboden voor een hoorgesprek, zodat de hoorplicht niet was geschonden. De BPM-heffing voorafgaand aan tenaamstelling is toegestaan en niet discriminerend. De afschrijving op basis van ex-rental kon niet worden toegepast omdat niet was gesteld of gebleken dat de auto een verhuurverleden had.
Verder rustte de bewijslast voor vermindering van BPM op belanghebbende, die geen aanvullende gegevens had verstrekt. Andere betwiste punten, zoals de X-Ray koerslijst en interne compensatie, werden verworpen. De redelijke termijn voor de procedure was niet overschreden, zodat geen immateriële schadevergoeding werd toegekend. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.