De Inspecteur stelde dat vier directeur-grootaandeelhouders (dga’s) van belanghebbende B.V. verplicht verzekerd waren voor de werknemersverzekeringen op grond van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. De rechtbank oordeelde anders en stelde dat geen sprake was van een dergelijke dienstbetrekking. Het hof bevestigt dit oordeel na uitgebreid onderzoek van de juridische structuur en de feitelijke uitvoering van de werkzaamheden.
De dga’s waren aandeelhouder en bestuurder van persoonlijke houdstervennootschappen die managementovereenkomsten sloten met belanghebbende en een holding. De dga’s hadden arbeidsovereenkomsten met hun houdstervennootschappen, niet met belanghebbende. Het hof concludeert dat er geen gezagsverhouding en persoonlijke arbeidsovereenkomst tussen belanghebbende en de dga’s bestond, waardoor zij geen werknemers in de zin van de werknemersverzekeringen zijn.
De Inspecteur voerde ook een fiscaalrechtelijke herkwalificatie aan, maar het hof verwierp dit omdat onvoldoende onderbouwing ontbrak. Verder werd het geschil over de proceskostenvergoeding behandeld; het hof beperkte deze vergoeding tot de daadwerkelijk gemaakte kosten en vernietigde het deel van de uitspraak van de rechtbank dat onterecht een hogere vergoeding toekende.
Het hoger beroep van de Inspecteur wordt ongegrond verklaard voor de verzekeringsplicht, maar gegrond voor de proceskostenvergoeding. Het hof veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 810,02 en bevestigt de rest van de uitspraak van de rechtbank.