Uitspraak
: [appellant],
[geïntimeerde],
1.Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
2.De verdere beoordeling
26 november 2012. [de vader] , die blijkens zijn verklaring en die van [appellant] zelf, bij het sluiten van de overeenkomst op 26 november 2012 aanwezig was, verklaart verder dat [geïntimeerde] woordelijk instemde met € 2.500,- per maand aan stallingskosten. [de vader] kan weliswaar niet verklaren dat op dat moment concreet aan [geïntimeerde] is voorgehouden welk bedrag in totaal voor 1 februari 2013 moest worden betaald, maar wel dat [geïntimeerde] het papier waarop de afspraken stonden weergegeven, heeft gezien en gelezen voordat hij de overeenkomst ondertekende. [de vader] heeft onder meer verklaard:
26 november 2012 met [geïntimeerde] heeft doorgenomen en dat dit zowel de stallingskosten betreft alsook de regeling dat als [geïntimeerde] niet op tijd betaalde, hij zijn aanbetaling en de machine kwijt was. Van belang is met betrekking tot de stallingskosten en de periode waarover deze verschuldigd zouden zijn en met betrekking tot de aanbetaling en de aanspraken op de machine, dat [appellant] heeft verklaard dat [geïntimeerde] vóórdat hij tot ondertekening overging de overeenkomst zelf nog heeft gelezen en daarmee akkoord was. [appellant] heeft onder meer verklaard:
28 maart 2018. In het taxatierapport wordt aangegeven dat de installatie circa 3.700 vierkante meter in gebruik neemt voor stalling. Een andere illustratie dat de verklaring van [geïntimeerde] zoals die uit het proces-verbaal blijkt meer vragen oproept dan beantwoordt en daarmee afbreuk doet aan de geloofwaardigheid ervan, vormt de verklaring van [geïntimeerde] dat [appellant] contante betalingen wenste, geen betalingen per bank wilde en dat hij ‘het zwart’ wilde hebben. [appellant] heeft dit gemotiveerd betwist en gesteld, onder verwijzing naar de verklaring van zijn boekhouder [naam4] van HD Administratie B.V., dat de contanten na ontvangst zijn afgestort op de bankrekening van [appellant] en in de boekhouding zijn verwerkt. [geïntimeerde] heeft weliswaar bezwaar gemaakt tegen het inbrengen van deze verklaring bij memorie na enquête door [appellant] , maar [geïntimeerde] heeft inhoudelijk bij zijn memorie na enquête nog op deze productie kunnen reageren en de overlegging is niet in strijd met de instructie die [appellant] voor bewijslevering in het arrest van 3 maart 2020 van het hof heeft gekregen. Dat [geïntimeerde] niet meer inhoudelijk heeft gereageerd komt voor zijn risico. Het hof gaat aan dit bezwaar voorbij.
1 februari 2013 het totale bedrag zou zijn betaald.
26 mei 2008 is ontbonden per 1 februari 2013 en dat voor de vraag naar de gevolgen van deze ontbinding de op 26 november 2012 neergelegde afspraken van belang zijn. [3] Nu [appellant] in de bewijslevering is geslaagd en de overeenkomst van 26 november 2012 niet vernietigbaar is of ongeldig, [4] volgt uit deze overeenkomst dat [appellant] niet gehouden is de aanbetaalde bedragen van in totaal € 138.000,- aan [geïntimeerde] terug te betalen, omdat [geïntimeerde] voor 1 februari 2013 niet aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan. Dit betekent dat weliswaar de door [geïntimeerde] gevorderde verklaring voor recht dat de koopovereenkomst van
26 mei 2008 is ontbonden kan worden toegewezen, maar dat de in eerste aanleg gevorderde terugbetaling van de aanbetaalde som van € 138.000,- moet worden afgewezen. Ook de gevorderde verklaring voor recht dat de overeenkomst van 26 november 2012 is vernietigd kan niet worden toegewezen. Aldus is aan de voorwaarde waarmee [appellant] in eerste aanleg zijn reconventionele vordering heeft ingesteld, niet voldaan. Het gevolg is dat de door [geïntimeerde] gerichte grieven tegen de toegewezen reconventionele vordering in zoverre slagen. Het hof betrekt daarbij dat het hof uit de stellingen en de vordering van [appellant] in hoger beroep afleidt dat in de aanbetaalde som ook de stallingskosten zijn begrepen en dat die kosten niet afzonderlijk worden gevorderd als de vordering van [geïntimeerde] tot terugbetaling van de aanbetaling wordt afgewezen.
26 november 2012 dan wel op enig moment daarvoor is door [appellant] gemotiveerd betwist. Wat hier ook verder van moge zijn, [geïntimeerde] heeft nagelaten gemotiveerd het causaal verband te stellen tussen de gestelde schade en het vermeend niet afgeven van een of meer kwitanties door [appellant] , zodat reeds om die reden deze feitelijke grondslag niet tot toewijzing van de vordering kan leiden. Daarnaast heeft [geïntimeerde] onvoldoende gemotiveerd gesteld waarom het handelen van [appellant] onrechtmatig was door hem het aanbod te doen dat is verwoord in de overeenkomst van 26 november 2012. [geïntimeerde] heeft dat aanbod geaccepteerd en de overeenkomst ondertekend. Zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, valt niet in te zien waarom dit aanbod in de gegeven omstandigheden als onrechtmatig handelen van [appellant] kan worden aangemerkt. Evenmin valt zonder nadere toelichting die ontbreekt, in te zien waarom de aanvaarding van dit aanbod door [geïntimeerde] als onrechtmatig handelen van [appellant] moet worden gekwalificeerd.
1 februari 2013 heeft voldaan (en de machine niet heeft afgehaald), is hij de op
26 november 2012 gemaakte afspraken niet nagekomen en is de koopovereenkomst per
1 februari 2013 als gevolg daarvan ontbonden en niet als gevolg van enig verzuim van [appellant] .