Belanghebbende was door de Belastingdienst verplicht om informatie te verstrekken over buitenlandse betaalkaarten en vermogen in het buitenland voor de jaren 2004 tot en met 2016. Na weigering van belanghebbende om de gevraagde informatie te verstrekken, gaf de Inspecteur een informatiebeschikking op grond van artikel 52a AWR. Belanghebbende stelde zich op het standpunt dat het nemo-teneturbeginsel en het evenredigheidsbeginsel geschonden waren en dat de navorderingstermijn voor 2004 was verstreken.
De Rechtbank Gelderland verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond en stelde een termijn voor het alsnog verstrekken van informatie. Belanghebbende ging in hoger beroep tegen deze uitspraak. Het Hof oordeelde dat het beroep op het nemo-teneturbeginsel niet opgaat omdat de informatieplicht voor belastingheffing prevaleert en dat de informatiebeschikking niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Tevens stelde het Hof vast dat uitstel voor het doen van aangifte over 2004 aan de gemachtigde van belanghebbende was verleend, waardoor de navorderingstermijn niet was verstreken.
Verder wees het Hof een nieuw ingebrachte stelling over de geheimhouding van memo’s af wegens schending van de goede procesorde. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.