Uitspraak
in eerste aanleg: verzoekster, verweerster in het voorwaardelijk verzoek,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De werknemer trad in september 2019 in dienst bij Talis en deed in september 2020 een melding van vermeende misstanden door directe collega’s. Na onderzoek verklaarde Talis de verdenkingen jegens één collega ongegrond, maar de arbeidsrelatie tussen werknemer en deze collega raakte verstoord. Talis startte een mediationtraject dat door de collega werd beëindigd, waarna de werkgever de arbeidsovereenkomst wilde ontbinden wegens een verstoorde arbeidsverhouding.
De kantonrechter wees het ontbindingsverzoek af omdat de verstoring mogelijk niet duurzaam was. Talis ging in hoger beroep en verzocht alsnog ontbinding. Het hof oordeelde dat Talis onvoldoende had aangetoond dat herplaatsing binnen de organisatie onmogelijk was, terwijl de wet dit vereist als voorwaarde voor ontbinding.
Het hof stelde vast dat de werknemer terecht melding had gedaan en dat de verstoring vooral te wijten was aan de collega. Talis had onvoldoende concrete herplaatsingsinspanningen verricht, terwijl van haar een forse inspanning mocht worden verwacht gezien de omstandigheden en de speciale positie van de werknemer. Het ontbindingsverzoek werd daarom afgewezen en de beschikking van de kantonrechter bekrachtigd.
Uitkomst: Het ontbindingsverzoek van Talis wordt afgewezen wegens onvoldoende herplaatsingsinspanningen.