In deze zaak staat centraal of het verstrekken van leningen door een houdstermaatschappij aan dochtervennootschappen, en de latere kwijtschelding daarvan, kwalificeert als schenking in de zin van de Successiewet 1956. De Inspecteur legde aanslagen schenkbelasting op over de jaren 2007 en 2014, die belanghebbende betwistte. De rechtbank verklaarde het bezwaar tegen de aanslag 2007 niet-ontvankelijk en vernietigde de aanslag 2014.
In hoger beroep oordeelt het hof dat de rechtbank ten onrechte ambtshalve de ontvankelijkheid van het bezwaar tegen de aanslag 2007 heeft beoordeeld, mede gelet op een arrest van de Hoge Raad uit 2021. Het bezwaar is ontvankelijk en kan inhoudelijk worden behandeld. Vervolgens beoordeelt het hof de kwalificatie van de lening uit 2007 en 2008 als schenking. Gelet op jurisprudentie en het feit dat sprake is van een onzakelijke lening met een rente van 6%, oordeelt het hof dat er sprake is van een schenking in deze jaren.
Ten aanzien van de kwijtschelding van de lening in 2014 stelt het hof vast dat de Successiewet destijds nog niet voorzag in een opschortende voorwaarde en dat de Inspecteur onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een dergelijke voorwaarde. De kwijtschelding in 2014 wordt daarom niet als schenking aangemerkt. Het hoger beroep van belanghebbende wordt gegrond verklaard, dat van de Inspecteur ongegrond. Het hof veroordeelt de Inspecteur tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.