ECLI:NL:GHARL:2023:1755

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
28 februari 2023
Publicatiedatum
28 februari 2023
Zaaknummer
21/00044
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:108 AwbArt. 8:41 AwbArt. 7:15 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenvergoeding na intrekking hoger beroep in belastingzaak over aanslag IB/PVV 2012

Belanghebbende had een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) over 2012 ontvangen, waartegen bezwaar en beroep bij de rechtbank waren ingesteld. De rechtbank wees het beroep ongegrond, maar kende belanghebbende immateriële schadevergoeding en proceskosten toe. Belanghebbende stelde vervolgens hoger beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank.

Tijdens het hoger beroep trok belanghebbende dit beroep in, omdat de Inspecteur via de Regeling Tijdelijke Tegemoetkoming Rijnvarenden tegemoet zou komen aan de grieven van belanghebbende. Het hof oordeelde dat deze tegemoetkoming, ondanks dat deze niet in de vorm van een vermindering van de aanslag plaatsvindt maar via een afzonderlijk besluit, toch als tegemoetkoming door de Inspecteur moet worden gezien. Hierdoor had belanghebbende recht op vergoeding van proceskosten en het betaalde griffierecht.

Het hof stelde de proceskostenvergoeding vast op €3.241,50, rekening houdend met eerder toegekende vergoeding door de rechtbank. Het griffierecht van €134 werd eveneens aan belanghebbende toegekend. De Inspecteur werd veroordeeld tot betaling van deze kosten. Het hof motiveerde dat de intrekking van het hoger beroep en de tegemoetkoming onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn en dat de Regeling als grondslag dient voor de kostenvergoeding.

Uitkomst: De Inspecteur wordt veroordeeld tot betaling van €3.241,50 aan proceskosten en het griffierecht van €134 aan belanghebbende.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem
nummer BK-ARN 21/00044
uitspraakdatum: 28 februari 2023
Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer
op het verzoek van
[belanghebbende]te
[woonplaats](hierna: belanghebbende)
om
de
inspecteurvan de
Belastingdienst/Kantoor Eindhoven(hierna: de Inspecteur)
te veroordelen in de proceskosten van belanghebbende naar aanleiding van de intrekking van het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 3 december 2020, nummer LEE 17/2740

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Aan belanghebbende is voor het jaar 2012 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd. Bij beschikking is belastingrente berekend.
1.2.
De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Tevens heeft de Rechtbank de Inspecteur en de Staat (de Minister voor Rechtsbescherming) veroordeeld tot vergoeding aan belanghebbende van immateriële schade en proceskosten en de Inspecteur en de Staat (de Minister voor Rechtsbescherming) opgedragen het betaalde griffierecht aan belanghebbende te vergoeden.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft bij brief van 18 februari 2022 nadere inlichtingen verstrekt.
1.5.
Bij brief met dagtekening 27 juni 2022, door het Hof ontvangen op 28 juni 2022, heeft de gemachtigde van belanghebbende het volgende aan het Hof geschreven:
“(…)
De Inspecteur zal - in ieder geval deels - aan de bezwaren tegemoet komen in het kader van de Regeling Tijdelijke Tegemoetkoming Rijnvarenden. Een aanvraag daartoe is ingediend.
In verband met de voorwaarde en termijn van artikel2 ahf Pro sub a van de Regeling Tijdelijke Tegemoetkoming Rijnvarenden trek ik hierbij het beroep van [belanghebbende], BK-ARN 21/00044 over de aanslag inkomstenbelasting premie volksverzekering 2012 in. Belanghebbende verzoekt uw hof de Inspecteur te veroordelen in de kosten van het hoger beroep en tot betaling van het griffierecht.”
1.6.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 november 2022. Ter zitting zijn gelijktijdig behandeld de zaken met nummers 20/00961, 20/00980 t/m 20/00984, 20/00986, 20/00987, 20/01032, 20/01033, 20/01060 t/m 20/01062, 20/01077 t/m 20/01079, 21/00044, 21/00528 en 21/01617. Namens belanghebbende is verschenen [naam1] . Namens de Inspecteur zijn verschenen [naam2] en [naam3] , bijgestaan door [naam4] en [naam5] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2.Beoordeling van het verzoek

Vergoeding proceskosten en griffierecht
2.1.
In geval van intrekking van het hoger beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het hogerberoepschrift is tegemoetgekomen, kan het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in de kosten worden veroordeeld (artikel 8:75a, eerste lid, in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb).
2.2.
Belanghebbende heeft aan zijn verzoek om vergoeding van proceskosten en griffierecht ten grondslag gelegd dat de Inspecteur in het kader van de Regeling tijdelijke tegemoetkoming rijnvarenden (Stcrt. 2021, 50396; hierna: de Regeling) - in ieder geval deels - aan zijn grieven tegemoet zal komen. Een aanvraag daartoe is ingediend, aldus belanghebbende. De Inspecteur heeft zich verzet tegen toekenning van een vergoeding van proceskosten en griffierecht. Het toekennen van een tegemoetkoming in het kader van de Regeling gaat buiten hem om en laat volgens de Inspecteur onverlet dat de aanslagen tot de juiste bedragen zijn vastgesteld. Verder wijst de Inspecteur erop dat in het kader van de Regeling nog geen tegemoetkoming is verleend.
2.3.
Het Hof overweegt als volgt. Inzet van de hogerberoepsprocedure was in de kern dat de financiële gevolgen van dubbele premieheffing voor belanghebbende zouden worden weggenomen. De Regeling is in het leven geroepen om die financiële gevolgen in de vorm van een tegemoetkoming te verzachten voor een specifieke groep rijnvarenden. Eén van de voorwaarden voor toekenning van een tegemoetkoming in het kader van de Regeling is dat op 30 juni 2022 onherroepelijk vaststaat dat de rijnvarende in enig jaar in de periode 1 mei 2010 tot en met 31 december 2015 Nederlandse premie volksverzekeringen is verschuldigd. De intrekking van het hoger beroep is louter ingegeven om aan die voorwaarde te voldoen. Ter zitting van het Hof is namens de Inspecteur desgevraagd verklaard dat ook overigens aan de voorwaarden van de Regeling wordt voldaan, zodat niets aan toekenning van de tegemoetkoming in de weg staat en deze alleen nog moet worden geformaliseerd. Wat betreft belanghebbende is daarbij geen uitzondering of voorbehoud gemaakt.
2.4.
Dat de tegemoetkoming in het kader van de Regeling niet geformaliseerd wordt in de vorm van een vermindering van de onderhavige aanslag IB/PVV maar in de vorm van een afzonderlijk te nemen besluit, neemt niet weg dat gedeeltelijk aan de grieven van belanghebbende wordt tegemoetgekomen. Belanghebbende heeft immers (onder meer) de verrekening van de in Cyprus ingehouden premies met de in Nederland geheven premie volksverzekeringen bepleit. De hoogte van de tegemoetkoming is ingevolge artikel 4 van Pro de Regeling gelijk aan het totaalbedrag aan premies dat door de werkgever in een kalenderjaar is ingehouden. Daarmee wordt hetzelfde resultaat bereikt.
2.5.
Dat ingevolge artikel 5 van Pro de Regeling de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op een aanvraag in het kader van de Regeling beslist en niet de Inspecteur, staat naar het oordeel van het Hof evenmin aan een toewijzing van een proceskostenvergoeding in de weg. Ingevolge artikel 10 van Pro de Regeling is de uitvoering belegd bij de Belastingdienst. De functionarissen van de Belastingdienst die daarmee zijn belast, zijn mede afhankelijk van informatie van de Inspecteur en trekken - ook in dit geval - samen met hem op.
2.6.
Aldus zijn de intrekking van het hoger beroep en de tegemoetkoming in het kader van de Regeling, gelet op doel en strekking hiervan, onlosmakelijk met elkaar verweven. Voor de toepassing van artikel 8:75a van de Awb moet de (alleen nog te formaliseren) tegemoetkoming in het kader van de Regeling daarom worden aangemerkt als een tegemoetkoming door de Inspecteur.
2.7.
Gelet op het vorenstaande heeft belanghebbende recht op een proceskostenvergoeding.
2.8.
Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.674 voor de kosten in eerste aanleg (2 punten (beroepschrift, bijwonen zitting)  wegingsfactor 1  € 837) en € 2.092,50 voor de kosten in hoger beroep (2,5 punten (hogerberoepschrift, schriftelijke inlichtingen, bijwonen zitting)  wegingsfactor 1  € 837), ofwel tezamen op € 3.766,50. Op dit bedrag komt in mindering de proceskostenvergoeding van € 525 die de Rechtbank reeds heeft uitgesproken in verband met een overschrijding van de redelijke termijn (vgl. HR 13 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1779, onder 4.2). Door de intrekking van het hoger beroep is die vergoeding definitief geworden. In totaal bedraagt de proceskostenvergoeding derhalve € 3.241,50.
2.9.
Voor een kostenvergoeding voor de bezwaarfase ziet het Hof geen aanleiding, aangezien de tegemoetkoming in het kader van de Regeling niet tot gevolg heeft dat een besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid zoals artikel 7:15, tweede lid, van de Awb voorschrijft. Ten tijde van het opleggen van de aanslagen was nog geen zicht op de Regeling en de tegemoetkoming waarin deze voorziet.
2.10.
Belanghebbende heeft naast vergoeding van proceskosten eveneens verzocht om vergoeding van het door hem betaalde griffierecht. Op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb dient de Inspecteur het griffierecht aan belanghebbende te vergoeden, aangezien het hoger beroep is ingetrokken omdat aan belanghebbende is tegemoetgekomen. Hoewel de wet daarin niet uitdrukkelijk voorziet, zal het Hof de Inspecteur opdragen het griffierecht te vergoeden (vgl. HR 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1274).

3.Beslissing

Het Hof:
– wijst het verzoek van belanghebbende om vergoeding van proceskosten toe,
– veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 3.241,50, en
– draagt de Inspecteur op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht van € 134 dat belanghebbende voor de behandeling van het hoger beroep heeft betaald.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.F.R. Woeltjes, voorzitter, mr. J. van de Merwe en mr. A.J.H. van Suilen, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Postema als griffier.
De beslissing is op in het openbaar uitgesproken op 28 februari 2023.
De griffier, De voorzitter,
(E.D. Postema) (V.F.R. Woeltjes)
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op 1 maart 2023.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.