Belanghebbende had een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) over 2012 ontvangen, waartegen bezwaar en beroep bij de rechtbank waren ingesteld. De rechtbank wees het beroep ongegrond, maar kende belanghebbende immateriële schadevergoeding en proceskosten toe. Belanghebbende stelde vervolgens hoger beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank.
Tijdens het hoger beroep trok belanghebbende dit beroep in, omdat de Inspecteur via de Regeling Tijdelijke Tegemoetkoming Rijnvarenden tegemoet zou komen aan de grieven van belanghebbende. Het hof oordeelde dat deze tegemoetkoming, ondanks dat deze niet in de vorm van een vermindering van de aanslag plaatsvindt maar via een afzonderlijk besluit, toch als tegemoetkoming door de Inspecteur moet worden gezien. Hierdoor had belanghebbende recht op vergoeding van proceskosten en het betaalde griffierecht.
Het hof stelde de proceskostenvergoeding vast op €3.241,50, rekening houdend met eerder toegekende vergoeding door de rechtbank. Het griffierecht van €134 werd eveneens aan belanghebbende toegekend. De Inspecteur werd veroordeeld tot betaling van deze kosten. Het hof motiveerde dat de intrekking van het hoger beroep en de tegemoetkoming onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn en dat de Regeling als grondslag dient voor de kostenvergoeding.