De terbeschikkinggestelde was in beroep gegaan tegen de verlenging van zijn terbeschikkingstelling met verpleging door de rechtbank Oost-Brabant. De rechtbank had de maatregel met twee jaar verlengd, waarbij zij de maximale duur van vier jaar toepaste vanaf het moment van voorlopige verpleging van overheidswege.
De terbeschikkinggestelde stelde dat hem gerechtvaardigd vertrouwen was gewekt dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden maximaal vier jaar zou duren vanaf oplegging, en verzocht primair om beëindiging, subsidiair om aanhouding voor onderzoek naar een zorgmachtiging, en meer subsidiair om verlenging met één jaar. Het openbaar ministerie en het hof verwierpen deze verzoeken.
Het hof overwoog dat de wet de maximale duur van een terbeschikkingstelling met voorwaarden op negen jaar stelt, maar dat bij omzetting naar terbeschikkingstelling met verpleging de maximale duur van vier jaar geldt, ingaande vanaf de voorlopige verpleging. De rechtbank was gebonden aan het oordeel over het indexdelict en de maximale duur. Er was geen gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat de maatregel eerder zou eindigen.
De kliniek adviseerde verlenging vanwege de chronische aard van de problematiek, het nog te starten resocialisatietraject en het belang van een langere termijn om behandeling te borgen. Het hof bevestigde de verlenging met twee jaar en wees het verzoek tot onderzoek naar een zorgmachtiging af. De maatregel kan daarna nog eenmaal met één jaar worden verlengd tot maximaal vier jaar vanaf voorlopige verpleging.