De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde van drie onroerende zaken vast en legde aanslagen OZB op. Belanghebbende maakte bezwaar tegen de waardebeschikkingen en stelde beroep in bij de rechtbank, die het beroep ongegrond verklaarde maar de heffingsambtenaar veroordeelde tot vergoeding van immateriële schade, proceskosten en griffierecht wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Belanghebbende stelde hoger beroep in tegen de ongegrondverklaring van het beroep, terwijl de heffingsambtenaar incidenteel hoger beroep instelde tegen de veroordelingen tot vergoeding van immateriële schade, proceskosten en griffierecht. Tijdens de zitting trok belanghebbende het hoger beroep betreffende de WOZ-waarde in, zodat alleen het incidentele hoger beroep van de heffingsambtenaar overbleef.
Het hof oordeelt dat de overschrijding van de redelijke termijn vaststaat, maar dat het financiële belang van de procedure zeer gering is (circa € 10,10). Hierdoor bestaat geen aanleiding om spanning en frustratie te veronderstellen en daarmee geen grond voor vergoeding van immateriële schade. Ook de vergoeding van griffierecht en proceskosten wordt afgewezen, omdat deze alleen toekomen indien immateriële schadevergoeding wordt toegekend. Het incidentele hoger beroep van de heffingsambtenaar wordt gegrond verklaard en het beroep van belanghebbende ongegrond.