Belanghebbende B.V. stelde beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland inzake de WOZ-waarden van twee onroerende zaken en de daarbij behorende aanslagen. De rechtbank had het beroep ongegrond verklaard en een immateriële schadevergoeding van €50 toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn.
In hoger beroep oordeelt het hof dat de redelijke termijn met drie maanden is overschreden en dat op grond van de jurisprudentie van de Hoge Raad een standaardtarief van €500 per half jaar overschrijding geldt. Het hof verhoogt daarom de immateriële schadevergoeding naar €500, waarvan de heffingsambtenaar €170 en de Staat €330 moeten betalen. Omdat de zaken samenhangen, wordt slechts eenmaal €500 toegekend en in deze zaak de helft daarvan.
Daarnaast wijst het hof een proceskostenvergoeding toe van in totaal €1.312,50 voor beroep en hoger beroep, waarvan de helft wordt toegekend in deze zaak en verdeeld over de heffingsambtenaar en de Staat. Het griffierecht dat belanghebbende in hoger beroep betaalde (€548) wordt eveneens voor de helft vergoed door beide partijen. Het hof vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep ongegrond, maar wijst de vergoedingen toe zoals hierboven vermeld.
Het hof benadrukt dat de vergoeding voor immateriële schade ook toekomt wanneer deze aan een gemachtigde wordt betaald en dat het verzoek om griffierechtvergoeding in dit geval niet toewijsbaar is omdat het beroep op zichzelf ongegrond is. De vergoedingen dienen op een bankrekening van belanghebbende te worden uitbetaald.