Belanghebbende is eigenaar van een maisonnettewoning in [plaats1], waarvan de WOZ-waarde voor het jaar 2021 is vastgesteld op €287.000. Tegen deze waardebepaling is bezwaar gemaakt en later beroep ingesteld bij de rechtbank, dat ongegrond werd verklaard. Belanghebbende stelde vervolgens hoger beroep in bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Tijdens de digitale zitting op 18 april 2024 zijn de standpunten van partijen uitgewisseld en is onder meer een taxateur gehoord. De heffingsambtenaar baseerde de waardering op een waardematrix met drie vergelijkbare woningen in dezelfde wijk, met gelijksoortige kenmerken en verkoopprijzen die de vastgestelde waarde ondersteunen.
Belanghebbende voerde aan dat correctiefactoren ontbraken, er sprake was van inkijk en studentenoverlast, en dat rookgasafvoerkanalen de bruikbaarheid van de zolder beperken. Het hof oordeelde dat de heffingsambtenaar voldoende inzicht had gegeven in de waarderingsmethode en dat de genoemde omstandigheden reeds in de vergelijkingsobjecten waren verdisconteerd.
Gelet op de onderbouwing en de bewijslastverdeling acht het hof de vastgestelde waarde niet te hoog en verklaart het hoger beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskosten.