Tussen twee broers bestaat een geschil over de eigendom van acht landbouwmachines die zij tussen 1985 en 2004 gezamenlijk gebruikten en waarvan de kosten werden gedeeld. Na 2004 ontzegde geïntimeerde appellant het gebruik en verkocht zeven machines. Appellant vorderde mede-eigendom, verdeling van de gemeenschap, betaling van €124.300 en een gebruiksvergoeding van €210.800.
De rechtbank wees de vorderingen af wegens rechtsverwerking, een oordeel dat het hof ’s-Hertogenbosch bekrachtigde. De Hoge Raad vernietigde dit arrest vanwege te strenge eisen aan de stelplicht en onjuiste uitleg omtrent rechtsverwerking en verwees de zaak terug naar het hof Arnhem-Leeuwarden.
Het hof oordeelt dat appellant zijn rechten heeft verwerkt door niet tijdig aanspraak te maken op verdeling en gebruiksvergoeding, waardoor geïntimeerde gerechtvaardigd vertrouwen kreeg dat deze aanspraken niet meer zouden worden gemaakt. Dit leidde tot onredelijk nadeel voor geïntimeerde, die hierdoor niet tijdig kon anticiperen op de financiële gevolgen.
Het hof volgt appellant niet in zijn betoog dat het recht op mede-eigendom niet kan worden verwerkt en bekrachtigt het vonnis van de rechtbank. Appellant wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten in hoger beroep.