Belanghebbende is eigenaar van een rijwoning uit 1952 en betwistte de door de heffingsambtenaar vastgestelde WOZ-waarde van €379.000 per 1 januari 2021. De heffingsambtenaar handhaafde de beschikking en de aanslag onroerendezaakbelasting, waarna belanghebbende beroep instelde bij de rechtbank, dat ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde belanghebbende hoger beroep in bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Tijdens het hoger beroep stond centraal of de heffingsambtenaar voldoende rekening had gehouden met secundaire objectkenmerken bij de waardebepaling. Belanghebbende betoogde dat de waarde te hoog was en stelde een lagere waarde van €298.000 voor. De heffingsambtenaar onderbouwde de waarde met een taxatierapport gebaseerd op vergelijkingsobjecten en marktontwikkelingen.
Het Hof oordeelde dat de heffingsambtenaar de waarde aannemelijk had gemaakt met een gedegen taxatiematrix en dat het vergelijkingsobject aan een nabijgelegen adres geschikt was als referentie. Daarnaast concludeerde het Hof dat belanghebbende niet was benadeeld door eventuele tekortkomingen in het verstrekken van gegevens, mede omdat belanghebbende reeds over relevante fotodocumentatie beschikte. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.