De zaak betreft de vermogensrechtelijke afwikkeling van het informele samenleven tussen verzoeker en erflaatster, die sinds 1998 samenwoonden zonder samenlevingsovereenkomst en gezamenlijk eigenaar waren van een woning. De relatie eindigde in april 2020, de woning werd in juli 2023 aan verzoeker geleverd en erflaatster werd ontslagen uit hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheek. Erflaatster overleed in december 2023.
Erflaatster benoemde haar zoon tot enige erfgenaam, die onder bewind staat, met verweerster als bewindvoerder en executeur. Het geschil betreft de waardering van de woning en de vraag of verzoeker aanspraak kan maken op vergoeding van investeringen uit privévermogen voor aankoop, verbouwing en hypotheekaflossingen. De rechtbank had een taxatie gelast en deels vorderingen van verzoeker afgewezen wegens verjaring.
Het hof oordeelt dat de waarde van de woning moet worden vastgesteld op de peildatum van de verdeling, 28 december 2022, en dat de waarde € 735.000 bedraagt. Verzoeker heeft onvoldoende bewijs geleverd voor een afwijkende peildatum of dat erflaatster meeprofiteert van waardestijging onredelijk is. Verzoeker kan zijn inbreng bij aankoop verrekenen met de overwaarde, maar kan de aflossingen en verbouwingskosten niet aantonen vanwege gezamenlijke rekeningen en ontbrekende betalingsbewijzen. De vorderingen worden deels toegewezen en deels afgewezen. Elke partij draagt eigen kosten.