Uitspraak
1.Het verdere verloop van de procedure
2.De kern van de zaak
3.De beoordeling in hoger beroep
uitgangspunten
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze civiele zaak staat centraal de vraag of appellant een voorschot op schadevergoeding moet betalen aan geïntimeerde voor het niet ter beschikking stellen van 2,7 hectare bouwland dat geïntimeerde voor rabarberteelt zou gebruiken.
De pachtkamer Limburg had appellant veroordeeld tot betaling van een voorschot van €101.472. Appellant stelde hoger beroep in tegen dit tussenvonnis, maar het hof verklaarde dit hoger beroep voor het deel dat ziet op de hoofdprocedure niet-ontvankelijk. Het hof oordeelde dat hoger beroep tegen de voorlopige voorziening wel mogelijk is en paste de afstemmingsregel toe, waarbij het oordeel van de bodemrechter leidend is tenzij sprake is van een misslag of gewijzigde omstandigheden.
Het hof bevestigde dat appellant 2,7 hectare niet ter beschikking had gesteld door het inzaaien met Italiaans raaigras en dat geïntimeerde daardoor schade had geleden. De schade werd begroot op basis van de gemiddelde winst per hectare uit eerdere jaren, gecorrigeerd voor pachtprijsaanpassingen, en vastgesteld op circa €35.000. Het hof wees de hogere schadevordering van geïntimeerde af wegens onvoldoende onderbouwing.
Verder wees het hof de vordering tot vergoeding van werkelijke proceskosten af, omdat geen sprake was van misbruik van procesrecht door appellant. Het hof veroordeelde appellant tot betaling van €35.000 als voorschot en bepaalde dat partijen hun eigen kosten dragen in het hoger beroep, met een beperkte proceskostenveroordeling in het incident.
Uitkomst: Appellant wordt veroordeeld tot betaling van een voorschot van €35.000 als voorlopige voorziening wegens het niet ter beschikking stellen van 2,7 hectare bouwland.