ECLI:NL:GHARL:2025:5184

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
19 augustus 2025
Publicatiedatum
21 augustus 2025
Zaaknummer
24/624 en 24/625
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 Wet WOZArt. 30a Wet WOZBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over WOZ-waardevaststelling en proceskostenvergoeding voor woningen

Belanghebbende is eigenaar van een beneden- en bovenwoning aan een adres te [plaats1]. De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde per 1 januari 2020 vast op respectievelijk €71.000 en €53.000, met aanslagen onroerendezaakbelasting voor 2021. Na bezwaar handhaafde de heffingsambtenaar deze waardes, waarna belanghebbende beroep instelde bij de Rechtbank. De Rechtbank verhoogde de waarde naar €75.000 (benedenwoning) en €60.000 (bovenwoning) en kende een vergoeding toe voor griffierecht, proceskosten en immateriële schade.

Belanghebbende stelde in hoger beroep dat de waarde van de benedenwoning te laag was en pleitte voor €80.000. Het hof oordeelde dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de waarde hoger moest zijn dan de Rechtbank had vastgesteld. De waarde van de bovenwoning was niet meer in geschil. Tevens werd de proceskostenvergoeding door het hof aangepast: de Rechtbank had ten onrechte geen vergoeding toegekend voor een nadere zitting en had een te laag tarief gehanteerd. Het hof stelde de totale proceskostenvergoeding vast op €3.561,50 en kende daarnaast vergoeding van het betaalde griffierecht toe.

Het hoger beroep werd gegrond verklaard, waarbij het hof de uitspraak van de Rechtbank vernietigde voor zover het de proceskostenvergoeding betrof. De heffingsambtenaar werd veroordeeld tot betaling van de aangepaste proceskostenvergoeding en het griffierecht. De WOZ-waarde bleef ongewijzigd op €75.000 voor de benedenwoning.

Uitkomst: Het hoger beroep is gegrond verklaard, de WOZ-waarde van de benedenwoning bevestigd op €75.000 en de proceskostenvergoeding verhoogd tot €3.652,20 met vergoeding van het griffierecht.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 24/624 en 24/625
uitspraakdatum: 19 augustus 2025
Uitspraak van de vijftiende enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]te
[woonplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de Rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 14 maart 2024, nummer ARN 22/4059 en 22/4060, in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van de gemeente Winterswijk(hierna: de heffingsambtenaar).

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De heffingsambtenaar heeft bij beschikkingen op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaken [adres] 25 benedenwoning en [adres] 25 bovenwoning te [plaats1] , per waardepeildatum 1 januari 2020, voor het jaar 2021 vastgesteld op € 71.000 (benedenwoning) respectievelijk € 53.000 (bovenwoning). Tegelijk met deze beschikkingen heeft de heffingsambtenaar voor dat jaar aan belanghebbende een aanslag onroerendezaakbelasting opgelegd.
1.2.
Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de beschikkingen en de aanslag gehandhaafd.
1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd, de beschikte waarde verhoogd naar € 75.000 (benedenwoning) en € 60.000 (bovenwoning) en de aanslag dienovereenkomstig verhoogd. Aan belanghebbende is een vergoeding van griffierecht, proceskosten en immateriële schade toegekend.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Partijen hebben voorafgaand aan de zitting nadere stukken ingediend.
1.6.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 augustus 2025. Daarbij zijn verschenen en gehoord mr. [naam1] , namens belanghebbende, alsmede [naam2] namens de heffingsambtenaar.

2.Vaststaande feiten

2.1.
Belanghebbende is eigenaar van de beneden- en bovenwoning aan de [adres] 25 te [plaats1] . Het betreft delen van een voormalig kantoorpand die afzonderlijk worden verhuurd.

3.Geschil

3.1.
In hoger beroep is in geschil of de waarde van de benedenwoning per de waardepeildatum, na verhoging naar aanleiding van het beroep naar € 75.000, te laag is vastgesteld. Belanghebbende beantwoordt die vraag bevestigend en bepleit een waarde van € 80.000. De heffingsambtenaar beantwoordt die vraag ontkennend.
3.2.
Daarnaast is in hoger beroep is in geschil of de Rechtbank de juiste bedragen aan proceskostenvergoeding en vergoeding van immateriële schade, vanwege de overschrijding van de redelijke termijn, aan belanghebbende heeft toegekend. Belanghebbende beantwoordt deze vragen ontkennend, de heffingsambtenaar bevestigend.
3.3.
De waarde van de bovenwoning per de waardepeildatum, na verhoging naar aanleiding van het beroep naar € 60.000, is niet meer in geschil.

4.Beoordeling van het geschil

WOZ waarde
4.1.
De waarde als bedoeld in artikel 17, lid 2, Wet WOZ is naar de bedoeling van de wetgever "de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding". [1]
4.2.
Bij geschillen over de waarde van een onroerende zaak als bedoeld in artikel 17 Wet Pro WOZ gelden met betrekking tot de verdeling van de bewijslast en de waardering van het bewijs, in hoger beroep geen andere regels dan in de procedure in eerste aanleg. De bewijsrechtelijke uitgangspunten die de Hoge Raad heeft geformuleerd in onderdeel 4.2 van zijn arrest van 12 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:571, mede onder verwijzing naar het arrest van 14 oktober 2005, gelden daarom ook voor de procedure in hoger beroep. [2]
4.3.
In beginsel dient de heffingsambtenaar de feiten en omstandigheden te stellen en, bij betwisting daarvan door een belanghebbende, aannemelijk te maken waaruit volgt dat de WOZ-waarde van de onroerende zaak niet te laag is vastgesteld. De Rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar niet voldoet aan de op hem rustende bewijslast dat de door hem voor de Wet WOZ vastgestelde waarde van de woning per 1 januari 2020 van € 71.000 niet te laag is. Dit oordeel van de Rechtbank moet in hoger beroep als een gegeven worden beschouwd aangezien de heffingsambtenaar geen (incidenteel) hoger beroep heeft ingesteld, maar heeft berust in dit oordeel van de Rechtbank.
4.4.
Het gevolg van het overwogene in 4.3. is dat het Hof de waarde niet mag vaststellen op een bedrag dat in het voordeel van de heffingsambtenaar afwijkt van het bedrag waarop de Rechtbank de waarde schattenderwijs heeft vastgesteld, te weten € 75.000 (benedenwoning). [3]
4.5.
Belanghebbende stelt in hoger beroep dat de waarde van de woning voor het belastingjaar 2021 moet worden verhoogd naar € 80.000. Het ligt dan op zijn weg de door hem bepleite waarde aannemelijk te maken, waarbij het Hof in de waardering van het bewijs acht slaat op al hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd.
4.6.
Belanghebbende heeft geen concrete onderbouwing gegeven van een waarde van de benedenwoning van € 80.000. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende dan ook de door hem bepleite waarde niet aannemelijk gemaakt.
4.7.
Nu belanghebbende de door hem bepleite waarde niet aannemelijk maakt, zal het Hof die waarde in goede justitie vaststellen. Bij die waardevaststelling houdt het Hof rekening met al hetgeen partijen over en weer in eerste aanleg en in hoger beroep hebben aangevoerd. Het Hof ziet daarin geen aanleiding de waarde op een ander bedrag vast te stellen dan de Rechtbank heeft gedaan.
Vergoeding immateriële schade
4.8.
Belanghebbende stelt dat de Rechtbank ten onrechte voor beide zaken gezamenlijk één keer het tarief van € 500 per halfjaar heeft toegekend. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat sprake is van twee zaken omdat de Rechtbank aan beide zaken een apart nummer heeft toegekend.
4.9.
Naar het oordeel van het Hof is de Rechtbank terecht ervan uitgegaan dat sprake is van één zaak. Redengevend daarvoor is dat de WOZ-beschikkingen zijn verenigd op één aanslagbiljet, waartegen één bezwaarschrift is ingediend waarop één uitspraak op bezwaar is gedaan, dat daartegen één beroepschrift is ingediend, waarna de zaak als één zaak door de Rechtbank is behandeld. [4]
Proceskostenvergoeding Rechtbank
4.10.
Belanghebbende stelt dat bij de Rechtbank een nadere zitting is geweest en dat voor deze nadere zitting 0,5 punt had moeten worden toegekend. Uit de uitspraak van de Rechtbank blijkt dat op 16 december 2022 een zitting heeft plaatsgevonden en dat op 8 november 2023 een nadere zitting heeft plaatsgevonden. Op beide zittingen was de gemachtigde aanwezig. Naar het oordeel van het Hof had de Rechtbank, op grond van onderdeel A1 van de bijlage van het Besluit proceskosten bestuursrecht, voor de nadere zitting 0,5 punt moeten toekennen. In zoverre slaagt deze hogerberoepsgrond. Dat de nadere zitting volgens de heffingsambtenaar door toedoen van belanghebbende heeft plaatsgevonden omdat de huurders geïnformeerd moesten worden omdat belanghebbende een hogere waarde voorstond doet daar niet aan af.
4.11.
Belanghebbende stelt voorts dat de Rechtbank bij de berekening van de proceskostenvergoeding ten onrechte is uitgegaan van het lage tarief (€310 per punt) voor de bezwaarfase (onderdeel B2 van de bijlage van het Besluit proceskosten bestuursrecht). Gezien het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2024, slaagt ook deze hogerberoepsgrond. [5]
4.12.
Verder wordt opgemerkt dat in het kader van de proceskostenvergoeding slechts sprake is van één zaak nu het beroep betrekking heeft op meerdere primaire besluiten die op hetzelfde aanslagbiljet staan. [6]
4.13.
Het Hof stelt de proceskosten die de heffingsambtenaar aan belanghebbende voor de bezwaar- en beroepsfase moet vergoeden, berekend naar de tarieven van 2025 vast op € 1.294 voor de bezwaarfase (2 punten (bezwaarschrift en hoorzitting) x wegingsfactor 1 x € 647), € 2.267,50 voor de beroepsfase (2,5 punten (beroepschrift, bijwonen zitting, bijwonen nadere zitting) x wegingsfactor 1 x € 907), ofwel in totaal op € 3.561,50.
Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.

5.Griffierecht en proceskosten

5.1.
Aangezien het Hof het hoger beroep gegrond verklaart, dient de heffingsambtenaar aan belanghebbende het in hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.
5.2.
In deze zaak is sprake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De uitspraak van de Rechtbank is van na 1 januari 2024, zodat artikel 30a, lid 2, Wet WOZ voor de hogerberoepsfase van toepassing is. De stukken van het geding bieden geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het geval van belanghebbende met het oog op die proceskostenvergoeding is aan te merken als een bijzonder geval in de zin van het arrest HR 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46, r.o. 3.5.2. Belanghebbende, op wie ter zake daarvan de bewijslast rust, is daarin niet geslaagd.
5.3
Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 90,70 voor de kosten in hoger beroep ((2 punten (hogerberoepschrift en bijwonen zitting) x wegingsfactor 0,5 x € 907) x 0,1), ofwel in totaal op € 90,70.
5.2.
Opmerking verdient dat de uitbetaling van de vergoedingen van proceskosten en griffierechten ingevolge artikel 30a, lid 4, van de Wet WOZ plaatsvindt op een bankrekening die op naam staat van belanghebbende.

6.Beslissing

Het Hof:
  • vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, uitsluitend voor zover het de beslissing over de proceskostenvergoeding betreft,
  • veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 3.652,20 en
  • gelast dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende het in hoger beroep betaalde griffierecht vergoedt van € 138.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. van der Wal, lid van de vijftiende enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. P.W.L. van den Bersselaar als griffier.
De beslissing is op 19 augustus 2025 in het openbaar uitgesproken.
(P.W.L. van den Bersselaar) (P. van der Wal)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Kamerstukken II 1993/94, 22 885, nr. 3, blz. 44.
2.Vergelijk Hoge Raad 2 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:619, r.o. 4.2.2.
3.Vergelijk Hoge Raad 2 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:619, r.o. 4.2.3 en 4.2.4.
4.HR 21 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:652, r.o. 2.2
5.HR 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060.
6.HR 13 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0892.