Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
[woonplaats](hierna: belanghebbenden)
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Belanghebbenden, erfgenamen van mevrouw erflaatster, waren in geschil met de Inspecteur over de hoogte van het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang over het jaar 2016. Centraal stond de vraag of de liquide middelen en effecten van circa € 42,7 miljoen in de holding tot het ondernemingsvermogen behoren in de zin van artikel 4.17a van de Wet IB 2001.
De rechtbank had het beroep van belanghebbenden gegrond verklaard en de aanslag verminderd tot een lager bedrag, waarbij een deel van de liquide middelen als ondernemingsvermogen werd aangemerkt. De Inspecteur stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak, terwijl belanghebbenden voorwaardelijk incidenteel hoger beroep instelden.
Het hof oordeelde dat belanghebbenden onvoldoende aannemelijk hadden gemaakt dat de liquide middelen en effecten duurzaam dienstbaar zijn aan de onderneming van de holding en haar deelnemingen. De middelen waren volgens het hof veeleer geaccumuleerde winst die buiten de risicosfeer van de onderneming waren gebracht. Ook het argument dat de middelen nodig zouden zijn ter behoud van het familiebedrijf werd verworpen.
Daarmee werd het principale hoger beroep van de Inspecteur gegrond verklaard en het incidentele beroep van belanghebbenden ongegrond. Het hof vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van belanghebbenden tegen de aanslag ongegrond.
Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep van belanghebbenden tegen de aanslag IB/PVV voor 2016 ongegrond.