ECLI:NL:GHARL:2025:7991

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
9 december 2025
Publicatiedatum
12 december 2025
Zaaknummer
23/1428 t/m 23/1437
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake naheffingsaanslag BPM en proceskostenvergoeding

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden uitspraak gedaan op de hoger beroepen van belanghebbende B.V. en de Inspecteur van de Belastingdienst tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland. De rechtbank had eerder een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) verminderd, maar beide partijen gingen in hoger beroep. De belanghebbende betoogde dat de Inspecteur onterecht was uitgegaan van de CO2-uitstoot zoals vermeld in het kentekenregister, en dat de rechtbank bij het toekennen van proceskostenvergoeding een te lage wegingsfactor had gehanteerd. De Inspecteur betwistte de vermindering van de handelsinkoopwaarde van de auto’s wegens schadeverleden. Het Hof oordeelde dat de Inspecteur terecht de CO2-uitstoot had gehanteerd en dat de rechtbank de waardevermindering wegens schadeverleden ten onrechte had geaccepteerd. Het Hof verklaarde het hoger beroep van de belanghebbende gegrond voor wat betreft de bezwaarkostenvergoeding, maar het hoger beroep van de Inspecteur was ook gegrond. De naheffingsaanslag werd verminderd tot een totaalbedrag van € 25.258, en de Inspecteur werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en immateriële schade.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummers BK-ARN 23/1428 tot en met 23/1437
uitspraakdatum: 9 december 2025
Uitspraak van de derde enkelvoudige belastingkamer
op de hoger beroepen van
[belanghebbende] B.V.te
[vestigingsplaats](hierna: belanghebbende)
en
de
inspecteurvan de
Belastingdienst/Centrale Administratieve Processen(hierna: de Inspecteur)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 12 april 2023, nummer ARN 21/3163, 21/3165, 21/3166, 21/3168 en 21/3170, in het geding tussen belanghebbende en de Inspecteur

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd van € 26.500. Daarbij is € 135 aan belastingrente in rekening gebracht.
1.2.
Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft in zijn uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag en de rentebeschikking gehandhaafd.
1.3.
Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en de naheffingsaanslag verminderd tot €23.482 en vergoedingen voor proceskosten, griffierecht en immateriële schade toegekend van respectievelijk € 2.266, € 360 en € 500.
1.4.
Zowel belanghebbende als de Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
1.5.
Beide partijen hebben een verweerschrift ingediend.
1.6.
Op 27 november 2024 en 2 april 2025 hebben regiezittingen plaatsgevonden waar BPM-zaken aan de orde zijn geweest die bij het Hof aanhangig waren en waarin de gemachtigde van belanghebbende namens verschillende belanghebbenden als procesvertegenwoordiger optrad, waaronder in de onderhavige zaak. In het kader van deze regiezittingen hebben partijen over en weer stukken uitgewisseld.
1.7.
Belanghebbende heeft op 24 november 2025 nadere stukken ingediend.
1.8.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 november 2025. Namens belanghebbende is mr. [naam1] verschenen. Namens de Inspecteur zijn mr. [naam2] en mr. [naam3] verschenen.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende heeft voor vijf personenauto’s (hierna: de auto’s) op aangifte bedragen aan BPM voldaan. Bij de aangiften zijn taxatierapporten gevoegd waarin schade is gecalculeerd. Deze schade is deels in mindering gebracht op de handelsinkoopwaarde die is gebaseerd op koerslijsten. Blijkens inkoopverklaringen heeft belanghebbende de auto’s in Litouwen gekocht voor respectievelijk € 16.000, € 13.500, € 15.000, € 19.650 en € 14.200.
2.2.
De auto’s zijn geproduceerd voor de Amerikaanse markt en hebben geen Europese typegoedkeuring. De CO2-uitstoot is vastgesteld aan de hand van de Scandinavische rekenmethode.
2.3.
De Inspecteur heeft een naheffingsaanslag opgelegd. Deze naheffingsaanslag heeft betrekking op de vijf auto’s. De rechtbank heeft ter zake van alle auto’s een waardevermindering wegens het schadeverleden in aanmerking genomen. De naheffingsaanslag is, na beroep, als volgt berekend:
Auto 1
( [kentekennummer1] )
Auto 2
( [kentekennummer2] )
Auto 3
( [kentekennummer3] )
Auto 4
( [kentekennummer4] )
Auto 5
( [kentekennummer5] )
Merk en type
VW Golf GTI
VW Golf GTI
BMW 535xi
BMW 328i
VW Golf GTI
Catalogusprijs
€ 36.115
€ 36.511
€ 77.405
€ 58.197
€ 40.535
BPM
29.031
32.727
10.584
6.743
29.899
= Consumentenprijs (= historische nieuwprijs)
65.146
69.238
87.989
64.94
70.434
Handelsinkoopwaarde (onbeschadigd)
€ 15.494
€ 18.170
€ 20.090
€ 19.674
€ 17.999
Schadeverleden
-/- 1.000
-/- 1.000
-/- 1.500
-/- 1.000
-/- 1.000
Schade
-/- 3.651
-/- 4.245
-/- 0
-/- 990
-/- 3.798
= Handelsinkoopwaarde (beschadigd)
10.843
12.925
18.59
17.684
13.201
Afschrijving
83,36%
81,33%
78,87%
72,77%
81,26%
Historische BPM
€ 23.175
€ 27.729
€ 52.341
€ 35.107
€ 24.123
Afschrijving
-/- 19.318
-/- 22.553
-/- 41.283
-/- 25.547
-/- 19.602
= Verschuldigde BPM
3.857
5.176
11.058
9.56
4.521
Extra leeftijdskorting
-/- 118
-/- 232
-/- 824
-/- 1.753
-/- 280
Betaald op aangifte
-/- 920
-/- 1.672
-/- 2.186
-/- 1.157
-/- 1.543
= Naheffingsaanslag
€ 2.819
€ 3.272
€ 8.048
€ 6.650
€ 2.698

3.Geschil

3.1.
In geschil is of de Rechtbank de naheffingsaanslag tot een juist bedrag heeft verminderd. Beide partijen beantwoorden die vraag ontkennend.
3.2.
Belanghebbende betoogt in hoger beroep:
i. i) dat de Inspecteur voor de naheffing van BPM niet had mogen uitgaan van de CO2-uitstoot – gebaseerd op de zogenoemde Scandinavische rekenmethode – zoals vermeld in het kentekenregister, omdat in Nederland andere voertuigen van hetzelfde merk en type zijn belast naar een lagere CO2-uitstoot;
ii) dat voor het berekenen van de afschrijving van auto 3 en 4 de historische nieuwprijs moet worden gebaseerd op het bedrag aan BPM dat voor de te registreren auto (met een CO2-uitstoot van respectievelijk 285 en 232 gr/km) is verschuldigd, en niet aan de hand van de BPM die voor de referentieauto’s (met een CO2-uitstoot van respectievelijk 178 en 147 gr/km) is verschuldigd;
iii) dat de handelsinkoopwaarde van auto 1 t/m 5 verder moet worden verminderd wegens het schadeverleden;
iv) dat de Rechtbank bij het toekennen van de kostenvergoeding voor bezwaar een te lage waarde per punt heeft toegekend;
v) dat de Rechtbank bij het toekennen van de kostenvergoeding voor de beroepsfase vanwege de zwaarte van de zaak niet wegingsfactor 1 had moeten hanteren, maar factor 1,5;
vi) dat de Rechtbank vijfmaal griffierecht van € 360 heeft geheven, maar na gegrondverklaring van het beroep ten onrechte slechts éénmaal griffierecht heeft laten vergoeden;
vii) dat wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep een schadevergoeding moet worden toegekend.
3.3.
De Inspecteur betoogt in hoger beroep dat de Rechtbank ten onrechte de handelsinkoopwaarde van de auto’s heeft verminderd wegens het schadeverleden.
3.4.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot vernietiging dan wel vermindering van de naheffingsaanslag. De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot handhaving van de naheffingsaanslag voor zover deze betrekking heeft op de auto’s 1, 2, 3 en 5, en tot vermindering van de naheffingsaanslag voor zover deze betrekking heeft op auto 4.

4.Beoordeling van het geschil

CO2-uitstoot; bruto BPM als maatstaf van heffing (auto’s 1 t/m 5)
4.1.
Belanghebbende herhaalt in hoger beroep zijn door de Rechtbank verworpen betoog dat de Inspecteur voor de naheffing van BPM niet had mogen uitgaan van de CO2-uitstoot – gebaseerd op de zogenoemde Scandinavische rekenmethode – zoals vermeld in het kentekenregister, omdat in Nederland andere voertuigen van hetzelfde merk en type zijn belast naar een lagere CO2-uitstoot. Deze lagere uitstoot is gebaseerd op een meting volgens de – voorgeschreven – NEDC-methode. De Inspecteur heeft in zijn verweerschrift bij de Rechtbank erkend dat meting van de CO2-uitstoot van de auto’s is gebaseerd op de Scandinavische methode.
4.2.
De heffing van BPM is gerelateerd aan de CO2-uitstoot in die zin dat voor personenauto’s het op grond van artikel 9 Wet BPM verschuldigde bedrag aan BPM hoger is naarmate de vastgestelde CO2-uitstoot van de personenauto hoger is. Dit betekent dat voor elke te registreren personenauto moet worden bepaald hoeveel CO2 deze auto uitstoot.
4.3.
Op grond van artikel 9, lid 11, Wet BPM (tekst 2019) wordt de CO2-uitstoot bepaald op basis van de NEDC-methode. Dat is hier, gelet op het overwogene in 4.1, niet gebeurd.
4.4.
Alsdan biedt de nationale wet, in artikel 6a Uitvoeringsregeling BPM (tekst 2019), belanghebbende vier – via een vaste rangorde te volgen – methoden om een afwijkende CO2-uitstoot aan te tonen. [1] Die methoden zijn – kort gezegd – (a) de typegoedkeuring dan wel het certificaat van overeenstemming, (b) een individuele goedkeuring door de RDW, (c) een testrapport van een individuele keuring en (d) een goedkeuring overeenkomstig de voorschriften van de Economische Commissie voor Europa en de Verenigde Naties dan wel een gelijkwaardig internationaal reglement. Door belanghebbende is niet gesteld, en ook anderszins is niet gebleken dat (een van) deze bewijsmiddelen hier voorhanden zijn.
4.5.
Dit zou betekenen dat in de wettelijke systematiek zou moeten worden teruggevallen op artikel 9, lid 13 Wet BPM waarin is bepaald dat de CO2-uitstoot (forfaitair) wordt bepaald op (voor een benzineauto) 356 gram per kilometer. Dat is hier, bij het opleggen van de naheffingsaanslag evenwel niet gebeurd. Dit betekent dat de door belanghebbende gestelde ongelijke behandeling niet is terug te voeren op de wettelijke bewijsregeling inzake de CO2-uitstoot, zodat een schending van art. 110 VWEU in zoverre niet aan de orde is. [2]
4.6.
Ook overigens is naar het oordeel van het Hof niet aannemelijk geworden dat de Inspecteur, door bij het opleggen van de naheffingsaanslag – overeenkomstig de aangifte van belanghebbende – het in artikel 110 VWEU vervatte discriminatieverbod heeft geschonden. De enkele omstandigheid dat bij de registratie van andere auto’s van hetzelfde merk, type en uitvoering een lagere CO2-uitstoot in aanmerking is genomen, betekent niet dat artikel 110 VWEU is geschonden. De omstandigheid dat gebruikte auto’s van hetzelfde merk, type en uitvoering zijn, sluit namelijk – ook bij gelijke productiejaren en gelijke tijdstippen van eerste toelating – niet uit dat de CO2-uitstoot van die auto’s verschilt. Door verschillen in CO2-uitstoot bij overigens vergelijkbare auto’s wordt niet aangetoond dat als uitgangspunt te veel BPM in aanmerking is genomen. [3]
4.7.
Hierbij wordt nog opgemerkt dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de verschillen in CO2-uitstoot tussen de auto en de door belanghebbende genoemde referentieauto’s uitsluitend zijn terug te voeren op het gebruik van verschillende meetmethoden. [4] Bovendien heeft belanghebbende evenmin aannemelijk gemaakt dat de auto’s en de aangevoerde referentieauto’s als ‘gelijksoortig’ kunnen worden bestempeld.
4.8.
Een en ander betekent dat de Inspecteur terecht is uitgegaan van een CO2-uitstoot zoals vermeld in het kentekenregister.
Handelsinkoopwaarde; invloed van hogere CO2-uitstoot (auto 3 en 4)
4.9.
Ter bepaling van de historische nieuwprijs moet in aanmerking worden genomen het bedrag aan BPM dat voor de te registreren auto verschuldigd zou zijn geweest op het tijdstip waarop deze voor het eerst in gebruik werd genomen. [5] Om de werkelijke waarde(daling) van de te registreren auto zo goed mogelijk te benaderen, moet volgens de Inspecteur in dat geval ook de handelsinkoopwaarde naar boven worden bijgesteld. De handelsinkoopwaarde is blijkens de aangiften gebaseerd op auto’s met een CO2-uitstoot van respectievelijk 178 en 147 gr/km, terwijl de te registreren auto’s een CO2-uitstoot van respectievelijk 285 en 232 gr/km hebben.
4.10.
Naar het oordeel van het Hof is, gelijk de Inspecteur heeft betoogd, een afwijkende CO2-uitstoot een verschil dat in aanmerking moet worden genomen ten opzichte van de handelsinkoopwaarde van het referentievoertuig. [6] Daarbij heeft als uitgangspunt te gelden dat een hogere CO2-uitstoot in zijn algemeenheid een waardeverhogende invloed op de handelsinkoopwaarde zal hebben.
4.11.
Indien, zoals in het onderhavige geval, de inspecteur gemotiveerd de door de belastingplichtige verdedigde vermindering (afschrijving) betwist, ligt het op de weg van de belastingplichtige om de feiten aannemelijk te maken die deze vermindering meebrengen. [7] Naar het oordeel van het Hof brengt deze bewijsregel mee dat de belastingplichtige – in geval van betwisting – het bewijs dient te leveren dat een afwijkende CO2-uitstoot niet leidt tot een hogere handelsinkoopwaarde en dus een lager afschrijvingspercentage van de te registreren auto. Een dergelijke verdeling van de bewijslast ligt te meer voor de hand nu als uitgangspunt heeft te gelden dat een afwijkende CO2-uitstoot in zijn algemeenheid een waardeverhogende invloed zal hebben op de handelsinkoopwaarde. De partij die stelt dat dit uitgangspunt niet opgaat, zoals belanghebbende doet, dient de daarvoor relevante feiten en omstandigheden aan te voeren en zo nodig aannemelijk te maken. [8] Deze bewijslastverdeling brengt mee dat indien er twijfel bestaat over het door belanghebbende gestelde, dit ten nadele werkt van belanghebbende.
4.12.
Belanghebbende is niet in zijn bewijslast geslaagd. Hij heeft op generlei wijze zijn stelling onderbouwd dat de afwijkende CO2-uitstoot geen invloed heeft op de handelsinkoopwaarde, bijvoorbeeld met een koerslijst of deskundigenonderzoek waaruit dit blijkt. De bij de aangiften gevoegde taxatierapporten – welke taxaties zijn gebaseerd op de koerslijst van respectievelijk Eurotax en Xray – voldoen niet, omdat daarin nu juist auto’s met een CO2-uitstoot van respectievelijk 178 en 147 gr/km zijn getaxeerd. Dit betekent dat het Hof ervan uitgaat dat de hogere CO2-uitstoot van de te registreren auto’s een zodanige invloed heeft op de handelsinkoopwaarde dat ondanks de hogere historische nieuwprijs het afschrijvingspercentage daardoor niet wijzigt. Het gelijk is in zoverre aan de Inspecteur.
Handelsinkoopwaarde; waardevermindering wegens schadeverleden (auto’s 1 t/m 5)
4.13.
De Rechtbank heeft schattenderwijs bedragen in mindering gebracht wegens het schadeverleden van de auto’s. De Inspecteur betoogt in hoger beroep dat de Rechtbank ten onrechte deze waardevermindering in aanmerking heeft genomen. Dit betoog slaagt.
4.14.
Belanghebbende is namelijk niet erin geslaagd aannemelijk te maken dat met betrekking tot de auto’s ten opzichte van de koerslijstwaarde sprake is van een waardevermindering wegens het schadeverleden. De taxatierapporten die door belanghebbende bij de aangiften zijn gebruikt, zijn daartoe niet toereikend. Daarin is immers slechts vermeld dat sprake is van een (ernstig) schadeverleden en is in algemene zin verwezen naar een waardecorrectietabel van de Federatie TMV. Deze algemene uitgangspunten zijn onvoldoende om voor deze auto te onderbouwen waarom sprake is van een waardevermindering. [9]
4.15.
Evenmin kan belanghebbende met succes een beroep doen op het discriminatieverbod van artikel 110 VWEU. Zij heeft namelijk niet op basis van een deskundigenonderzoek aangetoond dat ten tijde van de registratie een gelijksoortige, gebruikte personenauto met een vergelijkbaar schadeverleden in Nederland was geregistreerd en wat de waardeverminderende invloed van dat schadeverleden op de handelsinkoopwaarde werkelijk is geweest ten opzichte van gelijksoortige, gebruikte personenauto’s die toentertijd in Nederland waren geregistreerd en niet een dergelijk schadeverleden kenden. Een verwijzing naar een algemeen bekend feit en/of een schatting in goede justitie is niet voldoende. [10] De bij de aangiften gebruikte taxatierapporten voldoen hieraan niet om dezelfde redenen als hiervoor gegeven.
Proceskostenvergoeding bezwaarfase
4.16.
Gelet op het arrest HR 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060, is de Rechtbank wat betreft de bezwaarkostenvergoeding ten onrechte uitgegaan van de ‘lage’ puntwaarde uit het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Ook in zoverre is het hoger beroep van belanghebbende gegrond.
4.17.
Bij de berekening van de bezwaarkostenvergoeding moet worden uitgegaan van de ‘hoge’ puntwaarde in bezwaar. Berekend naar het tarief van 2025 beloopt de vergoeding van de bezwaarkosten € 1.294 (1 punt voor bezwaarschrift, 1 punt voor hoorzitting, wegingsfactor 1, waarde per punt € 647).
Proceskostenvergoeding beroepsfase
4.18.
De Rechtbank heeft voor de beroepsfase aan belanghebbende een proceskostenvergoeding van € 1.674 toegekend, te weten tweemaal € 837 met wegingsfactor 1.
4.19.
Belanghebbende betoogt dat sprake is van vijf samenhangende zaken zodat de Rechtbank wegingsfactor 1,5 had moeten toepassen. Dit betoog kan niet slagen. In het kader van de proceskostenvergoeding is sprake van één zaak en dus niet van meerdere (samenhangende) zaken als het bezwaar of beroep betrekking heeft op één primair besluit of op meerdere primaire besluiten die op hetzelfde aanslagbiljet staan. [11] Eveneens is sprake van één zaak als – zoals in het onderhavige geval – één bezwaar- of beroepschrift is ingediend, ook al heeft dat geschrift betrekking op meer dan één besluit. [12]
4.20.
Ook overigens ziet het Hof geen aanleiding om voor de beroepsfase een hogere wegingsfactor toe te kennen.
Griffierecht Rechtbank
4.21.
Aan belanghebbende is ter zake van vijf auto’s één naheffingsaanslag BPM opgelegd. Nadat belanghebbende daartegen bezwaar heeft gemaakt, heeft de Inspecteur bij één uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag gehandhaafd. Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld bij de Rechtbank. Nu beroep is ingesteld tegen één uitspraak op bezwaar, had de griffier van de Rechtbank moeten volstaan met het heffen van slechts éénmaal griffierecht. Van belanghebbende is evenwel vijfmaal € 360 aan griffierecht geheven, zodat het ten onrechte geheven griffierecht van viermaal € 360, ofwel € 1.440 door de Rechtbank moet worden terugbetaald. Gelet hierop zal het Hof de griffier van de Rechtbank gelasten om het te veel betaalde griffierecht van € 1.440 aan belanghebbende terug te betalen.
Belastingrente
4.22.
Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de in rekening gebrachte belastingrente. Belanghebbende heeft daartegen geen zelfstandige gronden aangevoerd. Nu de naheffingsaanslag niet verder wordt verminderd, bestaat geen aanleiding de in rekening gebrachte belastingrente te verminderen.
Schadevergoeding overschrijding redelijke termijn hoger beroep
4.23.
Het hoger beroepschrift is ontvangen op 8 mei 2023. Met onderhavige uitspraak is de redelijke termijn met zeven maanden overschreden. Naar boven afgerond is dat een jaar. Nu bijzondere omstandigheden die een langere termijn zouden rechtvaardigen zijn gesteld noch gebleken, dient het bedrag van de immateriëleschadevergoeding te worden berekend op € 1.000.
4.24.
De overschrijding kan volledig worden toegerekend aan de fase van hoger beroep, zodat de Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van de schade.
Slotsom
4.25.
Gelet op het overwogene in 4.16 (bezwaarkostenvergoeding) is het hoger beroep van belanghebbende gegrond. Ook het hoger beroep van de Inspecteur is gegrond gelet op het overwogene in 4.13 (schadeverleden).
4.26.
De gegrondverklaring van het hoger beroep van de Inspecteur brengt mee dat de naheffingsaanslag voor wat betreft de auto’s 1, 2, 3 en 5, wordt gehandhaafd en voor wat betreft auto 4 – uitgaande van een historische BPM van € 35.107 (tarief 2015) en een afschrijving van 71,23% – wordt verminderd tot € 7.092. Dit betekent dat de naheffingsaanslag moet worden verminderd tot een bedrag van € 3.162 (auto 1) + € 3.654 (auto 2) + € 8.633 (auto 3) + € 7.092 (auto 4) + € 2.717 (auto 5), ofwel in totaal € 25.258.

5.Griffierecht en proceskosten

5.1.
Het Hof ziet aanleiding voor vergoeding van het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 548.
5.2.
Het Hof vindt bovendien aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.
5.3.
Het Hof stelt de kosten voor verleende rechtsbijstand op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) vast op € 454 voor de hogerberoepsfase (1 punt voor hogerberoepschrift, 1 punt voor zitting, wegingsfactor 0,25, waarde per punt € 907). In de omstandigheid dat de uitspraak van de Rechtbank is vernietigd wegens het toekennen van een te lage bezwaarkostenvergoeding, ziet het Hof aanleiding een wegingsfactor 0,25 aan deze zaak toe te kennen.
5.4.
Wat betreft de vergoeding voor de ‘comparitiefase’ in hoger beroep (zie onderdeel 1.6) ziet het Hof aanleiding artikel 2 lid 3 Bpb toe te passen. Het Hof heeft in die comparitiefase vele zaken (ongeveer honderd) gezamenlijk behandeld met het oog op het structureren van de vele aanhangige hogerberoepsprocedures van de gemachtigde en de Inspecteur door (te pogen om te komen tot) het maken van werkafspraken. Het Hof zal daaraan in de onderhavige zaak geen vergoeding toekennen, omdat de naheffingsaanslag in deze procedure niet wordt verminderd als gevolg van het hoger beroep van belanghebbende.

6.Beslissing

Het Hof:
  • verklaart het hoger beroep van belanghebbende gegrond;
  • verklaart het hoger beroep van de Inspecteur gegrond;
  • vernietigt de uitspraak van de Rechtbank voor wat betreft de beslissingen over de naheffingsaanslag en de bezwaarkostenvergoeding;
  • bevestigt de uitspraak van de Rechtbank voor het overige;
  • vermindert de naheffingsaanslag tot € 25.258;
  • veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende voor de bezwaarfase tot een bedrag van € 1.294;
  • veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende voor de hogerberoepsfase tot een bedrag van € 454;
  • draagt de Inspecteur op het door belanghebbende in hoger beroep betaalde griffierecht van € 548 te vergoeden;
  • veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade tot een bedrag van € 1.000; en
  • gelast de griffier van de Rechtbank het te veel betaalde griffierecht van € 1.440 aan belanghebbende terug te betalen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J.H. van Suilen, raadsheer, in tegenwoordigheid van dr. J.W.J. de Kort als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 december 2025.
De griffier, De raadsheer,
(J.W.J. de Kort) (A.J.H. van Suilen)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Vgl. conclusie A-G Ettema 30 mei 2025, ECLI:NL:PHR:2025:626, onderdeel 5.21.
2.Vgl. HR 3 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1472, r.o. 4.6.
3.Vgl. HR 3 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:561, r.o. 3.4.3.
4.Vgl. HR 6 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:860, r.o. 3.3.
5.HR 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1703, r.o. 3.2.4.
6.Vgl. HR 12 mei 2023, ECLI:NL:HR:2023:692, r.o. 2.4.3.
7.HR 2 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:147, r.o. 3.5.3.
8.Hof Arnhem-Leeuwarden 12 maart 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:1852 en 1858; Hof Arnhem-Leeuwarden 11 juni 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:3914; Hof Arnhem-Leeuwarden 23 juli 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:4876.
9.Hof Arnhem-Leeuwarden 7 oktober 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:6236, r.o. 4.11.
10.HR 2 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:147, r.o. 3.6.2.
11.HR 13 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0892, r.o. 3.3.3; HR 12 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ6822, r.o. 3.4.
12.HR 15 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT3953.