In deze zaak staat centraal of belanghebbende aannemelijk heeft gemaakt dat het werkelijk rendement op het vermogen in box 3 lager is dan het forfaitaire rendement van € 38.318 dat door de Inspecteur is vastgesteld voor het jaar 2018. De rechtbank had het beroep van belanghebbende gegrond verklaard en de aanslag verminderd, maar het gerechtshof vernietigt deze uitspraak en verklaart het hoger beroep van de Inspecteur gegrond.
Het hof baseert zich op het arrest van de Hoge Raad van 6 juni 2024, waarin is bepaald dat het werkelijk rendement moet worden vastgesteld over het gehele vermogen, inclusief banktegoeden, en dat ongerealiseerde verliezen niet in aanmerking kunnen worden genomen. Belanghebbende heeft onvoldoende onderbouwing geleverd voor een lager werkelijk rendement, mede omdat kosten van beheer niet mogen worden afgetrokken en de waardeveranderingen niet adequaat zijn toegelicht.
Daarnaast heeft belanghebbende voor het eerst in hoger beroep een vergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn gevorderd. Het hof constateert dat de redelijke termijn met meer dan een half jaar is overschreden en kent een immateriële schadevergoeding van € 1.000 toe, waarvan de helft aan belanghebbende toekomt.
Het hof vernietigt de uitspraak van de rechtbank, verklaart het beroep van de Inspecteur gegrond, vernietigt de uitspraak op bezwaar, verlaagt de aanslag zoals ambtshalve verminderd en veroordeelt de Staat tot betaling van de immateriële schadevergoeding van € 500 aan belanghebbende.