Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:1330

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
23/1158
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 EPArt. 14 EVRMArt. 8:36c Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over werkelijk rendement box 3 en immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding

In deze zaak staat centraal of belanghebbende aannemelijk heeft gemaakt dat het werkelijk rendement op het vermogen in box 3 lager is dan het forfaitaire rendement van € 38.318 dat door de Inspecteur is vastgesteld voor het jaar 2018. De rechtbank had het beroep van belanghebbende gegrond verklaard en de aanslag verminderd, maar het gerechtshof vernietigt deze uitspraak en verklaart het hoger beroep van de Inspecteur gegrond.

Het hof baseert zich op het arrest van de Hoge Raad van 6 juni 2024, waarin is bepaald dat het werkelijk rendement moet worden vastgesteld over het gehele vermogen, inclusief banktegoeden, en dat ongerealiseerde verliezen niet in aanmerking kunnen worden genomen. Belanghebbende heeft onvoldoende onderbouwing geleverd voor een lager werkelijk rendement, mede omdat kosten van beheer niet mogen worden afgetrokken en de waardeveranderingen niet adequaat zijn toegelicht.

Daarnaast heeft belanghebbende voor het eerst in hoger beroep een vergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn gevorderd. Het hof constateert dat de redelijke termijn met meer dan een half jaar is overschreden en kent een immateriële schadevergoeding van € 1.000 toe, waarvan de helft aan belanghebbende toekomt.

Het hof vernietigt de uitspraak van de rechtbank, verklaart het beroep van de Inspecteur gegrond, vernietigt de uitspraak op bezwaar, verlaagt de aanslag zoals ambtshalve verminderd en veroordeelt de Staat tot betaling van de immateriële schadevergoeding van € 500 aan belanghebbende.

Uitkomst: Het hoger beroep van de Inspecteur wordt gegrond verklaard en de aanslag IB/PVV 2018 wordt verlaagd zoals ambtshalve verminderd, met een immateriële schadevergoeding van € 500 aan belanghebbende.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 23/1158
uitspraakdatum: 3 maart 2026
Uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
de
inspecteurvan de
Belastingdienst/Kantoor Eindhoven(hierna: de Inspecteur)
en
de Staat der Nederlanden(Minister van Veiligheid en Justitie, hierna: de Staat)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 24 februari 2023, nummer AWB 21/2717, ECLI:NL:RBGEL:2023:953, in het geding tussen de Inspecteur en
de erven [erflater]te
[woonplaats](hierna: belanghebbende)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Aan [erflater] (hierna: erflater) is voor het jaar 2018 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd. De aanslag is berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning (box 1) van € 42.297 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (box 3) van € 39.596.
1.2.
De Inspecteur heeft het bezwaar tegen de aanslag gesplitst in twee delen: het ene deel is betrokken in een massaal bezwaarprocedure en het andere (individuele) deel is bij uitspraak op bezwaar van 20 april 2021 ongegrond verklaard.
1.3.
Erflater is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd, de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 42.297 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 16.087 en gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het griffierecht vergoedt.
1.4.
De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Erflater heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 december 2025. Daarbij zijn verschenen en gehoord mr. [naam1] en mr. [naam2] namens de Inspecteur. De gemachtigde van belanghebbende is zonder kennisgeving niet ter zitting verschenen. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.
1.6.
De griffier heeft op 14 oktober 2025 een bericht in het digitale dossier van belanghebbende geplaatst waarbij de gemachtigde is uitgenodigd voor de zitting. Van de plaatsing van het hiervoor vermelde bericht in dit digitale dossier is, volgens de – bij deze uitspraak gevoegde – loggegevens op 14 oktober 2025, om 14:50 uur, een kennisgeving verzonden naar het door de gemachtigde voor dit doel opgegeven e-mailadres. Op grond hiervan neemt het Hof aan dat de gemachtigde dit bericht heeft ontvangen, en wel, gelet op artikel 8:36c, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, op 14 oktober 2025.

2.Vaststaande feiten

2.1.
Erflater woonde in 2018 samen met [(fiscaal) partner] (hierna: de partner). Zij waren in 2018 fiscaal partner van elkaar.
2.2.
Tot de bezittingen van erflater en de partner behoren banktegoeden tot bedragen van € 503.323 (in Nederland) en € 5.855 (in het buitenland), beleggingen tot een bedrag van € 1.324.016 en onroerend goed in het buitenland tot een bedrag van € 145.367.
2.3.
Het bezwaar van erflater tegen de aan hem opgelegde aanslag IB/PVV 2018 is door de Inspecteur op 29 december 2020 ontvangen. Het individuele bezwaar heeft de Inspecteur op 20 april 2021 ongegrond verklaard.
2.4.
Bij beschikking van 16 november 2022 is het inkomen uit sparen en beleggen in de aanslag IB/PVV 2018 ambtshalve verminderd tot € 38.318 (hierna: de beschikking rechtsherstel). Hierbij is uitgegaan van een grondslag sparen en beleggen van € 1.918.561 en een aandeel grondslag dat aan erflater wordt toegekend van € 953.194. Nadien is bij beschikking van 8 december 2022 de aanslag IB/PVV 2018 verder verminderd in verband met een wijziging van de aftrek elders belast met € 300.
2.5.
Op 7 maart 2024 heeft het Hof partijen laten weten behandeling van de zaak aan te houden totdat de Hoge Raad heeft beslist in de zaken waarin A-G Wattel (1 september 2023, ECLI:NL:PHR:2023:655) en A-G Pauwels (9 februari 2024, ECLI:NL:PHR:2024:1) conclusies hebben genomen. Op 6 juni 2024 zijn in deze zaken arresten gewezen. [1] Het Hof heeft erflater verzocht deze arresten in een reactie mee te nemen.
2.6.
Op 14 augustus 2024 heeft erflater het verweerschrift aangevuld.
2.7.
Op 29 november 2024 heeft de Inspecteur de gronden van het hoger beroep aangevuld.
2.8.
Bij brief van 12 december 2024 is erflater door het Hof in de gelegenheid gesteld te reageren op de volgende passage uit het schrijven van de Inspecteur van 29 november 2024:
“Ervan uitgaande dat hetgeen belanghebbende stelt over deze beleggingsrekeningen juist is, zou sprake zijn van een ongerealiseerd koersverlies dat het directe rendement overtreft. Indien belanghebbende dit met bescheiden van deze beleggingsrekeningen kan onderbouwen, kan een zitting in deze procedure wellicht worden voorkomen. Het is namelijk mogelijk dat bij nader inzien blijkt dat het werkelijke rendement in dat geval negatief is, wat betekent dat het conform de recente overwegingen van de Hoge Raad op nihil vastgesteld dient te worden.”
2.9.
Erflater heeft op 30 december 2024 gereageerd op bovenstaand verzoek (zie 4.3.).
2.10.
Partijen zijn op 4 februari 2025 uitgenodigd voor een zitting op 26 maart 2025.
2.11.
Het Hof heeft op 6 maart 2025 van mr. [naam3] (de gemachtigde) een verzoek om uitstel van de behandeling ter zitting ontvangen, omdat erflater is opgenomen in het ziekenhuis. Hierop heeft het Hof de zaak aangehouden.
2.12.
Erflater is op 8 maart 2025 overleden.
2.13.
Op 19 mei 2025 heeft het Hof aan de gemachtigde het volgende bericht gestuurd:
“Wij hebben uw aanmelding in bovenvermelde zaak ontvangen. Uw aanmelding is verwerkt en u kunt vanaf nu digitaal procederen in deze zaak. Alle tot nu toe in het digitale dossier opgenomen stukken worden gelijktijdig met dit bericht aan u verzonden en in uw dossier zichtbaar. Zo is uw digitale dossier compleet.”
2.14.
Bij schrijven van 19 mei 2025 verzoekt de gemachtigde uitstel van de behandeling, omdat bij de partner longkanker is geconstateerd en zij daarvoor in behandeling is.
2.15.
Op 22 mei 2025 is door het Hof aan de gemachtigde bevestigd dat het plannen van de zitting met 3 maanden is uitgesteld.
2.16.
Op 14 oktober 2025 is belanghebbende uitgenodigd voor de zitting van 11 december 2025.

3.Geschil

In geschil is of belanghebbende aannemelijk heeft gemaakt dat het werkelijk rendement op het vermogen lager is dan € 38.318.

4.Beoordeling van het geschil

4.1.
De Rechtbank heeft, in navolging van de uitspraak van dit Hof van 7 februari 2023 [2] geoordeeld dat bij het belasten van inkomsten uit sparen en beleggen op basis van het werkelijk behaalde rendement geen plaats is voor het in aanmerking nemen van (ongerealiseerde) verliezen ter zake van aandelen waarvan het in het geheel niet zeker is dat een verlies zich daadwerkelijk voor zal doen en dat bij de bepaling van het werkelijk rendement dient te worden gegaan van de daadwerkelijk ontvangen rente- en dividendinkomsten.
4.2.
De Hoge Raad heeft in een arrest van 6 juni 2024 [3] geoordeeld dat moet worden aangenomen dat ook bij degene die door het forfaitaire stelsel van de Wet rechtsherstel box 3 (de Herstelwet) wordt geconfronteerd met een heffing naar een voordeel uit sparen en beleggen dat hoger is dan het werkelijke rendement een schending optreedt van zijn door artikel 1 EP Pro in samenhang met artikel 14 EVRM Pro gewaarborgde rechten. Hierbij gaat het om een vergelijking tussen het werkelijke en het forfaitair bepaalde rendement, waarbij het rendement op het gehele vermogen (zonder aftrek van het bedrag van het heffingvrije vermogen) van de belastingplichtige in box 3 in de beschouwingen dient te worden betrokken (dus met inbegrip van de banktegoeden) en niet alleen het rendement op bepaalde vermogensbestanddelen of categorieën vermogensbestanddelen. Voor de vaststelling van het werkelijke rendement op het gehele vermogen in box 3 moet gekeken worden naar het saldo van positieve en negatieve resultaten van de verschillende vermogensbestanddelen in het desbetreffende jaar. [4] Bij de vaststelling van het rendement op bezittingen kan geen rekening worden gehouden met kosten. [5] De bewijslast voor de stelling dat het werkelijke rendement lager is dan het (laagste) forfaitair berekende rendement, rust op de belastingplichtige die deze stelling inneemt. [6]
4.3.
Met betrekking tot de beleggingen heeft belanghebbende inzake gerealiseerde dividenden het volgende geschreven:
- dividend Zelfbeleggen € 4.464 (kosten beheer € 216)
- dividend Vermogensbeheer € 39.300 (kosten beheer € 13.161)
Met betrekking tot de waarde van de beleggingen heeft belanghebbende de volgende informatie gegeven:
waarde 1/1/2018 waarde 31/12/2018 mutatie
- waarde zelfbeleggen € 146.369 € 123.438 - € 22.931
- waarde vermogensbeheer € 1.177.647 € 1.082.865 - € 94.782
Belanghebbende heeft verder de volgende toelichting gegeven:
“Er is in de Zelf-beleggen portefeuille geen sprake van gerealiseerde waardeveranderingen; er zijn geen wijzigingen aangebracht in de portefeuille, anders dan herinvestering van dividend. Mutaties in de Vermogensbeheer portefeuille (Mandaat) betreffen opnames en stortingen die niet eenvoudig individueel van het etiket gerealiseerd rendement of ongerealiseerd rendement voorzien kunnen worden. De portefeuille als geheel is in beginsel “vast”; de waardeverandering moet daarom voorlopig als ongerealiseerd rendement beschouwd worden.
(…)
Het definiëren van de manier om ongerealiseerde waardeveranderingen te bepalen als onderdeel van werkelijk rendement vormt nog onderwerp van nadere uitwerking.”
4.4.
Belanghebbende heeft met betrekking tot de aandelen die worden beheerd weliswaar aangegeven wat de waarde van deze beleggingen begin en eind 2018 was, maar niet of, en zo ja in hoeverre deze waardeverandering is ontstaan door stortingen in of onttrekkingen aan deze beleggingsportefeuille. Anders dan belanghebbende stelt, kan – zo volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 6 juni 2024 – met kosten van beheer bij het bepalen van het werkelijk rendement geen rekening worden gehouden. Belanghebbende heeft de door haar in de brief van 30 december 2024 gepresenteerde cijfers niet onderbouwd met schriftelijke bescheiden.
4.5.
Gelet op het bovenstaande heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat het werkelijke rendement lager is dan het op basis van de Herstelwet berekende forfaitaire rendement.
4.6.
Belanghebbende heeft - voor het eerst in hoger beroep - verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het bezwaar is door de Inspecteur ontvangen op 29 december 2020. Sedertdien zijn 5 jaar en 2 maanden verstreken. Op 7 maart 2024 heeft het Hof partijen medegedeeld dat behandeling van de zaak wordt aangehouden totdat de Hoge Raad arrest had gewezen in vergelijkbare zaken waarin conclusie was genomen. De Hoge Raad heeft in deze zaken arrest gewezen op 6 juni 2024. Dat betekent dat de termijn waarin uitspraak in hoger beroep dient te worden gedaan 4 jaar en 3 maanden bedraagt. Dit brengt mee dat de redelijke termijn met meer dan 0,5 jaar, maar minder dan 1 jaar is overschreden, zodat het Hof een vergoeding voor immateriële schade van € 1.000 zal toekennen, te vergoeden door de Staat. Deze zaak hangt samen met die van de partner, zodat aan belanghebbende de helft van dit bedrag (€ 500) toekomt.
Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep van de Inspecteur gegrond.

5.Proceskosten

Niet gesteld of gebleken is dat belanghebbende voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten heeft gemaakt.

6.Beslissing

Het Hof:
– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht,
– verklaart het beroep gegrond,
– vernietigt de uitspraak op bezwaar,
– verlaagt de aanslag IB/PVV 2018 zoals ambtshalve verminderd bij de beschikking van 8 december 2022,
– veroordeelt de Staat tot het betalen van een immateriële schadevergoeding van € 500.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A.V. Boxem, voorzitter, mr. M.M. Breij en mr. A.J. van Lint, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Riethorst als griffier.
De beslissing is op 3 maart 2026 in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De voorzitter,
(J.H. Riethorst) (R.A.V. Boxem)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.