Conclusie
Overzicht
junctoart. 1 Protocol Pro I EVRM (eigendomsgrondrecht) wegnemen of laten voortduren. Het grondrechtelijk onoverkomelijke bezwaar tegen box 3 2017 was de willekeurige overbelasting van risicomijders en onfortuinlijken veroorzaakt door de onaanvaardbaar grote spreiding van individuele nettovermogensrendementen rond het onweerlegbaar voorgeschreven gemiddelde dat elke vermogensbezitter geacht werd te genieten ongeacht diens feitelijke vermogenssamenstelling en diens feitelijke rendement of verlies. Risicomijders en onfortuinlijken betaalden daardoor structureel (veel) te veel belasting en fortuinlijke risiconemers structureel (veel) te weinig. Het discriminatieverbod wordt immers geschonden als “States without an objective and reasonable justification fail to treat differently persons whose situations are significantly different”, aldus het EHRM.
wide margin of appreciationhet sinds 2017 geldende box 3-stelsel de EVRM-proportionaliteits-toets niet kan doorstaan bij gebrek aan een redelijke verhouding tussen de belangen die de wetgever wil dienen en de fiscale discriminatie die zijn stelsel veroorzaakt. Uitvoerbaarheidswensen en budgettaire overwegingen kunnen niet het aanzienlijke fiscale onderscheid rechtvaardigen tussen degenen die positieve vruchten plukken van hun risicovolle beleggingen en die ook fiscaal bevoorrecht worden, en degenen aan wie dat fortuin voorbij gaat en die een zware belastingschuld krijgen toebedeeld.
altijd– per definitie van ‘gemiddelde’ - tot discriminerende en privilegiërende belastingheffing, tenzij de standaarddeviatie (de spreiding rond het gemiddelde) verwaarloosbaar zou zijn,
quod non. Integendeel: de heterogeniteit van individuele beleggingsresultaten is juist zeer groot, óók
binnenverschillende categorieën vermogenstitels. Zoals uit de conclusie voor HR
BNB2021/149 [1] al genoegzaam volgde, staat met empirische onderzoek uit 2019 vast dat over een lange periode bezien het gemiddeld behaalde reële rendement op privévermogen circa 3,8% beloopt en dat de standaarddeviatie circa 8,6% beloopt. De spreiding rond dat gemiddelde is dus enorm en het belasten van alle privévermogensbezitters alsof zij dat gemiddelde rendement zouden hebben genoten is systemische willekeur. Een over een lange periode uit het verleden berekend gemiddeld rendement zegt bovendien niet noodzakelijkerwijs veel over het gemiddelde vermogensrendement in een specifiek jaar. Het zegt hoe dan ook
nietsover het feitelijke vermogensrendement of -verlies van enige individuele belastingplichtige in welk jaar dan ook.
benadert, is volstrekt afhankelijk van de standaarddeviatie, die bij beleggingsresultaten dus veel te groot is om een gemiddelde als ‘forfait’ te kunnen presenteren. Een beleggingsresultaatheffing naar een gemiddelde is een volledige ontkenning van zowel het enige relevante criterium voor een inkomstenbelasting naar draagkracht (de beleggingsresultaten van de
individuelebelastingplichtige
in het specifieke jaarwaarover wordt geheven) als van de discriminatie- en privilegeverboden. Voor statistibete politici ware daarom rechtskundig héél duidelijk te maken dat - hoe een inkomstenbelasting naar een gemiddeld beleggingsresultaat ook wordt gepresenteerd, op basis van welke al dan niet geshopte cijfers uit welk verleden dan ook - zij
nooit, onder geen enkele omstandigheid, als benadering van feitelijke individuele beleggingsresultaten kan worden aanvaard. Een gemiddeldebelasting is grondrechtelijk een onbegaanbare weg wegens systemische onverenigbaarheid met het discriminatieverbod en het eigendomsgrondrecht, óók als de enorme standaarddeviatie verkleind zou kunnen worden door afzonderlijke gemiddelden per vermogenstitel te berekenen of door het jaargemiddelde te gebruiken in plaats van langjarige gemiddelden uit het verleden. Ook dan over- of onderbelast een gemiddeldebelasting nog steeds systemisch
alle outlyers. Ook binnen de verschillende soorten beleggingen is de heterogeniteit van individuele rendementen immers veel te groot én de spreiding is bovendien intergenerationeel. Daar komt nog bij dat het (beleggings)vermogen van een belastingplichtige op 1 januari niets te maken hoeft te hebben met diens gemiddelde (beleggings)vermogen gedurende het gehele belastingjaar.
beter- het werkelijke nettorendement van de belastingplichtige op diens gehele vermogen benaderen. Verliezen en winsten en hoge en lage rendementen op specifieke vermogensbestanddelen moeten dan gesaldeerd worden. Het is niet de bedoeling dat per vermogenstitel bezien wordt of het wettelijke rendement gehaald wordt. Het Hof had mijns inziens daarom het feitelijke nettorendement op het totale vermogen moeten vergelijken met het wettelijke rendement. Een schending van EVRM-rechten kan pas aangenomen worden als dat feitelijke nettorendement significant lager is dan het wettelijke. Het zou de feitenrechtspraak zeer helpen als u die significantie kwantificeert, dus aangeeft in hoeverre uw term ‘op rechtsherstel gerichte compensatie’ in het Kerstarrest een marge toelaat tussen heffing op basis van het werkelijke nettorendement en heffing op basis van het wettelijke rendement.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
BNB2022/27 [4] (zie 5.1 hieronder) in de massaal-bezwaarprocedure tegen de box 3-heffing vanaf 2017 nog niet gewezen. Omdat aldus de vraag naar de systemische (on)verenigbaarheid van box 3 met het discriminatieverbod (art. 14 EVRM Pro) en het eigendomsgrondrecht (art. 1 Protocol Pro I EVRM) nog aanhangig was, heeft de Rechtbank zich beperkt tot de vraag of op de belanghebbenden een individuele en buitensporige last werd gelegd door de box 3-heffing te hunnen laste. De Rechtbank meende van niet, gelet op hun totale vermogen en liquiditeitspositie.
BNB2022/27. Gelet op dat arrest, op het werkelijke rendement op de VvE-reserve en op art. 5:126(3) BW, dat een VvE in beginsel verplicht om haar reserve aan te houden op een bankrekening, achtte het Hof het door het Herstelbesluit geboden rechtsherstel onvoldoende en heeft hij het belastbare rendement op de VvE-reserves bepaald op 0,12%:
NTFR2023/185:
FutD2023-0216 annoteerde:
3.Het geding in cassatie
BNB2022/27 bedoelde rechtsherstel en hij heeft er na voor gekozen om de categorie ‘overige bezittingen’ niet uit te splitsen in verschillende vermogensbestanddelen met elk een eigen wettelijk rendement. De Herstelwet biedt geen mogelijkheid om, als het werkelijke rendement op een bezitting lager is dan het wettelijke rendement, bij de berekening van het box 3-inkomen uit te gaan van een andere vermogenscategorie met een lager wettelijk rendement De wetgever heeft voor de drie vermogenscategorieën aparte rendementspercentages vastgesteld, waarbij hij is uitgegaan van een breed rendementsbegrip dat zowel direct rendement zoals rente en dividend omvat als gerealiseerde en ongerealiseerde waardemutaties. Met de tekst en de bedoeling van de Herstelwet in onverenigbaar om bij een werkelijk rendement op een overige bezitting lager dan de wettelijke 5,38% dit wettelijke percentage ter zijde te stellen en te vervangen door een lager percentage. Het Hof had slechts moeten onderzoeken of met de Herstelwet “in zijn algemeenheid naar redelijkheid op een zo rechtvaardig, aanvaardbaar en uitvoerbaar mogelijk manier rechtsherstel wordt geboden.” Op basis van dat criterium doorstaat die wet volgens de Staatssecretaris de proportionaliteitstoets van het EHRM. Gegeven de genoemde ruime beoordelingsvrijheid, bestaat volgens hem een redelijke verhouding tussen de gehanteerde middelen en het beoogde doel van de heffing, mede gelet op het maatschappelijke en budgettaire belang van een heffing op vermogensinkomsten, op de nadelen en onmogelijkheden van overwogen alternatieven, waaronder de beperkte uitvoeringscapaciteit bij de Belastingdienst, en op het feit dat wordt gewerkt aan een zo spoedig mogelijke invoering van een heffing op basis van werkelijk rendement. De door de wetgever gemaakte afwegingen moeten zijns inziens worden gerespecteerd, tenzij zij evident van elke redelijke grond zouden zijn ontbloot. Dat is volgens de Staatssecretaris niet het geval. Het Hof gaat er zijns inziens “aan voorbij dat de vormgeving van het rechtsherstel gepaard is gegaan met een door de wetgever gemaakte afweging van uitvoeringstechnische, maatschappelijke, politieke en budgettaire aspecten.”
4.De wet en het besluit
junctohet in 6.1-6.4 hierna te bespreken Besluit Rechtsherstel box 3, dat op 1 januari 2023 met terugwerkende kracht voor de jaren 2017 t/m 2022 is gecodificeerd met de Wet Rechtsherstel box 3. [8] Art. 3 van Pro die Herstelwet bepaalt (conform het stappenplan in onderdeel 3.1 van het Herstelbesluit) met terugwerkende kracht voor de jaren 2017-2022:
junctoart. 1 Protocol Pro I EVRM):
V-N2022/2.3 vraagt zich af hoe het werkelijk door de belastingplichtige behaalde rendement bepaald moet worden:
FED2022/9) voorziet veel discussie bij de bepaling van het werkelijke individuele rendement:
BNB2022/27) stelt deze vragen, naast de vraag of het onderrendement per vermogensonderdeel of over het gehele vermogen moet worden getoetst:
6.Rechtsherstel door de executieve en met terugwerkende kracht door de wetgever
mogelijk”, waarbij “uitvoerbaar” kennelijk overheerst, nu het besluit erop is “gericht om op een geautomatiseerde wijze uitvoering te geven aan het (…) arrest.”
i.e.het gemiddelde beleggingsrendement dat in het Kerstarrest de proportionaliteitstoets niet doorstond: 5,39% voor 2017, 5,38% voor 2018, 5,59% voor 2019, 5,28% voor 2020, 5,69% voor 2021 en 5,53% voor 2022 (zie 4.4 hierboven). Inmiddels (2023) is het 6,17% (zie 4.2 hierboven).
de factode introductie van een stelsel op basis van werkelijk rendement vanaf 2017” zou zijn. [33]
Achtergrond stelsel op basis van werkelijk rendement
7.Literatuur
8.Wat de feitenrechters uit het Kerstarrest hebben afgeleid
BNB2021/149 [59] met statistische analyse dat was voor de massaal-bezwaarprocedure over het 2017-systeem. [60]
werkelijkerendement op hun onroerend goed was volgens de belanghebbenden echter (veel) lager dan het door de Herstelwet/het Herstelbesluit gefingeerde rendement.
ongerealiseerde vermogenswinst was overigens evenmin gebleken, maar ongerealiseerde resultaten doen volgens het Hof Den Bosch
überhauptniet mee: [61]
bepaaldvermogensbestanddeel (de aandelen in de VvE-reserves) lager is dan het onweerlegbaar daarvoor voorgeschreven rendement, hoewel het vermogen van de belanghebbenden voor meer dan 99% uit andere vermogensbestanddelen dan die aandelen bestaat. De Rechtbank Noord-Holland is in twee uitspraken van 14 februari 2023 [70] wel ingegaan op de wettelijk voor alle beleggers gelijk veronderstelde vermogensmix in twee zaken waarin de belanghebbenden naast spaargeld slechts één overige bezitting hadden, nl. een niet-verhuurde tweede woning. In die zaken hoefde echter geen rechtsherstel verleend te worden omdat de belanghebbenden die tweede woning toevallig net in het geschiljaar met vermogenswinst hadden verkocht:
9.Analyse
Algemeen – biedt de Herstelwet rechtsherstel aan degenen die het behoeven?
BNB2022/27 geconstateerde schending van art. 14 EVRM Pro (discriminatieverbod)
junctoart. 1 Protocol Pro I EVRM (eigendomsgrondrecht) wegnemen of laten voortduren.
wide margin of appreciationvoor de belastingheffende Staat in redelijkheid niet kan worden gezegd dat het sinds 2017 geldende box 3-stelsel de uit het EVRM voortvloeiende proportionaliteitstoets kan doorstaan, nu een redelijke verhouding ontbreekt tussen de belangen die de wetgever wilde dienen en de fiscale discriminatie die zijn stelsel veroorzaakt. Begrijpelijke uitvoerbaarheidswensen en budgettaire overwegingen kunnen niet het aanzienlijke verschil in behandeling rechtvaardigen tussen degenen die positieve vruchten plukken van hun risicovolle beleggingen en die ook fiscaal bevoorrecht worden, en degenen aan wie dat fortuin is voorbij gegaan en aan wie een relatief zware belastingschuld wordt toebedeeld (fiscale discriminatie).
BNB2021/149 [78] al genoegzaam volgde (zie voor het relevante onderdeel 6 uit die conclusie de onder deze conclusie geplakte bijlage), staat met het in die conclusie geciteerde uitzonderlijk goede empirische onderzoek uit 2019 van Andreas Fagereng c.s. naar de
Heterogeneity and persistence in returns to wealth [79] vast dat over een lange periode (elf jaar) bezien het gemiddeld behaalde reële rendement op Noors privévermogen circa 3,8% beloopt en dat de standaarddeviatie circa 8,6% beloopt (2,26 keer dat gemiddelde). Er is geen aanleiding om te veronderstellen dat dit in Nederland of een ander West-Europees land anders zou zijn. Dat betekent dat de spreiding rond dat gemiddelde enorm is en dat het belasten van alle vermogensbezitters alsof zij dat gemiddelde rendement zouden hebben genoten systemische willekeur is. Om niet in herhaling van statistische analyse te vervallen verwijs ik naar het onder deze conclusie geplakte onderdeel 6 van de genoemde conclusie voor HR
BNB2021/149. Naar welk gemiddelde beleggingsrendement een staat ook inkomstenbelasting heft, de ondergemiddeld fortuinlijken betalen
altijd(per definitie van ‘gemiddelde’) structureel (veel) te veel belasting en de bovengemiddeld fortuinlijken structureel (veel) te weinig. Ik laat dan nog daar dat een over een lange periode uit het verleden berekend gemiddeld rendement niet noodzakelijkerwijs veel zegt over het gemiddelde vermogensrendement in enig
specifiekjaar. Het zegt hoe dan ook
nietsover het feitelijke vermogensrendement of -verlies van enige individuele belastingplichtige in welk jaar dan ook.
niet-discriminerende forfaits zoals bijvoorbeeld waardeklassen voor vastgoedwaardering zijn immers toelaatbaar. Dat arrest zegt wel dat, gegeven de strekking van box 3, de heffingsgrondslag de werkelijke vermogensinkomsten van de belastingplichtige in het desbetreffende jaar moet benaderen en niet tot willekeur mag leiden door het negeren van de werkelijke vermogensmix en het werkelijke rendement. De wetgever mag risicomijders en onfortuinlijken niet laten opdraaien voor een fiscaal privilege voor fortuinlijke risicozoekers.
altijd– per definitie van ‘gemiddelde’ – tot discriminerende en privilegiërende heffing leidt, tenzij de standaarddeviatie (de heterogeniteit van individuele beleggingsopbrengsten) verwaarloosbaar zou zijn,
quod non. Integendeel: het staat empirisch-wetenschappelijk juist vast dat de heterogeniteit van individuele beleggings-resultaten zeer groot is, óók
binnende verschillende categorieën vermogenstitels. Ik verwijs naar de als bijlage onder deze conclusie geplakte onderdelen uit deel 6 van de conclusie voor HR
BNB2021/149 met statistische analyse.
negatief0,5%. De werkelijke belastingdruk op staatsobligatierendement in de periode 2017-2022 beloopt daarmee volgens de Herstelwet tussen 158% en oneindig. De rente is pas onlangs weer gaan stijgen.
benadert, is volstrekt afhankelijk van de standaarddeviatie, die bij beleggingsresultaten dus véél te groot is om enig gemiddeld rendement als ‘forfait’ te presenteren,
i.e.als benadering van het werkelijke individuele beleggingsresultaat. Een beleggingsrendementsheffing naar een macro-gemiddeld beleggingsrendement is een volledige ontkenning van zowel het enige relevante criterium voor een inkomstenbelasting naar draagkracht (de beleggingsresultaten van de
individuelebelastingplichtige in het
specifieke jaarwaarover wordt geheven) als van de discriminatie- en privilegeverboden. Ik herhaal (zie de bijlage onder deze conclusie) dat het per definitie onmogelijk is dat ondergemiddelden ooit het gemiddelde zullen halen en dat, andersom, per definitie de bovengemiddelden nooit hun
fair sharevan de box 3-heffing zullen betalen, ook niet onder de Herstelwet en de Overbruggingswet. Dat is immers het systeem.
nooit, onder geen enkele omstandigheid, kan gelden als benadering van werkelijke individuele beleggingsrendementen; daarvoor is de empirisch vast staande spreiding rond dat gemiddelde domweg veel te groot. Een gemiddeldebelasting is een grondrechtelijk onbegaanbare weg. Zo’n heffing is systemisch onverenigbaar met het discriminatieverbod en het eigendomsgrondrecht, óók als de enorme standaarddeviatie verkleind zou kunnen worden door afzonderlijke gemiddelden per vermogenstitel te berekenen of door de jaargemiddelden in plaats van langjarige gemiddelden uit een verleden te gebruiken. Ook dan over- of onderbelast een gemiddeldebelasting immers nog steeds systemisch alle
outlyers. Ook
binnende verschillende soorten beleggingen is de heterogeniteit van individuele rendementen immers nog veel te groot én de spreiding is bovendien intergenerationeel, zo blijkt uit de genoemde empirische studie van Fagereng c.s. Ik verwijs opnieuw naar de als bijlage onder deze conclusie geplakte onderdelen uit deel 6 van de conclusie voor HR
BNB2021/149.
BNB2018/137 [80] van de bejaarde met verder alleen een klein pensioen die op 31 januari 2013 zijn gehele vermogen ad € 290.955 in aandelen SNS had gestopt, waarna de Staat die aandelen op de volgende dag onteigende zonder vergoeding; de bejaarde werd desondanks aangeslagen voor een fictief jaarrendement over een gedurende elf maanden door staatsingrijpen niet-bestaand vermogen.
niet-beleggers zoals eigenaren van niet-verhuurde tweede woningen. De geprivilegieerde bovengemiddeld fortuinlijken daarentegen laten uiteraard niet van zich horen.
Concreet - de zaken van de belanghebbenden
gehelevermogen niet dicht genoeg te naderen. Met box 3 beoogt de wetgever ook vanaf 2017 en ook onder de Herstelwet nog steeds – naar eigen zeggen zelfs
beter– het werkelijke rendement van de belastingplichtige op diens
gehelenettovermogen te benaderen. Verliezen en winsten en hoge en lage rendementen op verschillende bestanddelen van dat vermogen moeten mijns inziens dan gesaldeerd worden. Het is niet de bedoeling dat separaat per vermogensbestanddeel – zoals een aandeel in een VvE-reserve, een sojabonentermijncontract of een crypto-belegging – bezien wordt of het wettelijke rendement gehaald wordt en zo neen, om alleen voor dat specifieke vermogensbestanddeel bij het werkelijke rendement aan te sluiten. In de zaak HR
BNB2015/174 [82] oordeelde u al dat voor schending van art. 1 Protocol Pro I EVRM niet voldoende is dat het rendement van een
bepaaldebezitting structureel blijft beneden 4% van het daarin geïnvesteerde bedrag, nu het bij box 3 om het totale nettorendement op het totale vermogen van de belastingplichtige gaat.
Fierensmarge-arrest HR
BNB2010/335, [83] een marge
überhaupttoelaatbaar is. Ik herhaal dat ik het verschil voor de belastingplichtigen niet zie tussen een
procedurelewet die zegt dat over onjuiste vaststelling van de heffingsgrondslag niet geprocedeerd kan worden als die onjuistheid binnen een bepaalde marge blijft (onaanvaardbaar, volgens u) en een
materiëlewet die de heffingsgrondslag in het licht van het doel van de heffing manifest onjuist vaststelt. In het al genoemde arrest HR
BNB2015/174 [84] liet u een marge van 10% toe tussen de marktwaarde van verhuurde woningen in box 3 en de uitkomst van de wettelijke waardering op basis van een leegwaarderatio, maar die zaak ging niet over – exact meetbare – werkelijke
inkomsten, maar over een intrinsiek aan taxateursappreciatie onderhevige
waarderingvan een beschermd verhuurde onroerende zaak die niet op de markt was.
10.Conclusie
BNB2021/149, met noot Heithuis:
margin of appreciation“will vary according to the circumstances, the subject matter and the background.”
per definitiestructureel in dezelfde mate (veel) teveel belasting als de bovengemiddelden structureel (veel) te weinig betalen.
procentueelrendement oplevert;
BNB2019/161 op dat “wat een belanghebbende ook zal aandragen, een inspecteur zal daartegenover altijd cijfers kunnen zetten die precies de andere kant op wijzen.” U zie ook het rapport van de Commissie Van Dijkhuizen, [92] die vaststelde dat de benodigde data ontbreken en die dan ook iets anders adviseerde dan hetgeen de wetgever in 2017 heeft ingevoerd.
Fiscaal up to dateconcludeert op basis van de door haar via een WOB-verzoek van Financiën verkregen documenten dat de aan de Tweede Kamer beloofde evaluaties op representativiteit van de gemiddelde rendementen voor jongere jaren “een grote farce is”, dat “het ministerie van Financiën blijkt weg te duiken voor ongunstige uitkomsten van hun eigen rekenmodellen” en dat “het ministerie van Financiën bij deze evaluatie, geheel buiten het parlement om in het najaar 2020, eigenhandig de regels tijdens het spel heeft veranderd.” [94]
in totaal30% werd geheven over
het totalerendement van alle box 3-plichtigen, zoals de medewetgever tot uitgangspunt nam voor box 3 2017 (zie de MvT in 4.5 hierboven: “(…) voor het totale box 3-vermogen (wordt) het tot nu toe gehanteerde forfaitaire rendement van 4% nog dicht benaderd”). Of het gemiddelde integer is berekend of niet, maakt overigens weinig uit voor de onontkoombare conclusie dat belasten naar een verondersteld gemiddelde de ondergemiddelden doet betalen voor de bovengemiddelden. De wetgever heeft gepoogd dat wezen van het stelsel enigszins te verbloemen door – terecht, gezien het hieronder te citeren onderzoek – bij grotere vermogens gemiddeld een hoger rendement te veronderstellen, maar ook al wordt het gemiddelde enigszins gedifferentieerd naar vermogensomvang, het blijft een gemiddelde per vermogensomvangsklasse, en de ondergemiddelden blijven per vermogensklasse voor de bovengemiddelden betalen. Ik merk op dat de ondergemiddelden - per definitie - het gemiddelde nooit kunnen inhalen. Als alle spaarders en andere risicomijders, die de grootste populatie binnen de ondergemiddelden zijn, véél meer risico zouden gaan nemen én daarin succesvol zouden zijn, zou het gemiddelde rendement immers omhoog kruipen en zijn er per definitie toch weer evenveel ondergemiddelden. Bij heffing naar een gemiddeld rendement is overbelasting van de ondergemiddelden en onderbelasting van de bovengemiddelden per definitie onontkoombaar; het is het systeem.
outlyerszouden zijn. U beschouwe de onderstaande voorbeelden van een ‘steile’ en een ‘platte’ (symmetrische) normaalverdeling rond het gemiddelde en stelle u voor dat ‘nul’ op de x-as het gemiddelde is. Zou de wetgever onderzoek gedaan hebben naar de variantie in individuele vermogensrendementen en zou daar uitgekomen zijn dat het om een zeer steile symmetrische normaalverdeling gaat, dus om een (zeer) kleine waarde van tweemaal de standaarddeviatie (95% van de belastingplichtigen zit dan dicht tegen het gemiddelde aan), dus als daar een standaarddeviatie kleiner dan bijvoorbeeld 0,5 uitgekomen zou zijn, dan zou het belasten van iedereen naar het gemiddelde rendement wellicht verdedigbaar zijn. Ook degenen die tweemaal de standaarddeviatie beneden het gemiddelde zitten, zouden nog steeds een positief rendement hebben en na belasting nog steeds iets over kunnen houden (althans nominaal; gezien de inflatie niet steeds ook reëel). Alleen de echte
outlyers(2,5% van de ondergemiddelde gevallen en 2,5% van de bovengemiddelde gevallen) zijn dan een echt probleem uit rechtvaardigheidsoogpunt. Ook dan betalen overigens nog steeds de ondergemiddelden voor de bovengemiddelden, maar het gaat dan om een per belastingplichtige bescheiden bedrag en dat kan wellicht verdedigbaar zijn als het volgend jaar andersom kan zijn.
skewed(scheve) verdeling. Het plaatje hieronder laat zien wat
skewnessdoet met de modus, de mediaan en het gemiddelde:
skewnessen een grotere of kleinere standaarddeviatie van het gemiddelde: alleen de mediaan blijft onveranderd; de modussen en gemiddelden lopen ver uiteen.
skewedverdeling met standaarddeviatie 1.
paper Heterogeneity and persistence in returns to wealth: [95]
Abstractvan het onderzoek van Fagereng e.a. in de belastinggegevens van Noorse belastingplichtigen in de periode 2004-2015 luidt als volgt:
negatief13,8% en positief 20,1% lag (34 punten uit elkaar: 2 x de standaarddeviatie aan beide zijden van het gemiddelde) en dat het vermogensrendement van circa 68% van de belastingplichtigen tussen
negatief5,2% en 12,4% lag (17,6 punten uit elkaar: 1 x de standaarddeviatie van het gemiddelde). 5% van de belastingplichtigen waren nog verdere
outlyers. [97] De bevindingen van Fagereng e.a. wijzen verder uit dat er over de jaren heen weinig grensverkeer is tussen de ondergemiddelden en de bovengemiddelden, zodat de kansen dus niet per jaar keren – integendeel – en dat grotere vermogens – zoals de Nederlandse wetgever terecht veronderstelt – gemiddeld hogere rendementen kunnen halen. Gerritsen en Zoutman (zie voetnoot 123) schrijven daarover:
inkomsten-belasting neemt snel toe naar – al snel – oneindig naarmate men links verder van het gemiddelde raakt, en daalt snel naarmate men rechts verder van het gemiddelde raakt. Zie de grafieken in 6.28 hieronder.
inkomstenbelastingheffing mijns inziens een systemische schending van het discriminatieverbod, dat ook het over één kam scheren verbiedt van gevallen die bezien vanuit het doel van de maatregel (belasten van het vermogensrendement van vermogensbezitters) niet slechts ‘significantly’, maar extreem van elkaar verschillen. Het lijkt mij evident dat dit stelsel als
inkomstenbelasting “fails to treat differently persons whose situations are significantly different.”
inkomstenbelasting naar een gemiddeld inkomen zoals box 3 2017 e.v., is verder cruciaal de bevinding van Faregeng e.a. dat
binnende onderscheiden vermogenstitels (risico-arm, aandelen, onroerend goed, bedrijfsobligaties, etc.) het rendement sterk verschilt tussen huishoudens: ook per vermogenstitel bestaat een grote variantie in rendement. (ii) Het betekent dat ook als elke box 3-plichtige de gemiddelde vermogensmix zou nabootsen (wat feitelijk onmogelijk is), er nog steeds een zeer grote spreiding in rendementen rond het gemiddelde zou bestaan. Het stelsel zou dus ook dan nog de ondergemiddelden (veel) te veel laten betalen om het privilege van de bovengemiddelden te financieren; het zou nog steeds systemisch op individueel niveau onaanvaardbaar discrimineren en privilegiëren. De standaarddeviatie zou weliswaar kleiner zijn, maar voor een
inkomstenbelasting nog steeds onverantwoord groot. Ik herhaal dat dat niet aanvaard zou kunnen worden op de grond dat het volgend jaar andersom zou kunnen zijn, immers:
Professor of Empirical Analysis of Tax and Social Policyaan de Universiteit Leiden, is zo vriendelijk geweest om de Noorse spreidingscijfers toe te passen op het Nederlandse box 3 2017 regime, onder de volgende aannames: (i) de individuele rendementen zijn normaal (symmetrisch) gespreid rond het gemiddelde (geen
skewness); (ii) de Nederlandse spreiding is niet beduidend anders dan de Noorse; en (iii) het gemiddelde Noorse rendement (3,8%) is vergelijkbaar met het Nederlandse, dat volgens de medewetgever immers ook in 2016/2017 nog steeds 4% dicht benaderde (zie 4.5 hierboven). Het desbetreffende reken
fileis als bijlage aan deze conclusie gehecht. Hij heeft die toepassing gevisualiseerd in de onderstaande twee grafieken. De eerste brengt in beeld eenmaal en tweemaal de standaarddeviatie van het gemiddelde rendement en laat dus de bandbreedte van de rendementen zien: van alle box 3-belastingplichtigen (100%) heeft een subgroep van 14% groot geluk door een (veel) hoger dan het gemiddelde rendement, nl. tussen 1 en 2 keer de standaarddeviatie hoger. De subgroep geluksvogels is 34% groot met een rendement dat maximaal 1 x de standaarddeviatie hoger ligt dan het gemiddelde. Van de pechvogels, samen eveneens 50% van alle box 3-plichtigen, heeft een subgroep van 34% pechhebbers een rendement gehaald dat maximaal 1 x de standaarddeviatie lager is dan het gemiddelde rendement. Grote pech is er voor 14% van de belastingplichtigen (28% van het totaal van de pechhebbers) vanwege hun zeer aanzienlijk lager dan gemiddeld rendement, nl. tussen 1 en 2 x de standaarddeviatie lager dan het gemiddelde. De tweede grafiek laat zien voor welke bedragen deze groepen worden over- respectievelijk onderbelast om hen in totaal de gewenste belastingopbrengst over het gemiddelde te laten opbrengen:
inkomstenbelastingheffer met een dergelijk stelsel mijns inziens geen
legitimate aimna. Het wezenlijke doel en effect van het stelsel is dan immers om enerzijds willekeurig vergaand te discrimineren en anderzijds willekeurig vergaand te privilegiëren om de totale populatie de gewenste opbrengst te doen genereren; de individuele rendementen zijn (veel) te gespreid. Zoals bleek uit het Noorse onderzoek: de standaarddeviatie is - vermoedelijk ook in Nederland 2017 – circa 2,26 keer het gemiddelde rendement. Bij een dergelijke enorme standaarddeviatie is een stelsel dat het gemiddelde tot heffingsmaatstaf verheft mijns inziens een volledige ontkenning en daarmee een systemische schending van het discriminatieverbod. Het heeft immers als doel én als effect om zéér significant verschillende
inkomstensituaties dezelfde
inkomstenbelasting op te leggen en daarmee
omhet discriminatieverbod te schenden. Bij een standaarddeviatie van ruim meer dan twee keer het gemiddelde kan dat gemiddelde rendement mijns inziens hoe dan ook niet meer als
relevantaangemerkt worden om individueel rendement te belasten, waardoor box 3 vanaf 2017 als
inkomstenbelasting tot systeem verheven willekeur is.
Thlimonis v. Greece, moet de conclusie dan zijn dat de wetgever
did not pursue a legitimate aim. Zou u daar aan twijfelen, dan ware deze vraag mijns inziens voor te leggen aan het EHRM voor een
advisory opinion.
devoid of meaningmaken.
heterogeneityin rendement gerechtvaardigd kan worden door de daarvoor door de medewetgever aangevoerde gronden. Die gronden zijn (zie 4.5 hierboven) dat een belasting naar de inkomsten uit vermogen in plaats van naar een gemiddelde:
inkomstenbelasting aanvaard worden op de aangevoerde ambtelijke capaciteitsgronden, dan zou het discriminatieverbod betekenisloos zijn. Bureaucratische problemen zouden een systemische discriminerend en privilegiërend belastingstelsel rechtvaardigen.
anderenationale belastingdiensten dan weer niet. Maar: niet valt in te zien hoe een door de overheid gewenste ‘verdere uitrol’ van een weliswaar héél fijne aangifte-
appsystemisch privilegiërende en discriminerende, zelfs ontnemende inkomstenbelastingheffing zou kunnen rechtvaardigen. Dat lijkt mij een paard veel te ver achter de wagen of het kind met het badwater, etc.. De belasting
diensten de VIA zijn er voor de belastingplichtige; niet andersom. De spaarders en de verlieslijders gaan denkelijk graag even zonder VIA voor hun aangiften zitten als zij daarmee kunnen bewerkstelligen dat zij niet meer aangeslagen worden voor de belasting die de bovengemiddelden te weinig betalen.
ishet gemiddelde. Box 3 is een schoolvoorbeeld van een overheid die de werkelijkheid beschouwt als een hinderlijk complexe weergave van haar model.
elkebelastingheffing noopt tot beheersing van ontwijkingsmogelijkheden. Dat we dáárom niet zouden kunnen beginnen aan een inkomstenbelasting op basis van de inkomsten van de belastingplichtige is een opmerkelijke rechtvaardiging voor box 3 2017, die immers voor de bovengemiddelden in feite een wettelijk geregelde belastingontwijking
is. Uiteráárd wordt er boven het rendementsgemiddelde nauwelijks of niet ontweken. De aldaar vigerende privilegiëring maakt het voor de geprivilegieerden immers overbodig om te ontwijken: dat heeft de wetgever al voor hen geregeld, die de ondergemiddelden voor hen laat betalen. Zoals Albert in 2016 opmerkte: box 3 laat in wezen inkomsten uit vermogen onbelast, want het is een vermogensbelasting (zie 6.44 hieronder). Dit ontwijkingsbeheersingsargument is ook moeilijk te volgen in het licht van de kinderlijke eenvoud waarmee box 3 ontweken kan worden door belastingplichtigen met enig vermogen die geen beleggingsrisico willen of kunnen nemen, bijvoorbeeld omdat zij naast hun AOW geen ander pensioen maar alleen vermogen hebben en hun beleggingshorizon al bereikt of gepasseerd hebben, waardoor zij van hun vermogen moeten leven. Reeds bij enige tonnen spaargeld is de Spaar-BV, dus box 2, de uitkomst. Oprichting van een Spaar-BV wordt op internet door diverse aanbieders aangeboden voor minder dan € 300 en het regelen van de administratieve verplichtingen, inclusief Vpb-aangifte, wordt voor € 400 per jaar aangeboden. De spaarders die daarvan gebruik maken, kan men niet – wat de overheid wel doet - ontwijkers noemen; zij beschermen slechts hun spaargeld tegen ontneming.
alleen maarprivilegieert en discrimineert, moet de Staat
very,veryweightyreasons kunnen aanvoeren.
inkomstenbelasting rechtvaardigen. Box 3 2017 is mijns inziens een systemische schending van het discriminatieverbod, waarvoor ook bij de ruimst denkbare
margin of appreciationgeen rechtvaardiging bestaat in de uitvoeringstechnische moeilijkheden van de belasting die de Staat zegt
eigenlijkte hebben willen heffen: een
inkomstenbelasting. Zou u daar aan twijfelen, dan ware deze vraag mijns inziens voor te leggen aan het EHRM voor een
advisory opinion.