Belanghebbende heeft overdrachtsbelasting betaald over de verkrijging van onroerende zaken binnen een melkveebedrijf dat in de familie wordt geëxploiteerd. Hij maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag die was opgelegd omdat de Inspecteur de vrijstelling van overdrachtsbelasting niet toepaste op de verkrijging door belanghebbende, omdat deze niet tot de in de wet genoemde kring van verkrijgers behoort.
De Rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond. Belanghebbende stelde in hoger beroep dat het bedrijf feitelijk in rechte lijn van zijn grootvader is verkregen en dat de wet onrechtmatig discrimineert door de vrijstelling te beperken tot kinderen, kleinkinderen, broers en zusters. Tevens voerde hij een beroep op het evenredigheidsbeginsel aan.
Het Hof volgt de Rechtbank en verwijst naar eerdere arresten van de Hoge Raad waarin is bevestigd dat de wetgever de vrijstelling bewust beperkt heeft tot een afgebakende kring van verkrijgers om versnippering van ondernemingsvermogen te voorkomen. Er is geen sprake van strijd met het discriminatieverbod of het recht op eerbiediging van het familie- of gezinsleven. Ook is geen bijzondere omstandigheid aanwezig die toepassing van de wet buiten toepassing zou moeten laten. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.