ECLI:NL:GHARL:2026:160

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
200.347.336/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ingrijpen bank in beleggingsportefeuille tijdens Covid-19 pandemie in lijn met contractuele en wettelijke verplichtingen

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 13 januari 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep over een geschil tussen een particuliere belegger, aangeduid als [appellant], en ABN Amro Bank N.V. De zaak betreft de vraag of de bank terecht heeft ingegrepen in de beleggingsportefeuille van [appellant] tijdens de Covid-19 pandemie. [appellant] verwijt de bank dat zij in maart 2020 zonder zijn toestemming zijn beleggingsportefeuille heeft aangetast, wat volgens hem heeft geleid tot aanzienlijke schade. Hij vorderde onder andere schadevergoeding van de bank. De rechtbank Overijssel had de vorderingen van [appellant] afgewezen, waarna hij in hoger beroep ging. Het hof oordeelde dat de bank op grond van haar zorgplicht en de wettelijke verplichtingen, zoals vastgelegd in artikel 86 lid 2 van het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen (BGfo), gerechtigd was om in te grijpen. Het hof concludeerde dat de bank niet tekortgeschoten was in haar zorgplicht en dat de ingrepen in de portefeuille gerechtvaardigd waren gezien de omstandigheden van de pandemie. Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank en veroordeelde [appellant] tot betaling van de proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.347.336
zaaknummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, 300706
arrest van 13 januari 2026
in de zaak van

1.[appellant1]

en
2. [appellant2]
die wonen in [woonplaats]
en die bij de rechtbank optraden als eisers
hierna (in mannelijk enkelvoud):
[appellant]
advocaat: mr. P.T. Pel, die kantoor houdt in Hattem
en
ABN Amro Bank N.V.
die is gevestigd in Amsterdam
en die bij de rechtbank optrad als gedaagde
hierna:
de bank
advocaten: mr. B.W. Wijnstekers en mr. M. Vreuls

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
[appellant] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle (hierna: de rechtbank), op 26 juni 2024 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep
  • de memorie van grieven
  • de memorie van antwoord
  • een akte van de Bank houdende overlegging producties (57 en 58)
  • het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 11 november 2025 is gehouden.
1.2.
Na afloop van de mondelinge behandeling hebben partijen met het oog op minnelijk overleg aanhouding van de zaak gevraagd tot 9 december 2025. Een schikking is niet bereikt, waarna partijen het hof hebben gevraagd arrest te wijzen.

2.De kern van de zaak

2.1.
[appellant] verwijt de bank dat zij in maart 2020, ten tijde van de Covid-19 pandemie, ten onrechte heeft ingegrepen in zijn beleggingsportefeuille. Volgens [appellant] is de bank hiermee jegens hem toerekenbaar tekortgeschoten, althans heeft zij onrechtmatig jegens hem gehandeld, en dient zij de schade die hij daardoor zou hebben geleden te vergoeden.
2.2.
[appellant] heeft bij de rechtbank samengevat, onder meer, gevorderd:
1) te verklaren voor recht dat de bank jegens [appellant] toerekenbaar tekort is geschoten, althans onrechtmatig heeft gehandeld, door in maart 2020 meermalen zonder recht of titel en zonder toestemming van [appellant] over te gaan tot aantasting van diens beleggings-portefeuille door
herhaalde sluiting (liquidatie) van door [appellant] geschreven opties (calls en puts) en
herhaalde verkoop van aandelen uit de portefeuille van [appellant] en/of
bij die acties nodeloze schade toe te brengen aan [appellant] door geen rekening te houden met de opbouw en samenstelling van de portefeuille;
2) de bank te veroordelen tot vergoeding van alle materiele schade en kosten die [appellant] door toedoen van de bank heeft geleden en gemaakt, nader op te maken bij staat (onder benoeming van een of meer onafhankelijke beleggingsdeskundige(n)) en te vermeerderen met de wettelijke rente,
3) de bank te veroordelen tot vergoeding van de immateriële schade van [appellant] van € 25.000,00, vermeerderd met wettelijke rente.
2.3.
De rechtbank heeft de vorderingen van [appellant] afgewezen. De bedoeling van het hoger beroep is dat de vorderingen alsnog worden toegewezen.
2.4.
Het hof zal beslissen dat het hoger beroep faalt en licht dat hierna toe, nadat het eerst de relevante feiten in deze zaak heeft weergegeven.

3.De feiten

3.1.
[appellant] , die nu 96 jaar oud is, is een ervaren belegger. Hij handelt al sinds de jaren 70 van de vorige eeuw in privé actief in aandelen en opties en maakt daartoe gebruik van de diensten van de bank. Die diensten worden aangeboden vanuit ABN AMRO MeesPierson Private Banking te Apeldoorn. [appellant] heeft voor al zijn bank- en beleggingszaken vanaf omstreeks het jaar 2000 steeds contact gehad met vaste contactpersonen van dat kantoor.
3.2.
[appellant] belegt zelfstandig en geeft dus op eigen initiatief en zonder advies van de bank directe orders op aan de bank. Dit wordt ‘execution only’ genoemd. Hij maakt daarvoor (dagelijks) gebruik van het door de bank beheerde online platform ‘Mijn Dealingroom’. Ook kan [appellant] gebruikmaken van de zogenaamde ‘execution only desk’ van de bank voor begeleiding bij complexe beleggingsorders.
3.3.
[appellant] belegt in de AEX en in de AMX, in aandelen en (geschreven) opties (put en call). Hij heeft door de jaren heen een vaste strategie ontwikkeld en daarmee goede resultaten behaald.
3.4.
[appellant] beschikt bij de bank over een beleggingsrekening en een bijbehorende betaalrekening (rekening-courant).
3.5.
Op 24 juli 2006 heeft [appellant] een 'Verklaring Direct Beleggen’ getekend die, voor zover van belang, als volgt luidt:
“Ondergetekende(n),
(...)
verklaart jegens ABN AMRO Bank N.V. (...) dat hij ten aanzien van zijn rekening met nr. [rekeningnummer] uitsluitend wenst gebruik te maken van de execution only effectendienstverlening van ABN AMRO, genaamd "ABN AMRO Direct Beleggen”.
In dit verband verklaart Cliënt tevens jegens ABN AMRO dat hij kennis genomen heeft van wat deze execution only effectendienstverlening inhoudt, namelijk het zonder enige begeleiding van ABN AMRO door hem beleggen in effecten, waarbij ABN AMRO niet anders doet dan het verwerken van door hem opgegeven orders tot aan- en verkoop van effecten respectievelijk tot het openen en sluiten van posities in effecten.
Cliënt is zich ervan bewust dat door gebruik te maken van ABN AMRO Direct Beleggen:
1. hij geen enkel persoonlijk beleggingsadvies van ABN AMRO ontvangt inhoudend dat hij ook geen aanspraak kan doen op ABN AMRO een dergelijk advies te krijgen;
2. hij informatie die hij van de ABN AMRO ontvangt, niet mag kenmerken als persoonlijk beleggingsadvies of beleggingsadvies van welke aard dan ook;
(…)”
3.6.
Op 5 mei 2014 is [appellant] een kredietovereenkomst met de bank aangegaan op grond waarvan hij een kredietfaciliteit met een kredietlimiet van € 250.000,00 kreeg op voornoemde betaalrekening. In artikel 1 van die overeenkomst is onder meer het volgende te lezen:
“Deze faciliteit mag worden gebruikt tot de variabele zekerhedenlimiet. Het gebruik mag nooit meer zijn dan de kredietlimiet.
De hoogte van de variabele zekerhedenlimiet is gelijk aan de dekkingswaarde van de beleggingsproducten die op een beleggingsrekening van u staan. (...)”
3.7.
Omdat de bank hem adviseerde om een (beperkt) deel van het beleggen aan de bank over te laten, heeft [appellant] in april 2016 ook een vermogensbeheerrekening bij de bank geopend.
3.8.
Op de rechtsverhouding tussen partijen waren in maart 2020 onder meer van toepassing de Algemene Voorwaarden ABN AMRO Bank N.V. met daarin de Algemene Bankvoorwaarden 2017 (hierna te noemen: de Algemene Bankvoorwaarden), de Algemene Voorwaarden Beleggen van februari 2020 (hierna te noemen: de AV Beleggen) en de Voorwaarden Opties van januari 2019 (hierna te noemen: de AV Opties).
3.9.
De Algemene Bankvoorwaarden luiden, voor zover van belang, als volgt:

Artikel 2 - Zorgplicht
Wij hebben een zorgplicht. U bent ook zorgvuldig tegenover ons en u mag van onze
dienstverlening geen misbruik maken.
1. Wij zijn bij onze dienstverlening zorgvuldig en houden hierbij zo goed mogelijk rekening met uw belangen. Dit doen wij op een manier die aansluit bij de aard van de dienstverlening. Deze belangrijke regel geldt altijd. Andere regels in de ABV of in de voor producten of diensten geldende overeenkomsten en de daarbij behorende bijzondere voorwaarden kunnen dit niet veranderen. (...)
(...)
Artikel 18 - Bewijskracht en bewaartermijn bankadministratie
Onze bankadministratie levert volledig bewijs op maar u mag tegenbewijs leveren.
1. Onze administratie geldt in relatie met u als volledig bewijs, maar uiteraard mag u aantonen dat dit bewijs niet klopt.
(...)”
3.10.
In de AV Beleggen staat onder meer het volgende vermeld:

2. Indeling van beleggers en beleggersprofiel
2.1.
Waarom deelt de bank mij in bij een bepaalde groep beleggers?
1. Bij de beleggingsdiensten van de bank maakt de bank onderscheid tussen drie verschillende groepen beleggers die de Wet op het financieel toezicht noemt, namelijk:
► niet-professionele beleggers;
► professionele beleggers; en
► in aanmerking komende tegenpartijen, zoals sommige verzekeraars, beleggingsfondsen en banken.
2. Voordat u gaat beleggen moet de bank u indelen bij één van deze drie groepen beleggers. De bank informeert u hierover. (...)

3.Manieren van beleggen

3.1.
Op welke manieren kan ik beleggen bij de bank?
1. U kunt op drie manieren beleggen bij de bank:
► u kunt zelfstandig beleggen bij de bank (‘execution only’);
► u kunt beleggen met advies van de bank (beleggingsadvies); of
► u kunt het beleggen overlaten aan de bank (vermogensbeheer).
(...)
4.9.
Wanneer blokkeert de bank mijn geld of mijn beleggingsproducten?
1. De bank blokkeert het geld op uw betaalrekening:
(…)
► dat nodig is voor uw marginverplichting. Wat marginverplichting is leest u in artikel 2.4 van de Voorwaarden Opties (
Wat houdt marginverplichting in?).
(…)

9.Krediet en dekkingswaarde

(...)
9.3.
Wat is een dekkingstekort?
1. U heeft een dekkingstekort als u meer rood staat op uw betaalrekening dan uw krediet op de beleggingsrekening die hoort bij deze betaalrekening.
2. De bank stelt vast of u een dekkingstekort heeft.
3. Elke werkdag berekent de bank één keer of u een dekkingstekort heeft. De bank doet dit in de uren vóór opening van de beurs in Nederland. Dit doet de bank op basis van uw bestedingsruimte. De bank kijkt daarvoor dan naar:
► het geld op uw betaalrekening;
► plus: het mogelijk beschikbare krediet op uw betaalrekening;
► minus: het geld dat de bank heeft geblokkeerd op uw betaalrekening. Wat blokkeren is leest u in artikel 4.9 (
Wanneer blokkeert de bank mijn geld of mijn beleggingsproducten?); en
► de laatst bekende koersen van uw beleggingsproducten.
De uitkomst of u een dekkingstekort heeft geldt totdat de bank op de volgende werkdag weer een nieuwe berekening heeft gemaakt.
9.4.
Wat houdt de 5-dagen procedure in?
1. Heeft u volgens de bank een dekkingstekort? Dan waarschuwt de bank u hiervoor. Dit doet de bank schriftelijk en soms ook telefonisch.
2. De 5-dagen procedure begint op de dag die als datum staat op de brief waarmee de bank u waarschuwt voor uw dekkingstekort. Die dag is dus de eerste dag van de procedure. Ook als u de brief later ontvangt, gaat de eerste dag in op de datum die op de brief staat.
3. U heeft vier werkdagen de tijd om uw dekkingstekort op te heffen. Deze vier dagen zijn inclusief de eerste dag van de procedure. U kunt uw dekkingstekort opheffen door bijvoorbeeld:
► al uw beleggingsproducten te verkopen of een deel daarvan; of
► de bank te vragen uw kooporders tegen te houden. (...);
► of geld bij te storten op uw betaalrekening; of
► al uw optieposities te sluiten of een deel daarvan.
4. Wilt u uw dekkingstekort zelf opheffen? Dan moet u ervoor zorgen dat u aan het begin van de vijfde werkdag geen dekkingstekort meer heeft op uw betaalrekening.
(...)
6. Heeft u aan het begin van de vijfde werkdag toch nog een dekkingstekort? Dan zal de bank maatregelen nemen om uw dekkingstekort op te heffen. De bank mag zelf besluiten welke maatregelen dat zijn. (...) De bank kan bijvoorbeeld:
► al uw beleggingsproducten verkopen of een deel daarvan (...)”
3.11.
In de AV Opties is, voor zover van belang, het volgende te lezen:
“2.4. Wat houdt marginverplichting in?
(...)
1. Heeft u een geschreven optie op uw beleggingsrekening? Dan moet u daarvoor zekerheid aanhouden voor een bepaald bedrag. Dit noemen we de marginverplichting. De margin is in geld uitgedrukt. De margin moet u aanhouden als dekking voor het risico dat u loopt op een geschreven optie. De bank berekent uw marginverplichting minimaal één keer per dag, in ieder geval voordat de beurs in Nederland open gaat. (...)
2. U kunt aan uw marginverplichting voldoen door zekerheid aan te houden voor een bepaald bedrag in de vorm van:
► de waarde van beleggingsproducten op uw beleggingsrekening. (...)
► een combinatie van beleggingsproducten en geld, als u niet voldoende beleggingsproducten op uw beleggingsrekening heeft;
► geld op uw betaalrekening;
► krediet op uw betaalrekening.
(...)

5.Dekkingswaarde en ongeregelde roodstand

(...)
5.1.
Wat gebeurt er als ik een dekkingstekort heb door mijn marginverplichting?
I. Heeft u een dekkingstekort door uw marginverplichting? Dan gelden hiervoor de regels van de 5-dagen procedure. Zie hiervoor artikel 9.4 (...) van de Algemene Voorwaarden Beleggen. (...)
2. (...) Heeft u tijdens de 5-dagen procedure (weer) een dekkingstekort? Dan waarschuwt de bank u hier niet voor. Tijdens deze procedure is het alleen van belang of u op de vierde en vijfde werkdag wel of geen dekkingstekort heeft.”
3.12.
In de Bijlage Opties bij de AV Opties is, voor zover van belang, het volgende te lezen:

3. De werking en risico's van opties
(…)
3.12.
Wat is margin?
Aan geschreven posities zitten risico's. Een geschreven optie houdt in dat u een verplichting heeft om een bepaald aantal onderliggende waarden te kopen of te verkopen. Om er zeker van te zijn dat u die verplichting kunt nakomen, verlangt de bank dat u zekerheid aanhoudt. Deze zekerheid moet u aanhouden zolang u de geschreven optie op uw beleggingsrekening heeft. Dit noemen we de marginverplichting. Leest u ook artikel 2.4 (
Wat houdt marginverplichting in?) van de Voorwaarden Opties. De margin is afhankelijk van onder meer de optiepremie van uw geschreven optie, de prijs van de onderliggende waarde en de volatiliteit van de onderliggende waarde. Hierdoor verandert uw marginverplichting bijna dagelijks. De volatiliteit van de onderliggende waarde wordt uitgedrukt in een percentage. Dit volatiliteitspercentage wordt door de bank ingekocht van een onafhankelijke partij. Het volatiliteitspercentage is geen vast percentage, maar kan door marktomstandigheden per dag veranderen. Het volatiliteitspercentage wordt standaard berekend over de koersontwikkelingen van de afgelopen 125 dagen van de onderliggende waarde. U kunt het actuele volatiliteitspercentage bij de bank opvragen.
3.13
Hoe berekent de bank de margin van een optie?
Voor de berekening van de margin per optiecontract gebruikt de bank de volgende gegevens:
► de premie
► de contractgrootte (standaard is deze 100)
► het volatiliteitspercentage van de onderliggende waarde. Wat het volatiliteitspercentage is leest u in artikel 3.12 (
Wat is margin?))
► de prijs van de onderliggende waarde
► de uitoefenprijs
De berekening van de margin voor callopties is anders dan die voor putopties.”
3.13.
Elke derde vrijdag van de maand is het ‘exercise-day’, zijnde de laatste dag waarop handel in de aflopende optieseries mogelijk is. [appellant] ontvangt in verband daarmee maandelijks van de bank geautomatiseerde vooraankondigingen waarin wordt vermeld van welke optieposities de handel eindigt.
3.14.
Vanaf januari 2020 heeft de bank een nieuw ontwikkelde versie van Mijn
Dealingroom ingevoerd.
3.15.
Als gevolg van de Covid-19 pandemie maakten de beurzen in maart 2020 wereldwijd grote koersdalingen door.
3.16.
Op 2 maart 2020 heeft (het hoofdkantoor van) de bank [appellant] per post een
geautomatiseerde brief gestuurd in verband met een dekkingstekort op de betaalrekening die
bij zijn beleggingsrekening hoort. In deze ‘5-dagenbrief’ staat onder meer het volgende
vermeld:
“U heeft een dekkingstekort op uw betaalrekening die bij uw beleggingsrekening hoort. Dit tekort kan zijn ontstaan op een krediet op basis van uw beleggingen of door een marginverplichting. Een dekkingstekort is niet toegestaan. Daarom zit u in de 5-dagen procedure. Wij vragen u om uw dekkingstekort zo snel mogelijk op te heffen. Dit moet uiterlijk binnen vijf werkdagen vanaf de datum van deze brief zijn gebeurd.
(…)
Wat gebeurt er als u uw dekkingstekort niet opheft?
Op 05-03-2020 kijken wij ’s ochtends één keer of er nog een dekkingstekort is. Zien wij dat u geen tekort meer heeft? Dan beëindigen wij de procedure. Zien wij dat u nog steeds een tekort heeft? Dan kijken wij in de nacht van 05-03-2020 op 06-03-2020 nog één keer of u een dekkingstekort heeft. Zien wij dat u nog steeds een tekort heeft? Dan bepalen wij op 06-03-2020 welke maatregelen wij nemen om uw tekort van dat moment op te heffen. Wij kunnen bijvoorbeeld beleggingsproducten verkopen, geschreven opties terugkopen of orders laten vervallen. (...)”
3.17.
Op 2 maart 2020 heeft [appellant] de heer [naam] , beleggingsadviseur/
vermogensbeheerder private banking bij de bank (hierna te noemen: [de beleggingsadviseur] ) geïnformeerd dat het hem niet lukte om via Mijn Dealingroom orders in te leggen. Omdat het [de beleggingsadviseur] bekend was dat [appellant] kampt met een ernstige ouderdomsgehoorbeperking, heeft hij hem per e-mails van 2 en 3 maart 2020 uitgenodigd om op 4 maart 2020 bij hem op kantoor te komen.
3.18.
In een verslag van het betreffende bezoek van [appellant] aan het kantoor van [de beleggingsadviseur] is, voor zover relevant, het volgende te lezen:
“ [appellant] nu op kantoor ontvangen en Dealingroom hier geopend. Had er ook hier moeite mee. Op alle 5 de werkruimtes had meneer toch zeker 10 widgets open staan. Deze allen gesloten. Tevens werkruimte 3 4 en 5 geheel leeg gemaakt. Dealingroom werkt nu al een heel stuk sneller.
Meneer heeft direkt een paar optie orders opgegeven om hiermee te trachten weer binnen de lijntjes te komen. (...)”
3.19.
Tijdens het gesprek met [de beleggingsadviseur] heeft [appellant] verschillende posities gesloten. De bank heeft de in de brief van 2 maart 2020 genoemde 5-dagenprocedure vervolgens, dus vóór de 5e dag, stopgezet.
3.20.
Op 6 maart 2020 heeft (het hoofdkantoor van) de bank [appellant] wederom per post
een geautomatiseerde 5-dagenbrief gestuurd in verband met een dekkingstekort op de bij
zijn beleggingsrekening horende betaalrekening. In die brief, die een soortgelijke inhoud
heeft als de in r.o. 3.16 genoemde brief, wordt vermeld dat dat dekkingstekort per 6 maart
2020 € 153.942,02 bedraagt en dat het dekkingstekort op 12 maart 2020 moet zijn
opgeheven.
3.21.
Op 10 maart 2020 om 11:46 uur heeft [de beleggingsadviseur] [appellant] een e-mail gestuurd met de
volgende inhoud:
“Bijgaand volledigheidshalve een depot overzicht + een overzicht met de margin per regel.
Wellicht helpt dit u in het terugdringen van uw overstand.”
3.22.
In een e-mail van diezelfde dag meldt [appellant] aan [de beleggingsadviseur] dat hij technische
problemen ondervindt om in zijn beleggingsportefeuille te komen. In die mail schrijft hij
onder meer:
“Wat resteert nog? Domweg maar wachten tot a.s. vrijdag zodat een onbekende zelf beslist wat er in mijn portef. wordt bijgestuurd? Of moeten wij dat samen voor a.s. vrijdag doen?”
3.23.
[de beleggingsadviseur] heeft [appellant] vervolgens op 11 maart 2020 thuis bezocht. Het verslag van
[de beleggingsadviseur] van dat bezoek, dat op 12 maart 2020 is opgesteld, luidt als volgt:
“Gisteren wederom bij [appellant] geweest, kan via de eigen pc nog steeds niet bij zijn portefeuille via Dealingroom. Mijn eigen laptop opgestart en via een hotspot de portefeuille geopend.
Meneer heeft de nodige akties ondernomen, het terugkopen van puts, echter nog volstrekt onvoldoende om de overstand op te heffen. Hem aangegeven dat vandaag de mensen van Risicobewaking dan zelf aktie gaat ondernemen (5 dagen zijn gepasseerd) om zodoende de portefeuille weer in het gareel te krijgen. Mokkend gaat meneer hier dan mee akkoord, ondanks dat hij de mening is toegedaan dat een aantal aandelen op dit moment wel heel erg goedkoop zijn geworden en hij er geen bezwaar tegen heeft als ze zouden worden geleverd.”
3.24.
Op 11 maart 2020 heeft de bank [appellant] ook de reguliere vooraankondigingen
gestuurd voor de aflopende opties in maart 2020 (exercise-day).
3.25.
Per e-mail van 12 maart 2020 heeft [appellant] [de beleggingsadviseur] gevraagd wat het bezwaar was
om definitief of tijdelijk zijn kredietlimiet te verhogen. Daarop heeft [de beleggingsadviseur] geantwoord dat
dit niet zo maar te regelen is en daar een heel traject aan voorafgaat.
3.26.
Per geautomatiseerde brief van 12 maart 2020 heeft (het hoofdkantoor van) de bank
[appellant] bericht dat maatregelen zijn genomen om het dekkingstekort op zijn
betaalrekening op te heffen. In die brief staat vernield dat op 12 maart 2020 sprake was van
een dekkingstekort van € 1.386.356,86 en dat de bank in verband daarmee is overgaan tot
‘Close/koop diverse posities’.
3.27.
Per geautomatiseerde 5-dagenbrief van 13 maart 2020 heeft (het hoofdkantoor van)
de bank [appellant] wederom geïnformeerd over een dekkingstekort op zijn betaalrekening,
dit keer ter hoogte van € 1.372.636,19 dat op 19 maart 2020 moet zijn opgeheven. Verder
heeft deze brief een soortgelijke inhoud als de in r.o. 3.16 genoemde brief.
3.28.
Per e-mails van 13 en 14 maart 2020 heeft [appellant] zich bij [de beleggingsadviseur] beklaagd over
het sluiten van posities in zijn aandelenportefeuille door de bank, en per e-mail van 16 maart
2020 heeft [appellant] de bank wederom gevraagd of het mogelijk was om zijn kredietlimiet
te verhogen. [de beleggingsadviseur] heeft vervolgens op 16 maart 2020 om 16:00 uur, onder meer, op die
e-mails geantwoord:
“In antwoord op een aantal vragen door u gesteld in de diverse mails, hieronder ons antwoord.
• Na het verstrijken van de 5-dagen termijn hebben de collega’s opdrachten ingelegd met
als doel u weer binnen de kredietlijnen te krijgen. Hiertoe waren zij genoodzaakt omdat u
dit zelf niet hebt gedaan. Als u zelf had willen bepalen wat er gesloten moest worden had
u zelf actie moeten ondernemen. De collega’s zijn weloverwogen en met de grootst
mogelijke zorg om gegaan met het sluiten van de positie.
• Echter door de realiteit zijn zij al weer ingehaald. Dit heeft tot gevolg dat er inmiddels
wederom een forse overstand is ontstaan. De geldelijke storting van € 250.000,- heeft
hier onvoldoende in bijgedragen.”
In het vervolg van de e-mail wordt [appellant] verder geïnformeerd over de actuele stand van
het dekkingstekort (op dat moment volgens de bank ruim € 960.000) en wordt hem verzocht
actie te ondernemen om dat op te heffen.
3.29.
Op 17 maart 2020 om 9:54 uur heeft [de beleggingsadviseur] [appellant] een e-mail gestuurd met de
volgende inhoud:
“Bijgaand een actueel overzicht van uw financiële positie.
Wij roepen u op posities te sluiten, u kunt nu nog zelf bepalen welke posities er naar uw mening gesloten mogen worden. Dit om te voorkomen dat de bank donderdag wederom naar posities voor u gaat sluiten.”
3.30.
[appellant] heeft [de beleggingsadviseur] diezelfde dag het volgende gemaild:
“u heeft mij reeds TIG keer gezegd dat ik posities moet sluiten. Maar dat betekent toch dat ik via KOOP-close moet gaan KOPEN.
En dat lukt mij al enkele weken NIET. Dat hebt u reeds in 2 ontmoetingen met mij zelf gedaan ,in overleg. Maar dat kon u TOEN alleen maar doen bij mijn computer en via mijn betaalpas en mijn 4-cijferig pinpasnummer . En ik wil daarvoor wel naar u toekomen (maar ik word anderzijds geadviseerd zo weinig mogelijk er uit te gaan)
MAARRR indien dat ORDEREN NU plotseling wel voor mij op afstand kan gebeuren dan wil ik met genoegen een aantal posities schriftelijk doorgeven.
Maar dat hoor ik dan nog wel”
3.31.
Hierop heeft [de beleggingsadviseur] op diezelfde 17e maart 2020 geantwoord dat [appellant] verkoopopdrachten kan opgeven voor aandelenposities om daarmee de debetstand
op zijn rekening te verlagen, zodat er ruimte ontstaat om geschreven posities terug te kopen.
[appellant] heeft dit vervolgens echter niet gedaan.
3.32.
In een e-mail van [de beleggingsadviseur] aan [appellant] van 18 maart 2020 10:35 uur staat onder
meer het volgende vermeld:
“Indien u alle geschreven opties met uitoefenmaand “maart" terug koopt, kost dit u ca.
€ 195.000,- (...) Met deze terug koop actie neemt uw margin met ca. € 655.000,- af.
Hieruit kunnen wij de conclusie trekken dat indien u dit zo doorvoert u op de goede weg bent, echter dat dit nog steeds niet voldoende is om uw overstand (per heden ca.
€ 940.000,-) weg te werken. Dus hierbij nogmaals het dringende verzoek aan u om hierin aktie te ondernemen.”
3.33.
Een e-mail van 18 maart 2020 om 14:27 uur van [de beleggingsadviseur] aan [appellant] luidt voor zover relevant als volgt:
“Ik heb gezien dat u inderdaad verkoopopdrachten heeft ingelegd voor met name het aandeel
DSM. De verkoopopbrengst is nog onvoldoende om uw dekkingstekort weg te werken. Dit is de reden dat u op dit moment nog geen opties terug kunt kopen.
In overleg met mijn leidinggevende hebben wij besloten om in deze uitzonderlijke situatie u van dienst te zijn door uw opdrachten van hieruit uit te voeren.
Ik vraag u dan ook welke opties u terug wenst te kopen zodat wij ze van hieruit in kunnen voeren.”
3.34.
In een e-mail van 19 maart 2020 11:44 uur schrijft [de beleggingsadviseur] aan [appellant] onder
meer:
“Daarnaast loopt vandaag de 5-dagen termijn af, morgenochtend wordt in principe door de
collega’s bekeken welke akties benodigd zijn om u weer binnen de lijntjes te krijgen. Vanaf dat moment heb ik er ook geen zicht en zeggenschap meer over.”
3.35.
Vervolgens mailt [de beleggingsadviseur] diezelfde 19e maart 2020 om 12:10 uur aan [appellant] :
“Ik krijg net via de collega’s van de Desk Risicobewaking door dat zij zo dadelijk aan de slag in het kader van de afwikkeling van uw 5-dagenbrief. Vanaf dit moment heb ik geen mogelijkheid meer posities voor u te sluiten.”
3.36.
Per geautomatiseerde brief van 19 maart 2020 heeft (het hoofdkantoor van) de bank
[appellant] bericht dat maatregelen zijn genomen om het dekkingstekort op zijn
betaalrekening op te heffen. In die brief staat vermeld dat op 19 maart 2020 sprake was van
een dekkingstekort van € 873.288,48 en dat de bank in verband daarmee is overgaan tot
‘Close/koop. Diverse posities DSM en TKG’.
3.37.
[appellant] heeft in het verleden vaker een dekkingstekort gehad op de
betaalrekening die bij zijn beleggingsrekening hoort. De bank heeft hem in verband daarmee
onder meer in 2018 en in 2019 verschillende keren een 5-dagenbrief gestuurd.
3.38.
In augustus 2020 heeft [appellant] een interne klacht ingediend bij de bank. De bank
heeft deze in oktober 2020 afgewezen. In 2021 heeft [appellant] een klacht ingediend bij de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening van het Kifid. Zij heeft in maart 2022 de klacht van [appellant] ongegrond verklaard.

4.De toelichting op de beslissing van het hof

4.1.
[appellant] komt met zeven genummerde grieven (bezwaren) op tegen het vonnis van de rechtbank. Zijn bezwaren zullen hierna aan de hand van een thematische bespreking worden betrokken in de beoordeling.
De wettelijke en contractuele verplichtingen van de bank; verhouding bancaire zorgplicht en 86 lid 2 BGfo
4.2.
Volgens vaste rechtspraak rust op de bank als professionele en bij uitstek deskundige dienstverlener een bijzondere zorgplicht jegens particuliere beleggers, zoals [appellant] . Die zorgplicht kan onder meer een onderzoeks- en/of waarschuwingsplicht behelzen en geldt bij uitstek als de cliënt handelt in opties, gelet op de zeer grote risico’s die aan dergelijke transacties verbonden kunnen zijn. De bijzondere zorgplicht strekt mede ter bescherming van de cliënt tegen het gevaar van een gebrek aan kunde en inzicht of van eigen lichtvaardigheid en is niet beperkt tot een bepaald type beleggingsdienstverlening. Zo heeft de Hoge Raad herhaaldelijk een bijzondere zorgplicht aangenomen in geval van
execution only-dienstverlening. [1] De omvang van de zorgplicht hangt af van de omstandigheden van het geval.
4.3.
Uit hoofde van haar zorgplicht moet de bank in ieder geval de marginverplichtingen van [appellant] bewaken en haar liquidatieplicht, zoals bedoeld in artikel 86 lid 2 van het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft (hierna: BGfo), naleven op het moment dat [appellant] de margintekorten niet tijdig opheft. Op grond van het eerste lid artikel 86 BGfo moet een beleggingsonderneming erop toezien dat een niet-professionele belegger die posities heeft in financiële instrumenten waaruit verplichtingen kunnen voortvloeien (zoals opties), voortdurend over voldoende saldi beschikt om aan de actuele verplichtingen die uit die posities voortvloeien te voldoen (de zogenaamde saldibewakingsplicht). In lid 2 van artikel 86 BGfo is bepaald dat indien de beleggingsonderneming constateert dat een belegger over onvoldoende saldi beschikt om te voldoen aan de actuele verplichtingen, zij erop toe dient te zien dat de belegger (additionele) zekerheden stelt waaruit die verplichtingen kunnen worden voldaan en dat indien de belegger geen zekerheden kan stellen, de beleggingsonderneming verplicht is de posities van de belegger zo spoedig mogelijk maar uiterlijk binnen vijf werkdagen te sluiten (de zogenaamde liquidatieplicht), tenzij zich bijzondere omstandigheden voordoen. De bank heeft deze saldibewakings- en liquidatieplicht (onder meer) vastgelegd in artikel 5.1 AV Opties j° artikel 9.4 AV Beleggen.
4.4.
De bank heeft met haar ingrijpen op 12 en 19 maart 2020 mede uitvoering gegeven aan het bepaalde in artikel 86 lid 2 BGfo. Anders dan [appellant] aanvoert, gaat de bancaire zorgplicht niet op in deze wettelijke verplichting, maar is in artikel 86 lid 2 BGfo, zoals ook de rechtbank uiteen heeft gezet, een vergaande uitwerking te vinden van de op de banken rustende bijzondere zorgplicht.
De bank heeft terecht ingegrepen
4.5.
Bij de beoordeling van het ingrijpen door de bank, moet worden geconstateerd dat [appellant] in zijn beleggingsstrategie feitelijk onvoldoende rekening had gehouden met de marginverplichting. Onbetwist gebleven is dat [appellant] op 6 maart 2020 een dekkingstekort had van ruim € 150.000. Zijn uitstaande verplichtingen overschreden ruimschoots het saldo op zijn betaalrekening en de dekkingswaarde van zijn portefeuille. Als gevolg van de stijgende marginverplichtingen enerzijds en het feit dat de dekkingswaarde van zijn portefeuille sterk was afgenomen, was het dekkingstekort op 12 maart 2020 – de laatste dag van de tweede 5-dagenprocedure – opgelopen tot ruim € 1,3 miljoen. Op 13 maart 2020 was wederom sprake van een dekkingstekort, doordat de koersen op 12 maart 2020 aanzienlijk waren gedaald; een dusdanige daling had zich sinds 1987 niet meer voorgedaan. Op 19 maart 2020 had [appellant] nog steeds een dekkingstekort, ditmaal van ruim € 187.000.
4.6.
Zijn stellingen strekkende tot de conclusie dat de door de bank in dezen verstrekte gegevens niet juist zouden zijn, laat staan dat [appellant] hierdoor mocht verwachten dat geen sprake was van een dekkingstekort, houden in het licht van de gemotiveerde betwisting van de bank geen stand. De bank heeft in dit verband verwezen naar de berekeningen in de 5-dagenbrieven en zij heeft daarbij ook uiteengezet dat de verschillen in de verstrekte overzichten en de opheffingsbrieven genoegzaam zijn verklaard door afronding. Het moet naar het oordeel van het hof voor [appellant] aldus overigens ook duidelijk zijn dat zijn stellingen op dit punt feitelijke grondslag en/of relevantie ontberen.
4.7.
Aangezien aldus in ieder geval op 6, 12, 13 en 19 maart 2020 sprake was van een dekkingstekort door de marginverplichting, staat daarmee vast dat de bank op grond van artikel 86 BGfo, alsmede artikel 5.1 Voorwaarden Opties en artikel 9.3 jo. 9.4 Algemene Voorwaarden Beleggen, verplicht was de 5-dagenprocedures in werking te stellen.
[appellant] heeft niet te weinig tijd gekregen om zijn tekorten op te heffen
4.8.
[appellant] kan worden toegegeven dat de door de bank gegunde 5-dagentermijn enigszins wringt met het feit dat die termijn per briefpost wordt aangezegd, maar reeds aanvangt op de verzenddatum.
Bovenop de attenderingen per brief, heeft de bank [appellant] echter meermaals gemaild; uit het betreffende e-mailverkeer blijkt dat [appellant] tijdig op de hoogte was van de ontstane tekorten.
Bovendien werden de tekorten besproken tijdens de huisbezoeken door [de beleggingsadviseur] op 4 en 11 maart 2020. [appellant] sloot vervolgens zelf posities. De door [appellant] gesloten posities waren echter onvoldoende om de tekorten op te heffen, reden waarom de bank op 12 en 19 maart heeft ingegrepen.
Ten slotte gaat het hof net als de rechtbank in r.o. 5.22 van het bestreden vonnis, welke overweging het hof overneemt en tot de zijne maakt, niet mee in de door [appellant] gestelde ‘tweefasenstructuur’ van artikel 86 BGfo, die zou bestaan uit een fase 1 waarin zekerheid gesteld dient te worden door de belegger en een fase 2 waarin de bank – bij gebreke van zekerheidsstelling door de belegger – overgaat tot sluiting van posities. De bank zou (ten onrechte) geen rekening hebben gehouden met de eerste fase, reden waarom artikel 9.4 AV Beleggen ook onverbindend zou zijn. Dit door [appellant] gestelde onderscheid vindt geen steun in de wet, wetsgeschiedenis, jurisprudentie of literatuur en kan hem aldus ook in hoger beroep niet baten.
Geen sprake van oneerlijke/onredelijk bezwarende bedingen
4.9.
Net als de rechtbank ziet het hof niet alleen geen aanleiding om aan te nemen dat artikel 9.4 leden 2, 3 en 6 AV Beleggen aangemerkt moeten worden als oneerlijke bedingen althans als onredelijk bezwarende bedingen, maar merkt het hof net als de rechtbank op dat [appellant] geen belang heeft bij het buiten toepassing laten van artikel 9.4 AV Beleggen, aangezien de bank ook op grond van artikel 86 lid 2 BGfo in zijn beleggingsportefeuille diende in te grijpen. In hoger beroep heeft [appellant] geen nadere stellingen op dit punt ingenomen. Het hof volstaat daarom met zich aan te sluiten bij hetgeen de rechtbank hierover heeft overwogen in r.o. 5.43-5.44 (onder verwijzing naar haar voorgaande overwegingen ter zake) van het bestreden vonnis.
Covid-19 pandemie geen bijzondere omstandigheid in de zin van artikel 86 lid 2 BGfo, noch een onvoorziene omstandigheid ex artikel 6:258 BW
4.10.
In het licht van het destijds in maart 2020, ten tijde van de Covid-19 pandemie, evenzeer denkbare scenario dat de beurs nog verder zou dalen en [appellant] tekorten nog veel verder zouden oplopen met mogelijk een flinke restschuld tot gevolg, heeft de bank naar het oordeel van het hof aan haar zorgplicht voldaan door in te grijpen op de wijze zoals zij heeft gedaan (zie hiervoor onder ‘De feiten’). Het is juist vanwege risico’s zoals die hier aan de orde waren, dat de wetgever met de verplichte tekortenprocedure van artikel 86 Bgfo de marginverplichtingen van de belegger, en de handhaving daarvan door de bank, in het leven heeft geroepen; hiermee wordt voorkomen dat beleggers risico’s nemen die zij niet kunnen dragen. Alleen bijzondere omstandigheden kunnen de liquidatieplicht inperken of laten vervallen. In algemene zin geldt dat een crisis met als gevolg het dalen van beurskoersen niet als een dergelijke bijzondere omstandigheid kan worden aangemerkt. De marginbewakings- en liquidatieplicht van een beleggingsonderneming moet zelfs tegen de wil van de belegger worden nageleefd. [2] De uitzondering van artikel 86 lid 2 BGfo moet dan ook juist vanuit het oogpunt van beleggersbescherming zeer terughoudend worden toegepast.
4.11.
Het uitbreken van de Covid-19 pandemie en de invloed daarvan op de beurskoersen is geen bijzondere omstandigheid in de zin van artikel 86 lid 2 BGfo. Het is juist vanwege het uitbreken van de pandemie en de invloed die daarvan uitging op de beurskoersen, dat de bank moest ingrijpen om te voorkomen dat verliezen groter zouden worden. De bank voert in dit verband terecht aan dat het dieptepunt van de koersdalingen niet was te voorspellen. Het was voor de bank aldus geenszins te voorzien of niet-ingrijpen gunstig zou hebben uitgepakt voor [appellant] ; het risico dat de koersen nog enige tijd verder zouden dalen was destijds reëel, met – bij het uitblijven van ingrijpen door de bank – mogelijk aansprakelijkheid van de bank wegens schending van haar zorgplicht tot gevolg.
4.12.
[appellant] heeft nog betoogd dat het, conform algemene adviezen van de bank in maart 2020, verstandiger is tijdens crises ‘op de aandelen te blijven zitten’. Daarmee miskent hij echter dat die vuistregel niet of in elk geval niet in dezelfde mate en op dezelfde wijze opgaat ten aanzien van geschreven putopties. De door [appellant] bedoelde adviezen doen bovendien niet af aan de marginverplichting en aan de wettelijke plicht van de bank om posities te sluiten indien [appellant] het dekkingstekort niet tijdig opheft.
4.13.
De bank kon en mocht dan ook in redelijkheid menen geen toepassing te hoeven geven aan de uitzonderingsclausule van artikel 86 lid 2 BGfo, noch anderszins op grond van haar zorgplicht af te moeten zien van het sluiten van posities op 12 en 19 maart 2020. De bank is met haar handelwijze dan ook niet tekortgeschoten. Het hof neemt op dit punt de overwegingen van de rechtbank in r.o. 5.30 en 5.31 van het bestreden vonnis over en maakt ze tot de zijne.
4.14.
Het leerstuk van de onvoorziene omstandigheden in de zin van artikel 6:258 BW kan [appellant] evenmin baten. Nog daargelaten dat om de voorgenoemde redenen geen sprake is van onvoorziene omstandigheden op grond waarvan de bank naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen ongewijzigde instandhouding van de tussen partijen gesloten overeenkomst mocht verwachten, geldt dat met een geslaagd beroep op onvoorziene omstandigheden ex artikel 6:258 BW weliswaar een
contractuelebevoegdheid opzij worden gezet, maar dat dit de wettelijke saldibewakings- en liquidatieplicht van de bank ex artikel 86 lid 2 BGfo onverlet laat. De op de bank rustende wettelijke verplichtingen uit artikel 86 lid 2 BGfo kunnen aldus niet met een beroep op onvoorziene omstandigheden terzijde worden geschoven.
De rechtbank heeft in r.o. 5.33-5.37 van het bestreden vonnis goed gemotiveerd waarom het beroep van [appellant] op artikel 6:258 BW moet worden gepasseerd. Het hof sluit zich bij die overwegingen aan en maakt ze tot de zijne.
Ook gezien de persoonlijke omstandigheden van [appellant] is aan de zorgplicht voldaan
4.15.
Uit het voorgaande volgt dat met het versturen van de brieven en het vervolgens sluiten van posities, de bank in maart 2020 heeft voldaan aan haar wettelijke en contractuele verplichtingen.
4.16.
Voor zover de bancaire zorgplicht nog verder reikende inspanningen van de bank vergde met het oog op de gehoorproblematiek en digitale vaardigheden van [appellant] , die destijds 90 jaar oud was, heeft de bank daar naar het oordeel van het hof ruimschoots aan voldaan door onder meer [appellant] thuis te bezoeken en door hem aan te bieden op afstand orders uit te voeren. Ongemak als gevolg van de functies van de Dealingroom-app is daarmee geredresseerd, althans kon op dat punt van de bank niet nog meer worden gevergd. Dat [appellant] geen nader gebruik heeft gemaakt van de aangeboden hulp, komt voor zijn eigen rekening.
4.17.
Het hof volgt [appellant] voorts niet in zijn betoog dat het destijds in de rede van de bancaire zorgplicht had gelegen [appellant] te adviseren zijn huis of andere aan hem toebehorende onroerende zaken te vervreemden of te bezwaren, zijn laatste (kenbare) reserves (op [appellant] vermogensbeheerrekening) in te zetten voor put opties dan wel zijn kredietruimte te benutten en/of te verhogen.
Het hof neemt ten aanzien van deze punten r.o. 5.38-5.42 van het bestreden vonnis over, maakt ze tot de zijne en benadrukt ten overvloede nog eens dat niet valt in te zien hoe enig dergelijk advies van de bank valt te rijmen met de bescherming van de belangen van de belegger waartoe de bancaire zorgplicht nu juist strekt.
Het zij in dit verband benadrukt dat de bank terecht heeft aangevoerd dat sprake is van een helder kader voor wat gezien wordt als dekkingsmiddel door de bank: artikel 2.4 AV Opties bevat een limitatieve lijst bevat met dekkingsmiddelen die kunnen worden ingezet bij een dekkingstekort. Ook in hoger beroep heeft [appellant] onvoldoende gesteld dat hij er op enige andere grond van mocht uitgaan dat de lijst niet-limitatief zou zijn.
4.18.
Dat limitatieve kader, alsook met name het feit dat de vermogensbeheerrekening bij de bank door [appellant] is afgesloten, is mede ingegeven om beleggingsrisico’s te spreiden en te mitigeren. De bank voert in het bijzonder nog terecht aan dat het inzetten van het saldo op de vermogensbeheerrekening in strijd is met die strategie. Ook tegen die achtergrond bezien, en indachtig de execution only-relatie, reikt de bancaire zorgplicht niet zo ver dat de bank zelfstandig actief op zoek had moeten gaan naar overige dekkingsmiddelen, laat staan dat zij in weerwil van de beschermingsgedachte achter haar zorgplicht [appellant] zou hebben te adviseren zijn overige vermogen – buiten het overeengekomen kader van dekkingsmiddelen – aan te spreken ter opheffing van ontstane tekorten. [appellant] kon aldus niet van de bank verwachten dat zij het saldo op de vermogensbeheerrekening zou inzetten als dekkingsmiddel voor het margintekort. Om dezelfde reden kon hij ook niet van de bank verwachten dat de bank hem zou adviseren dat te doen of hem erop te wijzen dat hij dat ook zelf zou kunnen doen. Indien [appellant] het saldo op de vermogensbeheerrekening wenste aan te wenden als dekkingsmiddel voor het margintekort, was het aan [appellant] om de vermogensbeheerrekening (gedeeltelijk) op te heffen en het saldo (gedeeltelijk) tijdig over te boeken naar de beleggingsrekening. Dit heeft [appellant] – in maart 2020 – niet gedaan; ook in hoger beroep ontbreekt iedere onderbouwing van [appellant] stelling op dit punt dat de bank ‘bij herhaling’ geen uitvoering zou hebben gegeven aan een opdracht van [appellant] daartoe.
In dit verband merkt het hof nog op dat de bank, gelet op het hiervoor bedoelde voor [appellant] kenbaar limitatieve kader van dekkingsmiddelen, ook niet verplicht was [appellant] te
waarschuwendat het saldo van de vermogensbeheerrekening buiten beschouwing zou blijven voor de dekking van het margintekort. Dit is nog daargelaten dat [appellant] dat eenvoudig had kunnen zien doordat het saldo op de vermogensbeheerrekening geen onderdeel uitmaakt van de berekeningen van de dekkingstekorten in de 5-dagenbrieven.
Tot slot
4.19.
Het hof hecht er tot slot aan te benadrukken dat het geen aanleiding heeft te twijfelen aan de intentie en vaardigheden van [appellant] om op basis van doordachte afwegingen tot beleggingsbeslissingen te komen, ook waar het betreft handel in opties. Er moet echter voor worden gewaakt het ingrijpen van de bank op 12 en 19 maart 2020 te beoordelen op grond van wijsheid achteraf. Het gaat erom waartoe de bank op grond van de destijds beschikbare informatie was gehouden. Naar het oordeel van het hof was dat niet méér of anders dan wat de bank heeft gedaan.
4.20.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep van [appellant] niet slaagt. Bij gebreke van enige grond voor aansprakelijkheid van de bank, zijn de vorderingen van [appellant] niet toewijsbaar. De overige stellingen van verweren hoeven – bij gebrek aan feitelijke grondslag en/of belang – geen bespreking meer.
De conclusie
4.21.
Het hoger beroep faalt. Dit betekent dat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. Omdat [appellant] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof [appellant] tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening. [3] De door de bank gevorderde rente over de proceskosten vanaf twee weken na de datum van dit arrest, zal eveneens worden toegewezen.
4.22.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

5.De beslissing

Het hof:
5.1.
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 26 juni 2024;
5.2.
veroordeelt [appellant] tot betaling van de volgende proceskosten van de bank:
€ 798 aan griffierecht
€ 3.142 aan salaris van de advocaat van de bank (2 procespunten x het toepasselijke tarief III)
5.3.
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;
5.4.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. M. Aksu, A.A.J. Smelt en A. van Hees, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
13 januari 2026.

Voetnoten

1.Vgl. de conclusie van Advocaat-Generaal Assink van 18 september 2020, ECLI:NL:PHR:2020:810, onder 3.6, en de rechtspraak waarnaar daarin wordt verwezen.
2.HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY6313.
3.HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.