Conclusie
IGB)
Attica) en een bank (IGB), waarbij de bank de rol had van uitvoerder van transacties en bewaarder van gelden en fondsen. Het door [verweerster] aan Attica in beheer gegeven vermogen is in het begin gedeeltelijk en in de loop van de vermogensbeheerrelatie vrijwel geheel belegd in risicovolle
hedge fundsdie, kort gezegd, in het buitenland waren gevestigd, niet beschikten over een vergunning van de Stichting Autoriteit Financiële Markten (hierna: de
AFM) en zich niet richtten op particuliere beleggers in Nederland. [verweerster] heeft Attica met succes aansprakelijk gesteld wegens een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van haar verplichtingen uit de vermogensbeheerovereenkomst, maar vanwege het faillissement van Attica geen verhaal gevonden. Vervolgens heeft [verweerster] (ook) IGB aansprakelijk gesteld, onder meer wegens schending van haar bijzondere zorgplicht uit hoofde van de tripartiete overeenkomst. Daarop ziet de onderhavige zaak.
hedge fundsbelegden, en zij niet is nagegaan of deze beleggers niet‑professionele beleggers waren, hoewel zij ernstig rekening moest houden met de mogelijkheid dat zij dat waren; (c) zij geen open kaart speelde bij de fondsen; en (d) zij niet is nagegaan of verkrijging van de deelnemingsrechten mogelijk zou zijn geweest indien zij open kaart zou hebben gespeeld bij de fondsen, hoewel zij rekening moest houden met de mogelijkheid dat die verkrijging dan niet mogelijk zou zijn geweest. Het beroep van IGB op art. 6:89 BW Pro en op contractuele vervalbedingen wordt door het hof verworpen.
1.Feiten
arrestrespectievelijk het
hof). [1]
TGB). TGB is rechtsopvolgster van Effectenbank Stroeve N.V. Hierna worden zij alle ook IGB genoemd.
vermogensbeheerovereenkomst).
tripartiete overeenkomst). Hierin zijn de contractspartijen respectievelijk aangeduid als "Cliënt", "Attica" en "Stroeve" en is onder meer het volgende bepaald:
In aanmerking nemende dat:
Onderwerp van de overeenkomst
Functieverdeling
Uitvoeren van opdrachten
Kenmerken van effecten en daaraan verbonden specifieke risico's".
hedge fundsof in
funds of hedge funds(beide soorten fondsen gezamenlijk hierna ook:
hedge funds). Deze beleggingsinstellingen waren in het buitenland gevestigd, beschikten niet over een vergunning van de AFM, waren niet bij de AFM aangemeld en richtten zich niet op particuliere beleggers in Nederland.
transfer agent).Als het deelnemingsrecht was toegewezen, stelde IGB het op naam van haar effectenbewaarbedrijf in een door haar aangehouden register. Zij boekte gedeelten van het bedrag van het toegewezen deelnemingsrecht tevens op naam van de cliënten conform hun inleg zoals aangegeven door Attica, door bijschrijving van die gedeelten op de fondsenrekeningen van de cliënten. De bijschrijving bij een individuele cliënt was in voorkomende gevallen lager dan het in het prospectus van het desbetreffende fonds vermelde minimale investeringsbedrag (de desbetreffende 'deelnemingsdrempel'). IGB deelde aan de beleggingsinstelling niet mee dat zij gedeelten van het bedrag van het toegewezen deelnemingsrecht op fondsenrekeningen van individuele cliënten boekte.
hedge funds.
"voor aanvulling op jaarlijks inkomen uit huur en overig inkomen".Voorts is ingevuld dat [verweerster] geen ervaring met beleggen heeft, dat het gewenste risicoprofiel
"tussen neutraal en defensief profiel"ligt en dat er een lange termijn beleggingshorizon is."
2.Procesverloop
In eerste aanleg
rechtbank) een comparitie van partijen gelast. [2] De comparatie heeft plaatsgevonden op 18 mei 2017, waarbij door de advocaten van partijen spreekaantekeningen zijn overgelegd. Voorafgaand aan de comparitie heeft [verweerster] nog een stuk in het geding gebracht (productie 34). Van de comparitie van partijen is proces‑verbaal opgemaakt. Bij brief van 30 mei 2017 heeft mr. Kroes, de advocaat van [verweerster] , de rechtbank bericht dat het proces-verbaal op een aantal punten onvolledig is en verzocht zijn brief, met aanvullingen, aan het proces‑verbaal te hechten.
hedge fundskonden beleggen. IGB wist dat [verweerster] een particuliere niet-professionele belegger was met een inkomensdoelstelling. Verder had Attica IGB geïnformeerd over de uitgangspunten voor het vermogensbeheer en de doelstelling en risicobereidheid van [verweerster] . Het was voor particuliere beleggers, zoals [verweerster] , in beginsel niet mogelijk om in deze fondsen deel te nemen. De fondsen waren uitsluitend geschikt voor professionele beleggers. Zij kenden een hoge risicograad en hoge deelnemingsdrempels. IGB heeft onjuiste mededelingen aan de fondsen gedaan. IGB deelde aan de fondsen mee dat zij de deelnemingsrechten voor eigen rekening en risico ten behoeve van Attica verwierf en dat zij die niet zou verdelen. In twee gevallen moest IGB blijkens de prospectus aan de fondsen verklaren dat zij de deelneming niet zou verdelen of doorverkopen en anderen niet zou toestaan om direct of indirect in de deelneming te participeren, aldus [verweerster] .
aanbiedengedefinieerd. Onder d (vroeger: onder c) staat een definitie die betrekking heeft op deelneming in een beleggingsinstelling. Daaruit blijkt dat ook het "rechtstreeks of middellijk verkrijgen van gelden van een cliënt ter deelneming in een beleggingsinstelling" onder de definitie valt. Dit staat sinds 2008 in de wet (Reparatiewet Wft, Stb. 2008, 582). Aangenomen moet worden dat het voordien ook al gold. De definitie van aanbieden is dus ruimer dan IGB heeft verdedigd met haar stelling dat aanbieden betekent: het feitelijk benaderen van beleggers. De hiervoor in rov. 2.6 omschreven gang van zaken valt onder het aanbiedingsverbod. IGB heeft dit verbod dus overtreden. In het midden kan blijven of de door IGB aan [verweerster] aangeboden deelnemingsrechten gezien moeten worden als (delen van) door de buitenlandse fondsen uitgegeven deelnemingsrechten of als door IGB zelf gecreëerde nieuwe deelnemingsrechten.
hedge fundsbelegden, en zij niet is nagegaan of deze beleggers niet-professionele beleggers waren, hoewel zij ernstig rekening moest houden met de mogelijkheid dat zij dat waren;
3.Bespreking van het cassatiemiddel in het principaal cassatieberoep
onderdeel 1) en de oordelen in rov. 3.3, 3.5-3.9 en 3.15 (
onderdelen 2 t/m 8) van het bestreden arrest.
Bijzondere zorgplicht van banken
execution only-dienstverlening (bijvoorbeeld het uitvoeren van optietransacties), [10] beleggingsadvies, [11] en vermogensbeheer. [12] Vanzelfsprekend geldt ook hier dat de inhoud en omvang van de bijzondere zorgplicht afhangen van de omstandigheden van het concrete geval. De bank is jegens haar cliënten dus niet steeds tot dezelfde mate van zorg verplicht (denk bijvoorbeeld aan tripartiete verhoudingen). [13]
Bijzondere zorgplicht van banken in tripartiete relaties als in deze zaak aan de orde
Klachtencommissie DSI) [24] waarin de bank, als bewaarder van de gelden en effecten onder beheer, het verwijt werd gemaakt dat bepaalde problemen waren ontstaan bij het beheer. De Klachtencommissie DSI oordeelde hierover als volgt, bij uitspraak van 17 januari 2001: [25]
Niet gebleken is dat er sprake was van voor Verweerder kenbare evidente misstanden in het beheer, zoals [zodat, A-G] ook niet van Verweerder behoefte te worden verwacht dat hij Klager daarvan op de hoogte stelde” [onderstreping, A-G].
dan wel indien X transacties uitvoerde die zonder meer wegens het daarmee verbonden risico als onverantwoord moesten worden bestempeld, had Verweerder [de kredietinstelling, A-G] de plicht die transacties te weigeren respectievelijk Klaagsters - eigener beweging buiten X om - te waarschuwen voor diens handelswijze” [onderstreping, A-G].
Safe Haven-arrest. [34]
futuresen (uiteindelijk) verloren gegaan. De gedupeerde beleggers hebben vervolgens een stichting als bedoeld in art. 3:305a BW opgericht (hierna: de
Stichting). De Stichting heeft een verklaring voor recht gevorderd dat de bank onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld, alsmede een veroordeling tot betaling van schadevergoeding. De Stichting heeft aan haar vorderingen ten grondslag gelegd dat de bank wist of behoorde te weten dat de directeur van Safe Haven niet beschikte over de vereiste wettelijke vergunningen (als bedoeld in de destijds geldende Wet toezicht effectenverkeer 1995 en Wet toezicht beleggingsinstellingen) om als vermogensbeheerder werkzaam te zijn, terwijl hij feitelijk wel als zodanig actief was. Volgens de Stichting had de bank bij het openen van de rekening moeten nagaan of de rekeninghouder in strijd met de wet handelde of zou gaan handelen. In elk geval was de bank vanaf juni of juli 1996 op de hoogte, althans had dat moeten zijn, van het gegeven dat de directeur in strijd met de wet handelde. Door op dat moment niet over te gaan tot sluiting van de rekening heeft de bank volgens de Stichting ook onrechtmatig gehandeld. De bank heeft bovendien op grond van onder meer art. 2 van Pro de Algemene Bankvoorwaarden en haar publieke functie een waarschuwingsplicht jegens de beleggers, inhoudende dat de directeur de vereiste vergunningen niet bezat, aan welke plicht zij niet heeft voldaan, zo betoogde de Stichting.
Safe Haven-arrest een andere casus en rechtsverhouding betreft dan in de onderhavige zaak aan de orde is (kort gezegd: geen tripartiete overeenkomst, aansprakelijkheid van een bank jegens derden), [35] illustreert dit arrest m.i. wel de betekenis van (de mate van) wetenschap van de bank als specifieke omstandigheid voor de inhoud en omvang van haar bijzondere zorgplicht in het concrete geval, ook in tripartiete relaties. Met A-G Verkade meen ik dat hierin mede een verklaring is gelegen voor de verschillende uitkomsten in het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad van 24 november 2006 (geen zorgplichtschending) en zijn
Safe Haven-arrest van een jaar daarvoor (wel een zorgplichtschending). [36]
hedge fundsdie niet over een AFM vergunning beschikten en die bedoeld waren voor professionele beleggers.
hedge funds, waarvan de geldelijke tegenwaarde, naar de aard, continu fluctueerde. Dit vindt bevestiging in de inhoudelijke beoordeling van de vordering van [verweerster] in rov. 3.2-3.11, waarin het hof mede voortbouwt op rov. 2.6.
Wtb (oud)) en art. 2:65 Wet Pro op het financieel toezicht (hierna: de
Wft) om “in of vanuit Nederland deelnemingsrechten aan te bieden in een beleggingsinstelling die niet wordt beheerd door een beheerder waaraan een vergunning is verleend.” In rov. 3.6, tiende zin oordeelt het hof dat IGB dit verbod “dus” heeft overtreden. Daarbij laat het hof in het midden, blijkens rov. 3.6, slotzin, of “de door IGB aan [verweerster] aangeboden deelnemingsrechten” gezien moeten worden als “(delen van) door de buitenlandse fondsen uitgegeven deelnemingsrechten” of als “door IGB zelf gecreëerde nieuwe deelnemingsrechten”, waarbij het in beide gevallen dus gaat om door IGB aan [verweerster] aangeboden “deelnemingsrechten” in die fondsen waartoe [verweerster] gerechtigd is geworden (zie ook nr. 3.85 hierna).
hedge fundsbelegden”, blijkt m.i. dat het hof ervan is uitgegaan dat de betrokken cliënten, onder wie [verweerster] , daadwerkelijk langs voornoemde weg zelf gerechtigd werden tot zulke deelnemingsrechten in die fondsen. Anders valt m.i. ook niet in te zien dat en op welke wijze sprake zou zijn van zulke ‘beleggingen’.
Rv) moet de rechter feiten die door de ene partij zijn gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende zijn betwist in beginsel als vaststaand beschouwen. Hoewel partijen van mening verschilden over de vraag of, kort gezegd, sprake was van gerechtigdheid van die individuele cliënten, onder wie [verweerster] , tot deelnemingsrechten betreffende (i) (delen van) originele door de buitenlandse beleggingsfondsen uitgegeven deelnemingsrechten of (ii) door IGB nieuw gecreëerde deelnemingsrechten (door ‘opknipping’ van die door de buitenlandse fondsen toegewezen deelnemingsrechten), stond tussen hen als zodanig niet ter discussie dat [verweerster] zelf, via bijschrijving door IGB op haar fondsenrekening, gerechtigd werd tot de corresponderende deelnemingsrechten in de betreffende fondsen. [43] De klacht in subonderdeel 1.1 stuit dan ook (reeds) af op het voorgaande, waarin besloten ligt dat het subonderdeel uitgaat van een verkeerde lezing van het arrest en dus feitelijke grondslag mist.
onderdeel 1van het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep slagen (ook dit is m.i. niet het geval, zie nrs. 4.2-4.6 hierna). [47]
Subonderdeel 3.1klaagt dat het hof in rov. 3.5 en de daaropvolgende overwegingen een te verstrekkende invulling geeft aan de zorgplicht van een bank in een tripartiete relatie als hier aan de orde, voor zover het hof miskent dat deze zorgplicht alleen bestaat (althans tot actie noopt) op het moment dat de bank zich van de betreffende misstanden in het beheer daadwerkelijk bewust was, althans op het moment dat zij de misstanden kende omdat hetzij deze misstanden zonder nader onderzoek evident zijn, hetzij er zodanige aanwijzingen zijn voor mogelijke misstanden dat ernstig rekening moet worden gehouden met daadwerkelijke misstanden. Voor zover het hof ervan is uitgegaan dat in een geval als dit de zorgplicht van de bank ook bestaat (althans tot actie noopt) indien de bank de bedoelde misstanden slechts zou (kunnen) kennen indien zij uit eigen beweging (zonder dat sprake is van voornoemde aanwijzingen) onderzoek zou doen naar (de merites van) het beheer en naar (de verantwoordheid van) de transacties, geeft dit blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
Subonderdeel 3.2stelt dat uit het feit dat het hof in rov. 3.7 niet alleen onderzoekt wat IGB van [verweerster] wist, maar ook wat IGB van [verweerster] kon weten, blijkt dat het hof uitgaat van de in subonderdeel 3.1 als onjuist bestreden rechtsopvatting ter zake van de zorgplicht van de bank in een tripartiete relatie als hier aan de orde.
Subonderdeel 3.3betoogt dat de op het door subonderdeel 3.1 bestreden oordeel in rov. 3.5 voortbouwende overwegingen van het hof, waaronder de overwegingen in rov. 3.7, evenmin in stand kunnen blijven.
Subonderdeel 5.1klaagt dat het hof door relevant te achten wat IGB wist of kon weten, uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting op de in onderdeel 3 aangevoerde gronden. Vervolgens is in de
subonderdelen 5.2 t/m 5.4uitgewerkt waarom het oordeel over de relevante wetenschap van IGB in rov. 3.7 ook voor het overige onjuist en/of onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd is.
De ondergetekenden:”, staat onder 3 vermeld: “ [verweerster] , wonende te [plaats] aan de [a-straat 1] , nader te noemen : “Client”.”
hedge fundsbelegden, en zij niet is nagegaan of deze beleggers niet‑professionele beleggers waren, hoewel zij ernstig rekening moest houden met de mogelijkheid dat zij dat waren. In onder meer dit oordeel van het hof in rov. 3.9, aanhef en onder b ligt m.i. besloten dat IGB tevens ermee bekend was dat deze in het buitenland gevestigde fondsen, aan wie zij in het kader van de uitvoering van de door Attica gegeven orders ook (in het Engels gestelde) mededelingen deed en die blijkens de door IGB gebruikte prospectussen voor de desbetreffende beleggingen werkten met minimale investeringsdrempels (de desbetreffende ‘deelnemingsdrempel’), welke drempels in voorkomende gevallen de individuele cliënten met hun eigen inleg niet haalden, als risicovolle
hedge fundsbedoeld waren voor professionele beleggers (vgl. ook de feitenvaststellingen in rov. 2.5-2.7, alsmede rov. 3.8). [50] Opmerking verdient verder dat het hof, gelet ook op rov. 3.14, eerste zin, in zijn beoordeling - en dus ook in rov. 3.7-3.9 - heeft betrokken dat IGB als bank ook bij tripartiete relaties als hier aan de orde (vgl. ook rov. 3.5) te gelden heeft als professionele en bij uitstek deskundige dienstverlener.
hedge fundsbedoeld waren voor professionele beleggers.
hedge fundsdie bedoeld waren voor professionele beleggers, wat in beginsel zou neerkomen op een kennelijke misstand in het mede voor [verweerster] door Attica gevoerde vermogensbeheer waaraan IGB uitvoering gaf, met alle risico’s van dien. Het is in het licht van deze deels feitelijke (subjectieve) en normatieve (objectieve) wetenschap van IGB dat het hof mede erop wijst, in rov. 3.9, aanhef en onder b, dat IGB, niettemin, niet is nagegaan of het hier inderdaad om niet-professionele beleggers ging (en het voornoemde ‘gevaar’ zich dus inderdaad manifesteerde). [52] De door het hof in rov. 3.9 aangenomen schending door IGB van haar bijzondere zorgplicht jegens [verweerster] is, blijkens rov. 3.9, aanhef en onder b, mede gestoeld - zeker niet alleen - op de omstandigheid dat IGB dat niet heeft gedaan. [53]
subonderdeel 3.1waarop de andere twee subonderdelen voortbouwen, waarover nr. 3.30 hiervoor) dat het hof in rov. 3.5, tweede alinea en de daaropvolgende rechtsoverwegingen (waaronder rov. 3.7) ervan uitgaat dat in een geval als het onderhavige de zorgplicht van de bank ook bestaat althans tot actie noopt, indien de bank de bedoelde misstanden in het beheer slechts zou (kunnen) kennen indien zij uit eigen beweging, zonder dat sprake is van zodanige aanwijzingen voor mogelijke misstanden dat ernstig rekening moet worden gehouden met daadwerkelijke misstanden, onderzoek zou doen naar (de merites van) het beheer en (de verantwoordheid van) de transacties.
subonderdeel 3.2). Daarbij ziet het onderdeel ook eraan voorbij dat het hof in rov. 3.7 weliswaar onderzoekt hetgeen IGB van [verweerster] wist of kon weten, maar dat wat IGB van [verweerster] “kon weten” (kort gezegd: rov. 3.7, slotzin) baseert op hetgeen IGB van [verweerster] “wist” (kort gezegd: rov. 3.7, tweede t/m vijfde zin) gevoegd bij haar genoemde positie en deskundigheid als bank (zie nrs. 3.34-3.36 hiervoor), en dus niet op een zelfstandige onderzoeksplicht van IGB als bedoeld in het onderdeel. Daarmee faalt ook de voortbouwklacht aan het slot van het onderdeel (zie
subonderdeel 3.3). Het voorgaande brengt ook mee dat geen sprake is van een onjuiste rechtsopvatting van het hof als bedoeld in het onderdeel.
Ponzi-zwendel-arrest van de Hoge Raad (zie nr. 3.16 hiervoor), in het bijzonder in nr. 6.99: [63]
Ponzi zwendel-arrest alle op het leerstuk van wetenschap (kennis) van de bank als rechtspersoon geënte cassatieklachten heeft verworpen met toepassing van art. 81 RO Pro; [65] en dat, zoals ook uit dit arrest blijkt, het voorgaande tevens opgeld doet in een geval als het onderhavige waarin de rechtspersoon in kwestie een bank is en zij aansprakelijk is gesteld wegens schending van haar bijzondere zorgplicht als bank. Tegen deze achtergrond, en gelet ook op het feit dat het hof die in rov. 3.7, tweede t/m vijfde zin bedoelde “informatie” in essentie grondt in de inhoud van IGB’s “eigen administratie”, [66] op IGB’s eigen stellingen in feitelijke instanties die uitgaan van haar contemporaine wetenschap ter zake (dat het hof dit ook zo heeft verstaan, is geenszins onbegrijpelijk), [67] en op het ontbreken in het subonderdeel van iedere verwijzing naar stellingen van IGB die een nadere motivering van het hof hadden gerechtvaardigd, [68] valt niet in te zien dat en waarom rov. 3.7 van het hof blijk geeft van een onjuist rechtsopvatting of een onvoldoende (begrijpelijke) motivering zoals aangevoerd in het subonderdeel. Het subonderdeel faalt.
hedge fundsdie bedoeld waren voor professionele beleggers, wat in beginsel zou neerkomen op een kennelijke misstand in het mede voor [verweerster] door Attica gevoerde vermogensbeheer waaraan IGB uitvoering gaf, met alle risico’s van dien;
aanbiedengedefinieerd. Onder d (vroeger: onder c) staat een definitie die betrekking heeft op deelneming in een beleggingsinstelling. Daaruit blijkt dat ook het “rechtsreeks of middellijk verkrijgen van gelden van een cliënt ter deelneming in een beleggingsinstelling” onder de definitie valt. Dit staat sinds 2008 in de wet (Reparatiewet Wft, Stb. 2008, 582). Aangenomen moet worden dat het voordien ook al gold. De definitie van aanbieden is dus ruimer dan IGB heeft verdedigd met haar stelling dat aanbieden betekent: het feitelijk benaderen van beleggers. De hiervoor in rov. 2.6 omschreven gang van zaken valt onder het aanbiedingsverbod. IGB heeft dit verbod dus overtreden. In het midden kan blijven of de door IGB aan [verweerster] aangeboden deelnemingsrechten gezien moeten worden als (delen van) door de buitenlandse fondsen uitgegeven deelnemingsrechten of als door IGB zelf gecreëerde nieuwe deelnemingsrechten.”
subonderdelen 4.2 en 4.3nemen tot uitgangspunt dat het hof (kennelijk) van oordeel is dat de in rov. 2.6 omschreven gang van zaken inhoudt dat IGB ‘rechtstreeks of middellijk gelden van een cliënt heeft verkregen ter deelneming in een beleggingsinstelling’. Volgens die subonderdelen miskent het hof aldus dat de dienstverlening door IGB niet als het door IGB rechtstreeks of middellijk verkrijgen van gelden van een cliënt ter deelneming in een beleggingsinstelling kan worden gekwalificeerd. Voor zover het hof het oog heeft op ‘rechtstreeks verkrijgen’, klaagt
subonderdeel 4.2dat niet valt in te zien dat IGB zelf rechtstreeks gelden heeft verkregen ter deelneming in een beleggingsinstelling, althans niet in het licht van het betoog van IGB dat zij namens Attica inschrijft bij en betaalt aan de beheerder van de te verkrijgen deelnemingsrechten, waarna de deelnemingsrechten door de beheerder worden uitgereikt aan de belegger. [73] Nu het hof niet kenbaar op dit essentiële betoog [74] van IGB is ingegaan, is zijn hier bestreden oordeel onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd. Voor zover het hof het oog heeft op ‘middellijk verkrijgen’, klaagt
subonderdeel 4.3dat dit oordeel evenzeer onjuist is of onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd op de in subonderdeel 4.2 aangevoerde gronden, en dat het hof voorts miskent dat het element ‘middellijk’ inhoudt dat ook het aanbieden van deelnemingsrechten via een dienstverlenende partij onder de definitie van ‘aanbieden’ valt, maar dat die dienstverlenende partij daarmee nog geen ‘aanbieder’ wordt.
nietten grondslag gelegd dat ook sprake is van overtreding van het verbod van (de voorloper van) art. 5:2 Wft Pro of dat is verzuimd om met betrekking tot een of meer fondsen een prospectus algemeen beschikbaar te stellen. Het aanbiedingsverbod en de prospectusplicht van (de voorloper van) art. 5:2 Wft Pro kunnen derhalve verder onbesproken blijven.
De situatie onder de Wtb (oud)
De situatie onder de Wft
rechtstreeks of middellijkdoen van een voldoende bepaald voorstel tot het als wederpartij aangaan van een overeenkomst inzake een recht van deelneming in een beleggingsinstelling of een icbe of het
rechtstreeks of middellijkvragen of verkrijgen van gelden of andere goederen van een cliënt ter deelneming in een beleggingsinstelling of een icbe;” [onderstrepingen, A‑G].
execution only-dienstverlening), in beginsel geen sprake is van het aanbieden van deelnemingsrechten in een beleggingsinstelling door die beleggingsonderneming. [105]
AIFMD), [107] wel het geval is. [108] Art. 4 lid 1 onder Pro x) AIFMD definieert ‘verhandeling’ als:
op initiatief van of namens de abi-beheerder, van rechten van deelneming of aandelen in een door hem beheerde abi, aan of bij beleggers die in de Unie woonachtig zijn of een statutaire zetel hebben.” [109] [onderstreping, A-G]
initiative’-test of ‘
original solicitation’ werd reeds onder de ingetrokken Wet toezicht effectenverkeer 1995 toegepast door de AFM, en vormt een uitzondering op de reikwijdte die ‘in Nederland’ inhoudt in de verbodsbepalingen. Hiermee wordt voorkomen dat buitenlandse aanbieders onbedoeld onder de reikwijdte (en vergunningsplicht) van de Wft vallen, wanneer in Nederland gevestigde beleggers op eigen initiatief transacties verrichten in deelnemingsrechten waarvoor in Nederland een aanbiedingsverbod geldt.”
Uitspraak rechtbank Midden-Nederland van 30 januari 2013
execution only, dus, kort gezegd, zonder dat SNS Bank daarbij beleggingsadvies gaf. Een aantal cliënten van SNS Bank was tevens cliënt van beleggingsadviseur [A] , die hen vanaf een zeker moment adviseerde om te beleggen in buitenlandse beleggingsinstellingen die niet beschikten over een vergunning in de zin van art. 4 Wtb Pro (oud) en art. 2:65 Wft Pro tot het aanbieden van deelnemingsrechten in Nederland. Deze beleggingen vonden plaats doordat SNS Bank haar bewaarbedrijf (SNS Global Custody) opdracht gaf de desbetreffende deelnemingsrechten op eigen naam voor rekening en risico van de cliënten te verwerven, aan welke opdracht het bewaarbedrijf gehoor gaf. Praktisch was de gang van zaken daarbij aldus dat het bewaarbedrijf voor de eerste inleg, op grond van een verzamelorder voor een groep cliënten, een
subscription agreementaanging met de beleggingsinstelling in kwestie en vervolgens (afhankelijk van het orderverloop) vervolgorders plaatste. De cliënten werden hiermee economisch gerechtigd tot (hun aandeel in) de deelnemingsrechten van het bewaarbedrijf in de beleggingsinstelling. Vanaf een zeker moment zijn er problemen ontstaan bij verschillende van deze beleggingsinstellingen, onder meer naar aanleiding van het aan het licht komen van fraude (waaronder de fraude van Bernard Madoff). Dit maakte dat het rendement op deze beleggingsinstellingen afnam of opdroogde, of dat de waarde van de deelnemingsrechten anderszins (scherp) daalde. De betrokken beleggers verenigden zich uiteindelijk in een stichting als bedoeld in art. 3:305a BW (hierna: de
Stichting), die zowel SNS Bank als haar bewaarbedrijf in rechte betrok. De Stichting stelde zich in de procedure onder meer op het standpunt dat SNS Bank het aanbiedingsverbod in art. 4 Wtb Pro (oud) en art. 2:65 Wft Pro heeft overtreden door deelnemingsrechten in beleggingsinstellingen, die of wier beheerders niet over een vergunning in de zin van die artikelen beschikten, aan haar cliënten in Nederland aan te bieden, terwijl zijzelf ook niet over zodanige vergunning beschikte.
welovertreden met het verwerven van deelnemingsrechten in de beleggingsinstellingen op naam van haar bewaarbedrijf, en het daartoe in ontvangst nemen van gelden, ten behoeve van de cliënten van SNS Bank, “voor zover deze verwerving meebracht dat de cliënten daaraan minder of mindere aanspraken of bevoegdheden of juist méér aanspraken of bevoegdheden konden ontlenen dan wanneer zij die deelnemingsrechten in eigen naam zouden hebben verworven, afgezien van de omstandigheid dat de deelnemingsrechten op naam van [het bewaarbedrijf, A-G] waren gesteld.” (rov. 4.3.18) Daartoe overwoog de rechtbank, voor zover van belang, als volgt:
hedge fundsof in
funds of hedge funds(hierna beide soorten fondsen aangeduid als
hedge funds). Deze beleggingsinstellingen waren in het buitenland gevestigd, beschikten niet over een vergunning van de AFM, waren niet bij de AFM aangemeld en richtten zich niet op particuliere beleggers in Nederland.”
transfer agent);
meerheeft gedaan dan, kort gezegd, het enkel (op basis van de tripartiete overeenkomst) uitvoeren van orders van Attica en het op aangeven van Attica verwerken van mutaties op de geld- en fondsenrekening (van [verweerster] ). [130] Dit strookt met de verwijzing van het hof in rov. 3.4, eerste zin naar het betoog van [verweerster] , samengevat, dat IGB haar (bijzondere) zorgplicht (als bank) heeft geschonden door “met overtreding van een wettelijk aanbiedingsverbod actief mee te werken aan een constructie waardoor particuliere beleggers, zoals [verweerster] , in de
hedge fundskonden beleggen”, in welk verband mede relevantie toekomt aan de stellingen van [verweerster] dat het voor particuliere beleggers (zoals [verweerster] ) in beginsel niet mogelijk was om in die fondsen deel te nemen (rov. 3.4, vierde zin), dat die fondsen uitsluitend geschikt waren voor professionele beleggers (rov. 3.4, vijfde zin) en dat die fondsen een hoge risicograad en hoge deelnemingsdrempels kenden (rov. 3.4, zesde zin). [131] Ik versta de gedachtegang van het hof in rov. 3.6 (omtrent het vallen van de in rov. 2.6 omschreven gang van zaken onder het wettelijk aanbiedingsverbod, welk verbod IGB dus heeft overtreden) naar de kern genomen zo, dat:
hedge funds, zelf voor (particuliere) beleggers onder wie [verweerster] op actieve wijze iets mogelijk maakte in termen van beleggingen, [134]
subonderdeel 4.1(weergeven in nr. 3.51 hiervoor) ervan uitgaat dat het hof zijn oordeel in rov. 3.6 jo. rov. 2.6 omtrent IGB’s schending van het wettelijk aanbiedingsverbod heeft gestoeld op, kort gezegd, het enkel (op basis van de tripartiete overeenkomst) uitvoeren van orders van Attica en het verwerken van mutaties op de geld- en fondsenrekening (van [verweerster] ), en aldus op een zuiver als tussenpersoon “bij een transactie dienstverlenende bank” (niet zijnde een aanbiedende partij op wie het wettelijk aanbiedingsverbod ziet), gaat het uit van een verkeerde lezing van het arrest en mist het dus feitelijke grondslag. Zoals nader uiteengezet in nrs. 3.83-3.85 hiervoor is dat oordeel van het hof niet daarop gestoeld, maar op een samenstel van gedragingen en andere omstandigheden waaruit volgt dat IGB bepaald
meerheeft gedaan dan dat, in welk oordeel het hof IGB hier wel degelijk beschouwt als (niet slechts zo’n zuivere tussenpersoon, maar) een aanbiedende partij op wie het wettelijk aanbiedingsverbod ziet, en in welk oordeel tevens besloten ligt dat IGB, een bank die te gelden heeft als professionele en bij uitstek deskundige dienstverlener, de relevantie van dat verbod in dit geval ook kon voorzien gelet op haar eigen betrokkenheid bij en wetenschap van die gang van zaken zoals weergegeven in nrs. 3.83-3.85 hiervoor. Voor zover het subonderdeel hieraan niet voorbijziet, maar is gebaseerd op de gedachte dat IGB (ook in de gegeven omstandigheden) niet rechtens “als aanbieder kan worden gekwalificeerd”, omdat zij niet is “de beheerder, de uitgevende instelling zelf of degene die de deelnemingsrechten in de secundaire markt aanbiedt” en “alleen” zo’n actor “als aanbieder kan worden gekwalificeerd”, loopt het erop vast dat deze gedachte, ook al is zij in het subonderdeel op (leer)stellige wijze geformuleerd, overmatig restrictief is en geen steun vindt in het recht. M.i. laat het toepasselijke juridische kader zoals uiteengezet in nrs. 3.55-3.82 hiervoor meer ruimte dan het subonderdeel aldus voorstaat wat betreft het kwalificeren van een actor als aanbieder op wie het wettelijk aanbiedingsverbod ziet en in ieder geval de ruimte om, in die door het hof (met inachtneming ook van het partijdebat en art. 24 Rv Pro) aan zijn oordeel in rov. 3.6 jo. rov. 2.6 ten grondslag gelegde feitenconstellatie en analyse zoals uiteengezet in nrs. 3.83-3.85 hiervoor, aan te nemen dat IGB hier kwalificeert als zo’n aanbieder op wie het wettelijk aanbiedingsverbod ziet (welk verbod IGB dus heeft overtreden); ook al is zij niet zelf (een beheerder van) zo’n fonds of zo’n belegger. Dat in de daar genoemde parlementaire geschiedenis en literatuur wel wordt gewerkt met bepaalde, op zulke actoren toegesneden hoofdscenario’s, is wellicht niet zo gek, maar sluit naar de aard toch niet categorisch uit dat in een specifieke casuspositie een andere actor, zoals een betrokken beleggingsonderneming (zoals hier IGB) ook onder de reikwijdte van aanbieden/aanbieder en het wettelijk aanbiedingsverbod kan vallen, hetgeen de daar genoemde rechtspraak trouwens ook illustreert. [142] Daarbij breng ik tevens in herinnering dat de verbodsbepalingen van art. 4 Wtb Pro (oud) en art. 2:65 jo Pro. 1:1 onder d Wft algemeen zijn gesteld en zich in wezen richten tot, kort gezegd, eenieder die de daar bedoelde “rechten van deelneming” in Nederland aanbiedt, wat ook strookt met de beschermingsstrekking ervan, kort gezegd: bescherming van het beleggend publiek (waar in dit geval [verweerster] ook onder valt). Dat, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, soms ook een betrokken beleggingsonderneming (zoals hier IGB) zelf onder de reikwijdte van aanbieden/aanbieder en het wettelijk aanbiedingsverbod kan vallen, ligt dus ook in lijn met de tekst en de (beschermings)strekking van die wettelijke verbodsbepalingen. [143] Dat en waarom dit anders zou moeten zijn, zie ik al met al niet en ben ik in die bronnen evenmin tegengekomen; ook uit het subonderdeel volgt dat niet, noch overigens uit de mij bekende, tot dusver verschenen commentaren op het in de onderhavige zaak bestreden arrest. [144] Aan het voorgaande doet rov. 3.6, slotzin volgens mij niet af, nu, gelet ook op dat juridische kader en voornoemde oordeel van het hof, in beide scenario’s waarop die slotzin [145] ziet gesproken kan worden van het genoemde (indirecte) “beleggen” door die cliënten in op professionele beleggers gerichte buitenlandse fondsen, van (het aanbieden van) “rechten van deelneming in een beleggingsinstelling” (die niet wordt beheerd door een beheerder waaraan een vergunning is verleend) in de zin van art. 4 Wtb Pro (oud) en art. 2:65 jo Pro. 1:1 onder d Wft, en van schending door IGB in het onderhavige geval van het wettelijk aanbiedingsverbod. Hierop stuit het subonderdeel (waarin ik verder geen klachten kan ontwaren) af.
subonderdelen 4.2 en 4.3(weergeven in nr. 3.52 hiervoor) lenen zich voor een gezamenlijke behandeling. Deze subonderdelen falen, in het voetspoor van het voorgaande subonderdeel. Voor zover de subonderdelen ervan uitgaan dat het hof zijn oordeel in rov. 3.6 jo. rov. 2.6 omtrent IGB’s schending van het wettelijke aanbiedingsverbod heeft gestoeld op, kort gezegd, het enkel (op basis van de tripartiete overeenkomst) uitvoeren van orders van Attica en het verwerken van mutaties op de geld- en fondsenrekening (van [verweerster] ), gaan ze uit van een verkeerde lezing van het arrest en missen ze dus feitelijke grondslag. Zie ook nr. 3.87 hiervoor. Voor het overige zien de subonderdelen m.i. eraan voorbij dat het hof met zijn in rov. 3.6 jo. rov. 2.6 gegeven oordeel waarover nrs. 3.83-3.85 en 3.87 hiervoor, waarbij het (met inachtneming ook van het partijdebat en art. 24 Rv Pro) ervan is uitgegaan en heeft kunnen uitgaan dat IGB bij de daarin weergegeven gang van zaken op hier relevante wijze rechtstreeks of middellijk (via Attica) gelden verkreeg van individuele cliënten onder wie [verweerster] [146] ter deelneming in beleggingsinstellingen, waardoor (uiteindelijk) zij gerechtigd werden tot deelnemingsrechten in die fondsen via bijschrijving door IGB op hun fondsenrekeningen: [147] , [148]
subonderdeel 4.4(weergeven in nr. 3.53 hiervoor), in het voetspoor van de voorgaande subonderdelen. De overweging in rov. 3.6, achtste zin (“De definitie van aanbieden is dus ruimer dan IGB heeft verdedigd met haar stelling dat aanbieden betekent “het feitelijk benaderen van beleggers””), waarop het subonderdeel doelt, kan de conclusie van het hof in rov. 3.6, negende en tiende zin (“De hiervoor in rov. 2.6 omschreven gang van zaken valt onder het aanbiedingsverbod. IGB heeft dit verbod dus overtreden”) weliswaar niet zelfstandig dragen, maar is volgens mij door het hof ook niet zo bedoeld. De bedoelde overweging, die voortbouwt op rov. 3.6, eerste t/m zevende zin, vormt m.i. wel mede een respons op de stellingname van IGB in feitelijke instanties inzake de betekenis van ‘aanbieden’, die verduidelijkt dat en waarom deze stellingname volgens het hof berust op een te beperkte opvatting van dat begrip in de zin van de Wft. [151] Onbegrijpelijk is die respons niet, gelet op het voorgaande. Onbegrijpelijk is evenmin dat het hof die overweging betrekt bij die conclusie, nu die conclusie erop neerkomt dat de in rov. 2.6 omschreven gang van zaken valt onder het aanbiedingsverbod, welk verbod IGB dus heeft overtreden, en die overweging daarmee naar de aard verband houdt gezien de relevantie daarvoor van het genoemde begrip in de zin van de Wft. Voor zover IGB die overweging(en) anders leest, meer in het bijzonder dat volgens het hof “het een” (die conclusie) volgt “uit het ander” (die overweging), is deze lezing verkeerd en mist het dus (ook) feitelijke grondslag. Het vervolg van het subonderdeel (“Bovendien/althans miskent het hof hiermee”, etc.) is niet eenvoudig te duiden. [152] Te meer zonder toelichting, die ontbreekt, zie ik niet dat en waarom het hof in rov. 3.6 art. 25 Rv Pro heeft miskend bij het trekken van de genoemde conclusie, zoals het subonderdeel kennelijk betoogt. Naar ook blijkt uit nrs. 3.83-3.85 en 3.87-3.88 hiervoor, heeft het hof m.i. met inachtneming ook van het partijdebat en art. 24 Rv Pro de toepasselijke rechtsregels betrokken en op basis daarvan onderzocht of, in de gegeven omstandigheden, de in rov. 2.6 weergegeven gang van zaken onder het wettelijk aanbiedingsverbod valt en of IGB, gelet daarop, dat verbod geschonden heeft.
hedge fundsonttrokken was, zelfs geen enkele van de onder b, c en d bedoelde stappen heeft gezet (wat wel mogelijk was) en aldus ter zake volledig passief is gebleven, onderwijl wel voortgaand met die in rov. 2.6 omschreven gang van zaken en haar actieve betrokkenheid daarbij (waarmee zij dus ook bleef handelen in strijd met het wettelijk aanbiedingsverbod). Het oordeel van het hof dat, gegeven ook het partijdebat en alles afwegende, IGB met deze gedragslijn (een combinatie van handelen en nalaten waar ten minste enig handelen aangewezen was) in het kader van de tripartiete overeenkomst en in de gegeven omstandigheden als (depot)bank jegens [verweerster] niet de minimaal van haar vereiste zorgvuldigheid heeft betracht, [171] kan m.i. zowel qua rechtsopvatting als qua motivering door de beugel, zoals ook moge blijken uit de behandeling van de onderdelen 1 t/m 6 in nrs. 3.1-3.97 hiervoor en nrs. 4.7-4.9 hierna.
Subonderdeel 7.1klaagt dat dit oordeel bij het slagen van (een van) de voorafgaande klachten niet in stand kan blijven. Daarbij wordt aangevoerd dat de overweging in rov. 3.9, slotalinea dat aan dit oordeel niet ‘kan afdoen’ dat de zorgplicht van IGB jegens haar cliënt in een tripartiete relatie beperkt is en dat IGB wist dat Attica [verweerster] adviseerde, geen voldoende (begrijpelijke) respons vormt op de in de voorafgaande klachten ingeroepen argumenten van IGB.
Subonderdeel 7.2klaagt dat het oordeel in rov. 3.9, aanhef en onder b, op grond van de voorafgaande klachten, in het bijzonder subonderdeel 6.2, evenmin in stand kan blijven. Het subonderdeel betoogt dat daarbij komt dat niet (zonder meer) valt in te zien dat de door het hof zonder nadere motivering aangenomen ‘risicovolheid’ van de fondsen relevant is voor de door het hof aangenomen zorgplichtschending. Daartoe wordt aangevoerd dat het niet ongeoorloofd of ongebruikelijk is dat particulieren in risicovolle producten beleggen, en dat het (zie subonderdeel 5.4) niet aan IGB was zich hierover een oordeel te vormen.
Onderdeel 8is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 3.15 dat het beroep van IGB op de contractuele vervalbedingen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is:
Subonderdeel 8.1klaagt dat dit oordeel onjuist is, indien het hof aldus de bij de toepassing van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid passende terughoudendheid en de dienovereenkomstige motiveringseisen heeft miskend.
Subonderdeel 8.2klaagt dat het oordeel van het hof niet voldoet aan genoemde motiveringseisen, en/althans de gegeven motivering niet de conclusie kan dragen dat van onaanvaardbaarheid sprake is. Daartoe wordt aangevoerd dat het hof in algemene zin verwijst naar ‘aard en ernst van de verweten gedragingen’ zonder duidelijk te maken waarop het hof doelt en hoe het hof dit weegt, terwijl dit niet evident is. Verder is niet zonder meer duidelijk of begrijpelijk hoe de ‘overeenkomstige toepassing’ van rov. 3.14 bijdraagt aan ’s hofs conclusie. De motivering die het hof geeft, is hierom onvoldoende om zijn beslissing controleerbaar en aanvaardbaar te maken.
bij Atticaen er bij Attica op heeft aangedrongen dat zij haar schade vergoed wenste te zien. Hieruit leidt IGB af dat het [verweerster] al in juli 2009 duidelijk was dat er wat haar betreft het nodige mis was met het vermogensbeheer door Attica, en wel dusdanig dat zij meende Attica voor de door haar geleden schade aansprakelijk te moeten stellen. Volgens IGB houdt dit standpunt van [verweerster] (tevens) in dat zij (kennelijk) meende dat sprake was van transactie(s) die niet pasten binnen haar beleggingsdoelstellingen en/of waartegen zij anderszins bezwaren had. Door desalniettemin niet eerder dan bij brief van 26 januari 2012 bij IGB te klagen - ruim twee-en-half jaar nadat [verweerster] (kennelijk) bekend was met haar bezwaren tegen de beleggingen in de fondsen waar zij thans IGB voor aanspreekt en/of nadat zij feitelijk bekend was met het gestelde gebrek in de prestatie door IGB - heeft IGB niet voldaan aan haar contractuele verplichting om IGB zo spoedig mogelijk schriftelijk te informeren over haar bezwaren, en is haar eventuele vorderingsrecht jegens IGB komen te vervallen en/of heeft zij niet binnen de vereiste bekwame tijd nadat zij het gebrek heeft ontdekt of redelijkerwijs had moeten ontdekken bij IGB geprotesteerd (als bedoeld in art. 6:89 BW Pro). IGB heeft tot slot aangevoerd dat zij door dit tijdsverloop is benadeeld in, kort gezegd, haar verweermogelijkheden. [177]
contractueleklachtplichten zoals beoordeeld door het hof in rov. 3.15 dezelfde feiten en omstandigheden ten grondslag gelegd als aan haar beroep op de
wettelijkeklachtplicht, zoals daarvóór beoordeeld (en verworpen) door het hof in rov. 3.14. Op zichzelf kon het hof dan ook in rov. 3.15 voortbouwen op dat in rov 3.14 overwogene “in verband met art. 6:89 BW Pro”, ook via het van overeenkomstige toepassing verklaren van dit laatste op de door IGB ingeroepen “contractuele vervalbedingen”.
bij Atticaheeft geklaagd niet kan worden afgeleid dat [verweerster] , toen zij dat deed, ook op de hoogte was van de zorgplichtschending van IGB als bank, nu die een andere zorgplicht betreft dan die van Attica als vermogensbeheerder, en dus evenmin dat [verweerster] toen ook al gerede aanleiding had te veronderstellen dat IGB kon zijn tekortgeschoten in die zorgplicht (rov. 3.14, vijfde zin).
actiefheeft meegewerkt aan een gang van zaken, waarbij: a) zij het wettelijk aanbiedingsverbod overtrad; b) zij door haar medewerking bewerkstelligde dat beleggers in Nederland, onder wie [verweerster] , (indirect) in risicovolle
hedge fundsbelegden, en zij niet is nagegaan of deze beleggers niet-professionele beleggers waren, hoewel zij ernstig rekening moest houden met de mogelijkheid dat zij dat waren; c) zij geen open kaart speelde bij de fondsen; én d) zij niet is nagegaan of verkrijging van de deelnemingsrechten mogelijk zou zijn geweest indien zij open kaart zou hebben gespeeld bij die fondsen, hoewel zij rekening moest houden met de mogelijkheid dat die verkrijging dan niet mogelijk zou zijn geweest.
Bespreking van het cassatiemiddel in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep
bij het aangaan van de tripartiete relatie met [verweerster]een ‘passendheidstoets’ uit te voeren en dat IGB
deze toetsniet of onvoldoende zorgvuldig heeft uitgevoerd. Anders gezegd: of IGB ook daarná gehouden was een passendheidstoets uit te voeren en of IGB déze toets niet of onvoldoende zorgvuldig heeft uitgevoerd, lag volgens het hof dus niet (ook) ter beoordeling voor en is door het hof dus niet (ook) beoordeeld in rov. 3.3. [187] Voor zover het subonderdeel al (voldoende kenbaar) zou klagen over die toespitsing door hof in rov. 3.2 op het door [verweerster] betoogde als daarin weergegeven (“bij het aangaan van de tripartiete relatie met [verweerster] ”, “deze toets”, etc.), waarop het hof vervolgens dus respondeert in rov. 3.3, loopt het erop vast dat dit berust op een niet onbegrijpelijke uitleg door het hof van de gedingstukken en niet rechtens onjuist is. [188] Daarbij stel ik voorop dat het subonderdeel als vindplaats in de gedingstukken slechts verwijst naar een uit twee zinnen bestaand randnummer (nr. 32, op p. 11 van 12) aan het slot van de pleitnota van [verweerster] in hoger beroep, waarin zij kennelijk een eigenstandige stelling betrekt inzake de temporele reikwijdte van “het ‘ken-uw-cliënt’-beginsel” vervat in “(de voorlopers van) art. 4:24 Wft Pro” [189] (“Gilissen miskent dat die verplichting telkens opnieuw op haar kwam te rusten”, etc.) zonder enige verwijzing naar een vindplaats elders in haar gedingstukken waarin die stelling door [verweerster] eerder kenbaar is betrokken of waarop deze kenbaar voortbouwt, welke vindplaats ik daarin ook niet heb kunnen traceren. [190] , [191] Meer in het bijzonder heeft het hof in rov. 3.2-3.3 klaarblijkelijk:
execution only-diensten, in het bijzonder het uitvoeren van orders en het bewaren van gelden en fondsen. Van de hier door het subonderdeel gestelde ‘versmalling’ door het hof van de passendheidstoets (al dan niet ook ten opzichte van rov. 3.2) is m.i. dus evenmin sprake. [195]
bij het aangaanvan de tripartiete relatie met haar ‘cliënt’ [verweerster] (niet onvoldoende zorgvuldig) heeft uitgevoerd, op welk moment logischerwijs - en ook volgens de eigen stellingen van [verweerster] - nog geen sprake was van beleggingen in de onderhavige
hedge funds, [197] noch overigens van de door het hof in rov. 2.8 (en rov. 3.7) als feit vastgestelde maandelijkse onttrekkingen door [verweerster] van haar door IGB bijgehouden fondsenrekening (en dus ook nog niet van de door het hof in rov. 3.7, slotzin bedoelde, mede daarop gebaseerde wetenschap van IGB omtrent [verweerster] ). De stelling dat IGB had moeten verifiëren of Attica aan haar eigen verplichtingen uit hoofde van de passendheidstoets had voldaan, vindt, in zijn algemeenheid, geen steun in het recht en mocht het hof reeds om die reden passeren zoals het heeft gedaan (evenmin was IGB zonder meer gehouden om de door Attica, in het kader van het vermogensbeheer, gemaakte beleggingsbeslissingen op geschiktheid of passendheid voor [verweerster] te toetsen). Zoals ook aan de orde komt bij de behandeling van onderdeel 2 in het principiaal cassatieberoep (zie met name nr. 4.9 hierna), is het hof m.i. in rov. 3.3 uitgegaan van een door IGB uit te voeren passendheidstoets van haar eigen dienstverlening aan [verweerster] . Voor zover het subonderdeel uitgaat van een andere lezing van het arrest, mist het dus ook feitelijke grondslag. Voor zover het subonderdeel voortbouwt op subonderdeel 1.1 (zie onder 6), deelt het in het lot daarvan. Zie nr. 4.4 hiervoor. Overigens stuit het daarin onder 6 door [verweerster] betoogde omtrent “
daadwerkelijkverrichtte”, te onderscheiden van “
konworden gebruikt”, af op het voorliggen van de vraag naar de naleving door IGB van de passendheidstoets naar het moment van aangaan van de tripartiete overeenkomst; waarover hiervoor.
principaalcassatieberoep, dat - hoewel ten overvloede - nog nadere behandeling behoeft (zie ook nrs. 3.26-3.28 hiervoor).
execution only-diensten (kort gezegd: het uitvoeren van orders en het bewaren van fondsen en gelden) passend waren voor [verweerster] , maar dat zij óók diende te beoordelen of de dienstverlening door Attica (het vermogensbeheer, inclusief de daarbij horende orderuitvoering) als zodanig geschikt of passend was voor [verweerster] , [199] gaat het uit van een verkeerde lezing van het arrest en mist het dus feitelijke grondslag. Zover reikt het oordeel van het hof in (rov. 3.2 en) rov. 3.3 over de door IGB te verrichten passendheidstoets m.i. niet, en het partijdebat (waarop het hof ook wijst in rov. 3.3, tweede alinea, eerste zin) gaf daar overigens ook geen aanleiding toe. Een dergelijk oordeel ligt evenmin besloten in de zinsnede “dat de bank (…) moet beoordelen of de in die overeenkomst voorziene tripartiete relatie passend is voor de cliënt” (rov. 3.3, zesde zin), waarbij ik constateer dat het hof nergens spreekt in termen van de tripartiete overeenkomst “in zijn geheel”, óók de dienstverlening door Attica, of woorden van gelijke strekking. Voor zover het onderdeel zo moet worden begrepen dat het hof met zijn oordeel in rov. 3.3 heeft miskend dat IGB slechts behoefde te beoordelen of de door haar te verlenen
execution only-diensten (kort gezegd: het uitvoeren van orders en het bewaren van gelden en fondsen) passend waren voor [verweerster] , in die zin dat zij de passendheidstoets had moeten loskoppelen van de tripartiete overeenkomst waaruit die dienstverlening voortvloeit, [200] ziet het eraan voorbij dat de omvang van de te verrichten passendheidstoets afhankelijk is van de omstandigheden van het concrete geval. Het hof heeft bij zijn beoordeling van het betoog van [verweerster] m.i. dan ook terecht betrokken dat de hier door IGB te verrichten diensten voortvloeien uit de tripartiete overeenkomst tussen [verweerster] , Attica en IGB, en dat uit die overeenkomst mede blijkt: dat [verweerster] zich liet adviseren door Attica, die over een vergunning voor effectenbemiddeling en vermogensbeheer beschikte (rov. 3.3, zevende zin); en dat deze ook kon worden gebruikt om minder risicovolle gelden en fondsen voor [verweerster] te verwerven en te bewaren (rov. 3.3, achtste zin). Aldus ligt in ’s hofs oordeel kenbaar besloten dat IGB bij het aangaan van de tripartiete overeenkomst moest beoordelen of de door haar te verlenen
execution only-diensten, zoals voorzien in die overeenkomst, passend waren voor [verweerster] . [201] Dit oordeel strookt overigens ook met de eigen stellingen van IGB in feitelijke instanties. [202] Hierop stuit het onderdeel af.
actiefmee te werken aan een gang van zaken waarbij: a. zij het wettelijk aanbiedingsverbod overtrad; b. zij door haar medewerking bewerkstelligde dat beleggers in Nederland, onder wie [verweerster] , (indirect) in risicovolle
hedge fundsbelegden, en zij niet is nagegaan of deze beleggers niet-professionele beleggers waren, hoewel zijn ernstig rekening moet houden met de mogelijkheid dat zij dat waren; c. zij geen open kaart speelde bij de fondsen; en d. zij niet is nagegaan of verkrijging van de deelnemingsrechten mogelijk zou zij geweest indien zij open kaart zou hebben gespeeld bij de fondsen, hoewel zij rekening moest houden met de mogelijkheid dat die verkrijging dan niet mogelijk zou zijn geweest. Aldus heeft het hof, met zijn oordeel in rov. 3.11 dat de aard van de tripartiete relatie meebracht dat IGB erop mocht vertrouwen dat Attica waar nodig [verweerster] zou waarschuwen, m.i. voldoende (begrijpelijk) gereageerd op de stellingen van [verweerster] die ertoe strekken dat (ook) IGB haar had moeten waarschuwen voor de risico’s en kenmerken van de onderhavige beleggingen in de
hedge funds. Zoals gezegd, blijkt uit rov. 3.5 dat de zorgplicht van een bank jegens een cliënt in een tripartiete relatie als de onderhavige (waarbij normaaltypisch het beleggingsbeleid wordt bepaald door een vergunning houdende vermogensbeheerder en de bank slechts als depotbank fungeert) in beginsel beperkt is, terwijl in de daaropvolgende rov. 3.6-3.9 en 3.11 kenbaar besloten ligt dat de omstandigheden van dit concrete geval niet dusdanig zijn dat niettemin aangenomen moet worden dat, náást het door het hof op basis van rov. 3.9 aan IGB verweten nalaten (zie nr. 3.99 hiervoor, mede over rov. 3.9, aanhef en onder b, c en d), op IGB óók nog weer een (additionele) waarschuwingsplicht jegens [verweerster] rustte als bedoeld in het onderdeel. Daarbij is op te merken dat de motiveringsplicht van het hof ook hier niet zover reikt dat het gehouden was om ter zake (expliciet) te reageren op iedere stelling van [verweerster] , dat niet alle door het onderdeel genoemde vindplaatsen stellingen van [verweerster] betreffen die kenbaar gerelateerd zijn aan het in rov. 3.11 overwogene omtrent een “waarschuwingsplicht” van IGB, en dat de stelling dat IGB gehouden was te verifiëren of Attica aan haar informatieverplichtingen jegens [verweerster] had voldaan, in zijn algemeenheid, niet als juist kan worden aanvaard. Gelet op het voorgaande is het oordeel van het hof in rov. 3.4, tweede t/m vierde zin m.i. goed te volgen en niet aan te merken als onjuist of onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd, zoals aangevoerd in het onderdeel.
Conclusie in het principaal cassatieberoep en het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep