Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:1946

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
31 maart 2026
Zaaknummer
200.361.770
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 339 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens overschrijding beroepstermijn bij Effectenlease-zaak

Dexia Nederland B.V. stelde hoger beroep in tegen een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 11 maart 2025. De procedure in hoger beroep werd gevoerd over de ontvankelijkheid van het beroep, waarbij Dexia stelde dat sprake was van een apparaatsfout die de termijnoverschrijding zou rechtvaardigen.

Het hof stelde vast dat de beroepstermijn drie maanden bedroeg en eindigde op 11 juni 2025. De dagvaarding in hoger beroep werd echter pas op 20 oktober 2025 betekend, ruim na het verstrijken van de termijn. Dexia heeft haar betoog omtrent de apparaatsfout niet nader onderbouwd, ondanks de gelegenheid daartoe.

De afnemer overlegde brieven van de rechtbank waarin de streefdata voor het vonnis werden medegedeeld, die ook aan Dexia waren verzonden. Dit maakte duidelijk dat Dexia tijdig op de hoogte was van het vonnis. Ook een herinnering van de gemachtigde van de afnemer aan Dexia om aan het vonnis te voldoen werd niet weersproken. Het hof concludeerde dat er geen sprake was van een verschoonbare termijnoverschrijding.

Daarom verklaarde het hof het hoger beroep van Dexia niet-ontvankelijk en veroordeelde haar tot betaling van de proceskosten van de afnemer, waaronder griffierecht en advocaatkosten. Het arrest werd uitgesproken op 31 maart 2026 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Uitkomst: Het hoger beroep van Dexia werd niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn zonder geldige apparaatsfout.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.361.770/02
zaaknummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, 11168668
arrest van 31 maart 2026
in de zaak van
Dexia Nederland B.V.
die is gevestigd in Amsterdam
die hoger beroep heeft ingesteld
en bij de kantonrechter optrad als gedaagde in conventie en eiseres in reconventie
hierna: Dexia
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer
tegen
[geïntimeerde]
handelende voor zichzelf en tevens ten behoeve van de gemeenschap, in hoedanigheid van
de wettelijke erfgenaam van [naam]
die woont in [woonplaats]
en bij de kantonrechter optrad als eiser in conventie en verweerder in reconventie
hierna: de afnemer
advocaat: mr. J.B. Maliepaard

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
Dexia heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof tegen het vonnis dat de kantonrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, op 11 maart 2025 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep
  • het herstelexploot
  • de akte uitlating beroep van Dexia op vermeende apparaatsfout van de zijde van de afnemer.
1.2.
Vervolgens heeft Dexia op de rol van 24 februari 2026 de gelegenheid gekregen om zich bij antwoordakte (nader) uit te laten over de ontvankelijkheid van haar hoger beroep. Daarvan heeft Dexia geen gebruik gemaakt.

2.De ontvankelijkheid van het hoger beroep

2.1.
Het hof stelt het volgende voorop. De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt in deze zaak drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak van het vonnis (artikel 339 lid 2 Rv Pro). Wettelijke termijnen voor het instellen van rechtsmiddelen zijn van openbare orde en moeten door de rechter ambtshalve worden toegepast. Daarbij is uitgangspunt dat in het belang van een goede rechtspleging duidelijkheid moet bestaan over het tijdstip waarop een termijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel aanvangt en eindigt, en dat aan rechtsmiddelentermijnen strikt de hand moet worden gehouden. De Hoge Raad heeft bepaald dat op dit uitgangspunt slechts onder bijzondere omstandigheden een uitzondering kan worden gemaakt, zoals in het geval van zogenoemde apparaatsfouten. [1]
Volgens vaste rechtspraak is een termijnoverschrijding verschoonbaar indien degene die beroep instelt, ten gevolge van een door (de griffie van) de rechtbank begane fout of verzuim niet tijdig wist en redelijkerwijs ook niet kon weten dat de rechter uitspraak heeft gedaan en de uitspraak hem als gevolg van een niet aan hem toe te rekenen fout of verzuim pas na afloop van de termijn voor het instellen van hoger beroep is toegezonden of verstrekt. [2]
2.2.
Het vonnis van de kantonrechter is uitgesproken op 11 maart 2025. De termijn voor het instellen van hoger beroep eindigde drie maanden later, namelijk op 11 juni 2025. Nu de dagvaarding in hoger beroep op 20 oktober 2025 is betekend, is dit buiten de termijn voor het instellen van hoger beroep gebeurd.
2.3.
Dexia heeft in haar dagvaarding in hoger beroep aangevoerd dat sprake is van een apparaatsfout en heeft daarbij verwezen naar het in 2.1 aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2014. Zij heeft haar betoog dat sprake is van een apparaatsfout echter niet nader toegelicht of onderbouwd, ook niet nadat het hof haar daartoe op de rol van 24 februari 2026 de gelegenheid heeft gegeven. Verder heeft de afnemer twee brieven van de rechtbank aan zijn gemachtigde in eerste aanleg overgelegd. De rechtbank heeft bij brief van 14 januari 2025 medegedeeld dat in de zaak tussen partijen een vonnis zal worden gewezen en dat de streefdatum 11 februari 2025 is. Bij brief van 5 februari 2025 heeft de rechtbank medegedeeld dat de streefdatum niet zal worden gehaald en dat op 11 maart 2025 vonnis zal worden gewezen. De afnemer heeft onweersproken aangevoerd dat deze brieven door de rechtbank ook aan (de gemachtigde van) Dexia zijn gestuurd. Nu Dexia, zo concludeert het hof op grond van de onweersproken en gedocumenteerde toelichting van de afnemer, al voor het eindigen van de termijn voor het instellen van hoger beroep op de hoogte was van het vonnis, is van een verschoonbare termijnoverschrijding geen sprake. Daar komt nog bij dat Dexia het betoog van de afnemer dat zijn gemachtigde in eerste aanleg op 24 juni 2025 aan Dexia een herinnering heeft gestuurd dat zij aan het vonnis moet voldoen niet heeft weersproken. Ook hieruit volgt dat zij in elk geval vanaf dat moment bekend zou moeten zijn met het vonnis. Dexia heeft evenmin gemotiveerd waarom het gerechtvaardigd zou zijn dat zij de appeldagvaarding pas liet betekenen op 20 oktober 2025, en daarmee ruim buiten de termijn van 14 dagen die geldt voor verlenging van de beroepstermijn zoals uit het genoemde arrest volgt. Het hof zal Dexia niet-ontvankelijk verklaren in haar hoger beroep.
2.4.
Omdat Dexia in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof Dexia tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak. [3]

3.De beslissing

Het hof:
3.1.
verklaart Dexia niet-ontvankelijk in het door haar ingestelde hoger beroep tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 11 maart 2025;
3.2.
veroordeelt Dexia tot betaling van de volgende proceskosten van de afnemer:
€ 362,- aan griffierecht
€ 645,- aan salaris van de advocaat van de afnemer (0,5 procespunt x het toepasselijke tarief II).
Dit arrest is gewezen door mrs. S.C.P. Giesen, D.M.I. De Waele en M. Schoemaker, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026.

Voetnoten

1.HR 24 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1307 en HR 21 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:413.
2.HR 22 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:727 en HR 11 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1682.
3.HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.