Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2128

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
7 april 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
200.316.636/02
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:181 BWArt. 7A:1655 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over afwikkeling maatschap, vof en nalatenschappen tussen broers

De zaak betreft een geschil tussen drie broers over de afwikkeling van de nalatenschappen van hun ouders, een maatschap en een vennootschap onder firma (vof). De rechtbank had eerder de verdeling vastgesteld, waarbij de legitieme portie van één broer werd afgewezen wegens onvoldoende gegevens. In hoger beroep worden de verdelingen en waarderingen opnieuw besproken.

Het hof bevestigt grotendeels de rechtbankuitspraak, maar wijzigt de waardering van activa van de vof en corrigeert het bedrag dat een broer aan de andere twee moet voldoen. De peildata voor waardering blijven gehandhaafd, mede vanwege de lange duur van de procedure en het ontbreken van onredelijk nadeel.

Diverse grieven van de appellant worden verworpen, waaronder zijn verzoek om meer grond toe te wijzen, correcties op de successieaangifte en toedeling van bedrijfsmiddelen. Ook de stelling dat moeder vennoot was in de maatschap wordt verworpen. Het hof bepaalt dat verkochte zaken worden toegedeeld aan de partij aan wie ze toebehoorden en dat iedere partij de eigen kosten draagt. De uitspraak is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt grotendeels de rechtbankbeslissing, corrigeert de waardering van de vof en vermindert het door appellant te betalen bedrag tot €42.550.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.316.636/02
zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 184023
arrest van 7 april 2026
in de zaak van
[appellant]
die woont in [woonplaats1]
advocaat: mr. A.J. Boonstra
en

1.[geïntimeerde1]

die woont in [woonplaats2]
2. [geïntimeerde2]
die woont in [woonplaats2]
advocaat: mr. J. Keekstra
Partijen worden hierna aangeduid als respectievelijk
[appellant],
[geïntimeerde1]en
[geïntimeerde2].

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
[appellant] heeft hoger beroep ingesteld tegen de vonnissen die de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, op 13 november 2019 en 16 februari 2022 tussen partijen heeft gewezen. [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] hebben vervolgens ook hoger beroep tegen die vonnissen ingesteld. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
• de dagvaarding in hoger beroep;
• de memorie van grieven;
• de memorie van antwoord, met memorie van grieven in incidenteel hoger beroep;
• de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep;
• een akte met productie (productie 20), van de zijde van [appellant] ;
• het verslag (proces-verbaal) van de zitting bij het hof van 17 februari 2026.
1.2.
Vervolgens heeft het hof een datum bepaald voor de uitspraak.

2.De kern van de zaak

2.1.
De partijen in deze procedure zijn broers. De procedure gaat over de afwikkeling van de nalatenschappen van hun ouders en over de afwikkeling van een maatschap en een vof.
2.2.
De broers [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] hebben bij de rechtbank onder meer gevorderd om de nalatenschappen, de maatschap en de vof op de door hen genoemde wijze te verdelen. De derde broer, [appellant] , meent dat de verdeling op een andere manier moet plaatsvinden. [appellant] vordert verder dat [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] veroordeeld worden tot betaling van zijn legitieme portie in de nalatenschap van moeder.
2.3.
De rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, heeft op 16 februari 2022 over de vorderingen beslist. [1] Daarbij heeft de rechtbank, voor zover dat mogelijk was, de tussen partijen bestaande gemeenschappen verdeeld. De vordering van [appellant] tot vaststelling van zijn legitieme portie is afgewezen omdat [appellant] onvoldoende gegevens had aangeleverd.
2.4.
[appellant] wil met zijn hoger beroep bereiken dat de genoemde gemeenschappen op een andere wijze worden verdeeld. Ook [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] willen met hun beroep bereiken dat de verdeling wordt aangepast.
2.5.
Het hoger beroep van [appellant] slaagt op een beperkt onderdeel; voor het overige wordt het beroep verworpen. Ook het beroep van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] slaagt slechts op een enkel punt. Het hof zal dit hierna toelichten. Daarbij wordt eerst kort ingegaan op de feiten.

3.De feiten

3.1.
Partijen zijn de kinderen van de heer [naam1] (hierna: vader) en mevrouw [naam2] (hierna: moeder). Vader en moeder waren in gemeenschap van goederen gehuwd.
3.2.
[geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] hebben vanaf 1 mei 1974 met vader een melkveehouderij- en akkerbouwbedrijf in de vorm van een maatschap uitgeoefend ( [naam3] ). Vader heeft daarbij vee en inventaris ingebracht, alsmede het genot en gebruik van de op zijn naam staande gebouwen en landerijen. [appellant] is in 1976 tot de maatschap toegetreden; er is toen geen overeenstemming bereikt over een schriftelijke maatschapsakte.
3.3.
[geïntimeerde1] , [geïntimeerde2] en [appellant] zijn per 1 april 1992 met elkaar de vennootschap onder firma [naam4] ' aangegaan (hierna: de vof). Met de vof exploiteerden zij een koelhuis dat diende voor opslag van de eigen producten (vanuit het akkerbouwbedrijf van de maatschap) en opslag van producten van derden. Partijen hebben destijds een vennootschapsakte ondertekend.
3.4.
Blijkens een intentieverklaring van 21 november 2000 zijn vader en moeder akkoord gegaan met beëindiging van de deelname van vader in de maatschap en belastingvrije doorschuiving van de ten name van vader staande gebouwen en landerijen naar [geïntimeerde1] , [geïntimeerde2] en [appellant] . Aan deze intentieverklaring is geen uitvoering gegeven.
3.5.
Vader is overleden [in] 2002. Vader heeft bij testament over zijn nalatenschap beschikt. In het testament heeft vader aan moeder, in de plaats van haar erfdeel bij versterf, het levenslang vruchtgebruik van zijn gehele nalatenschap gelegateerd. [geïntimeerde1] , [geïntimeerde2] en [appellant] zijn gezamenlijk gerechtigd tot de nalatenschap van vader.
3.6.
In het handelsregister is per [datum] 2002 een maatschap tussen [geïntimeerde1] , [geïntimeerde2] , [appellant] en moeder ingeschreven, met vermelding dat het een voortzetting van de onderneming van de maatschap met vader betreft.
3.7.
In een overeenkomst van mei 2004 zijn partijen met moeder overeengekomen om aan het kantoor Noordelijke Accountantsunie opdracht te geven om de fiscale aspecten van de uitvoering van de intentieverklaring van 21 november 2000, de afwikkeling van de nalatenschap van vader en een eventuele verdeling van de maatschapsboedel, alsmede de diverse mogelijke varianten op een rij te zetten. Er is vervolgens onder de leiding van dat accountantskantoor geen overeenstemming bereikt over de afwikkeling van de nalatenschap van vader, de maatschap en de vof.
3.8.
Moeder, [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] hebben bij brief van 31 oktober 2016 aan [appellant] geschreven dat de maatschap en de vof worden opgezegd; de vof tegen 31 december 2016 en de maatschap tegen 31 januari 2017.
3.9.
Moeder is [in] 2017 overleden. [2] Moeder heeft bij testament over haar nalatenschap beschikt. In het testament heeft zij [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] tot haar enige erfgenamen, tezamen en voor gelijke delen, benoemd.
3.10.
Partijen zijn er niet in geslaagd overeenstemming te bereiken over (onder meer) de afwikkeling van de nalatenschap van vader en de afwikkeling van de maatschap en de vof.

4.De procedure en de vorderingen

4.1.
[geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] hebben de procedure bij de rechtbank aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 18 april 2018. De rechtbank heeft op 16 februari 2022 eindvonnis gewezen. Daarbij heeft de rechtbank voor recht verklaard dat de vof door opzegging is ontbonden per 31 december 2016 (rov. 3.1). De rechtbank heeft – zo begrijpt het hof de beslissing van de rechtbank [3] – de verdeling van de tussen partijen bestaande bijzondere gemeenschappen vervolgens als volgt vastgesteld (rov. 3.2):
  • de boerderij c.a. aan de [adres] (kadastraal bekend gemeente [gemeentenaam] , Sectie [nummer1] ) wordt toegedeeld aan [appellant] ;
  • de overige onroerende zaken (kadastraal bekend gemeente [gemeentenaam] , Sectie [nummer2] , [nummer3] en [nummer4] , Sectie [nummer5] , [nummer6] , [nummer7] en [nummer8] en Sectie [nummer9] ) worden toegedeeld aan [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] gezamenlijk;
  • met de bepaling dat in de notariële leveringsakte een (gebruikelijke) meerwaardeclausule zal worden opgenomen die zal gelden voor de duur van vijftien (15) jaren te rekenen vanaf de datum van de leveringsakte, op grond waarvan [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] gehouden zijn om een eventuele waardevermeerdering van de 'warme grond' ten gevolge van een wijziging van de daarop rustende bestemming (zoals verkort weergeven op p. 9 van het deskundigenbericht onder het kopje "3. Publiekrechtelijke aspecten - bestemming") met [appellant] te delen, waarbij heeft te gelden dat [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] elk tot vijf/twaalfde deel van de waardevermeerdering gerechtigd zullen zijn en [appellant] tot twee/twaalfde deel daarvan;
  • de overige tot de huwelijksgemeenschap behorende bezittingen worden toegedeeld aan [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] gezamenlijk, onder gehoudenheid om de schulden van de huwelijksgemeenschap voor hun rekening te nemen en als hun eigen schulden te voldoen (welke bezittingen en schulden genoegzaam volgen uit de successieaangifte ter zake van de nalatenschap van vader), doch met uitzondering van de belastingclaim 'wegens verkoop';
  • de bezittingen van de maatschap worden toegedeeld aan [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] gezamenlijk, onder gehoudenheid om de schulden van de maatschap voor hun rekening te nemen en als hun eigen schulden te voldoen (welke bezittingen en schulden genoegzaam volgen uit het jaarrapport 2015/2016 van de maatschap);
  • van de bezittingen van de vof worden toegedeeld aan [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] gezamenlijk: een schoffelbank, een computer, een frontpakker, 2 banden Michelin, een koolplanter, een Tulip kopeg, een Lemken 5-schaar en een regeninstallatie;
  • de overige bezittingen van de vof worden toegedeeld aan [appellant] , onder gehoudenheid om de schulden van de vof voor zijn rekening te nemen en als zijn eigen schulden te voldoen (welke bezittingen en schulden genoegzaam volgen uit het jaarrapport 2016 van de vof);
  • onder gehoudenheid van [appellant] om aan [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] te voldoen een bedrag groot € 65.750,00.
De rechtbank heeft het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De vorderingen van [appellant] ter zake van de legitieme portie zijn afgewezen. De proceskosten zijn tussen partijen gecompenseerd en het meer of anders gevorderde is afgewezen.
4.2.
[appellant] vordert in hoger beroep dat het tussenvonnis van 13 november 2019 (hierna ook, kortweg: het tussenvonnis) en het eindvonnis van 16 februari 2022 worden vernietigd en dat het hof, opnieuw rechtdoende, de verdeling vaststelt op de wijze zoals [appellant] die in de procedure bij de rechtbank en bij het hof heeft bepleit. Verder vraagt [appellant] om de tegenvorderingen die hij bij de rechtbank heeft ingesteld alsnog toe te wijzen en om [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] te veroordelen in de proceskosten.
4.3.
[geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] vorderen in hoger beroep, naar het hof begrijpt, de vonnissen van 13 november 2019 en 16 februari 2022 te vernietigen en de vorderingen die zij bij de rechtbank hadden ingesteld alsnog toe te wijzen. [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] hebben in dit hoger beroep hun eis aanvankelijk vermeerderd. Op de zitting bij het hof van 17 februari 2026 hebben zij hun eis echter verminderd, en daarmee is de bedoelde eisvermeerdering ongedaan gemaakt. [4] [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] vragen tot slot om [appellant] te veroordelen in de proceskosten.

5.De beoordeling

De peildata
5.1.
Het hof zal in dit hoger beroep de verdeling zoals de rechtbank die heeft vastgesteld handhaven. Alleen voor wat betreft de berekening van de waarde van de activa van de vof komt het hof tot een ander oordeel. Omdat de verdelingen in dit hoger beroep opnieuw aan de orde zijn gesteld en daarover in zoverre ook opnieuw wordt beslist, zal het hof wel opnieuw beslissen over de peildata. [5]
5.2.
Als peilmoment voor de waardering van tot een gemeenschap behorende goederen geldt de datum van de verdeling, tenzij partijen een andere datum zijn overeengekomen of als op grond van redelijkheid en billijkheid een andere datum moet worden aanvaard. [6] Het hof is van oordeel dat in dit geval uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat moet worden afgeweken van de datum van verdeling als peildatum. Het hof zal gelet op de eisen van redelijkheid en billijkheid bepalen dat uitgegaan moet worden van de peildata zoals die ook door de rechtbank zijn vastgesteld. Daarbij acht het hof van belang dat de vennootschappen (de maatschap en de vof) hun activiteiten in elk geval in 2016 of begin 2017 definitief gestaakt hebben, dat partijen (enerzijds [appellant] en anderzijds [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] ) in elk geval sindsdien hun eigen weg zijn gegaan en dat zij daarbij kennelijk ook elk een deel van de te verdelen zaken onder zich hebben gehouden. Verder neemt het hof in aanmerking dat de procedure al zeer lange tijd heeft geduurd (de inleidende dagvaarding is van 18 april 2018, de appeldagvaarding van 13 mei 2022 en de memorie van grieven van 31 december 2024). Het hanteren van nieuwe peildata zou betekenen dat de vermogensbestanddelen van de diverse gemeenschappen alsnog – en voor een belangrijk deel: opnieuw – getaxeerd moeten worden. Daarmee zou de definitieve afwikkeling nogmaals voor langere tijd worden uitgesteld. Het hof ziet verder onvoldoende grond om te veronderstellen dat hantering van de eerder gekozen peildata in plaats van bijvoorbeeld peildata in 2026, tot aanmerkelijk en onredelijk nadeel leidt voor een of meer van de partijen.
5.3.
Het hof stelt de peildata, voor zover dat aan de orde is, gelet op de voorgenoemde omstandigheden vast op de data die de rechtbank in haar beslissing al tot uitgangspunt heeft genomen. Voor de peildata wordt dus uitgegaan van (onder meer): het jaarrapport van de maatschap 2015/2016 (per 30 april 2016); het jaarrapport van de vof 2016 (per 31 december 2016); de datum van herwaardering van de activa van de maatschap en vof (de datum als bedoeld in productie 17 bij dagvaarding, te weten 1 mei 2016 voor de maatschap en 31 december 2016 voor de vof); de datum van taxatie van het onroerend goed door de deskundige die de rechtbank heeft benoemd (22 oktober 2020); en de data als bedoeld in de successieaangifte ter zake van de nalatenschap van vader (vgl. rov. 5.18 tussenvonnis).
5.4.
Uit de stellingen van partijen volgt dat enkele van de onroerende zaken die met deze uitspraak verdeeld worden, inmiddels verkocht zijn en ook zijn overgedragen. Ook een aantal roerende zaken zou al verkocht zijn. Het hof oordeelt gelet daarop dat de koopprijs die voor een verkochte zaak ontvangen is, in redelijkheid wordt toegedeeld aan de partij of partijen aan wie die zaak was (en wordt) toebedeeld. Daarbij acht het hof onder meer van belang dat elk van partijen bij benadering een evenredig deel van de landbouwgronden krijgt toebedeeld – [appellant] 2/12 deel en [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] elk 5/12 deel – zodat verondersteld mag worden dat zij elk in beginsel in zoverre ook in gelijke mate kunnen profiteren van eventuele waardestijgingen van het onroerend goed. Verder merkt het hof op dat niet blijkt dat de taxaties die aan de verdelingen ten grondslag liggen – zoals de taxatie van het onroerend goed door de deskundige die de rechtbank heeft benoemd – onjuist of niet reëel zouden zijn.
Het hoger beroep van [appellant]
5.5.
Het hof bespreekt hierna eerst de bezwaren (grieven) die [appellant] tegen de beslissing van de rechtbank heeft aangevoerd. Vervolgens gaat het hof in op de bezwaren die [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] naar voren hebben gebracht.
Grief 1 – de nieuwe maatschap
5.6.
De maatschap van vader en de broers zoals die vanaf 1976 bestond, is ontbonden door het overlijden van vader [in] 2002 (zie rov. 5.2 tussenvonnis). Het door die aanvankelijke maatschap gevoerde landbouwbedrijf is na het overlijden van vader door de broers nog jarenlang voortgezet. De rechtbank heeft geoordeeld dat uit de feitelijke gang van zaken in de periode vanaf [datum] 2002 volgt dat sprake was van nieuwe maatschap tussen de broers. Die nieuwe maatschap is met de opzeggingsbrief van 31 oktober 2016 ontbonden (zie rov. 5.3 t/m 5.7 tussenvonnis).
5.7.
Volgens [appellant] heeft de rechtbank ten onrechte aangenomen dat sprake was van een nieuwe maatschap (grief 1). [appellant] meent dat vanaf [datum] 2002 slechts sprake was van het beredderen van ontbonden maatschap met vader. Of er al dan niet sprake was van een nieuwe maatschap maakt voor de procedure overigens geen verschil, aldus [appellant] .
5.8.
Deze grief is tevergeefs. Reden daarvoor is dat [appellant] geen belang heeft bij de grief. Tussen partijen staat namelijk niet ter discussie dat het voor de uitkomst van de procedure niet uitmaakt of in de periode vanaf 2002 sprake was van beredderen van de aanvankelijke maatschap dan wel van een nieuwe maatschap tussen de drie broers. Overigens is het hof met de rechtbank van oordeel dat in de periode na [datum] 2002, gelet op de voortgezette exploitatie van het bedrijf en de overige door de rechtbank in dit verband genoemde gronden, wel degelijk sprake was van een nieuwe maatschap tussen de broers, zodat de grief ook om die reden verworpen moet worden (zie ook hierna, bij de bespreking van grieven I en II van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] ).
Grief 2 – toedeling van land
5.9.
Tot de huwelijksgemeenschap van vader en moeder behoorde onder meer een aantal percelen (landbouw)grond. De totale oppervlakte van die percelen is ongeveer 98 hectare. [appellant] heeft gevraagd om toedeling van de boerderij aan de [adres] met daarbij een perceel grond van 25 hectare. De rechtbank heeft hierover beslist dat aan [appellant] wordt toegedeeld het perceel met boerderij aan de [adres] . Dat is een perceel met een oppervlakte van 18.62.90 hectare (zie rov. 5.8, 5.9 tussenvonnis).
5.10.
[appellant] betoogt dat hem alsnog 25 hectare grond dient te worden toegedeeld (grief 2). Volgens [appellant] is de door de rechtbank aan hem toegedeelde grond van 18.62.90 hectare ontoereikend om de boerderij aan de [adres] economisch verantwoord te kunnen exploiteren. Het is, aldus [appellant] , ook een feit van algemene bekendheid dat een perceel van 18 hectare onvoldoende is voor een economisch verantwoorde exploitatie.
5.11.
Het hof ziet geen grond of aanleiding om aan [appellant] een aanvullend stuk grond toe te delen. [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] hebben opgemerkt dat [appellant] al meer dan tien jaar geen boerderij meer exploiteert aan de [adres] . Dit laatste is door [appellant] niet weersproken. Op de zitting bij het hof heeft [appellant] verklaard dat hij de landbouwgronden in gebruik heeft gegeven aan derden. Het hof is gelet daarop met de rechtbank van oordeel dat er geen redelijke grond is om aan [appellant] nog aanvullende grond toe te delen. [appellant] is – zoals [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] in deze procedure hebben opgemerkt – namelijk wel erfgenaam van vader maar niet van moeder. [appellant] heeft per saldo dus recht op 2/12 deel van de huwelijksgemeenschap van vader en moeder (de geldvordering tot voldoening van de legitieme portie daargelaten). [appellant] kan gelet daarop naar het oordeel van het hof in redelijkheid geen aanspraak maken op toedeling van meer dan 18.62.90 hectare. Dat laatste is immers al ruimschoots 2/12 deel van de totale oppervlakte van de (landbouw)percelen.
Grief 3 – de successieaangifte
5.12.
De rechtbank heeft voor de samenstelling van de huwelijksgemeenschap van vader en moeder (deels) aansluiting gezocht bij de successieaangifte ter zake van de nalatenschap van vader. Daarbij merkt de rechtbank op dat [appellant] de juistheid van die aangifte weliswaar betwist heeft, maar dat zijn verwijzing naar de brief van 10 december 2004 aan het kantoor Noordelijke Accountantsunie in dat kader ontoereikend is (zie rov. 5.16, 5.19 tussenvonnis).
5.13.
[appellant] keert zich met grief 3 tegen het oordeel dat hij zijn stelling over de onjuistheid van de successieaangifte onvoldoende heeft toegelicht en onderbouwd. Daarbij merkt [appellant] op dat de successieaangifte onjuist is omdat daarin de waarde van het melkquotum volledig aan vader wordt toegeschreven. De helft van die waarde kwam echter toe aan de maatschap, aldus [appellant] . De grief is tevergeefs. Het hof stelt vast dat [appellant] , zoals [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] ook opmerken, niet duidelijk heeft gemaakt dat en waarom de gestelde onjuistheid in de aangifte op het punt van het melkquotum – welk melkquotum in 2005 verkocht is –, van belang is voor de beoordeling en de uitkomst in deze procedure. Ook nadat dit punt op de zitting bij het hof aan de orde was gesteld, heeft [appellant] daarover geen duidelijkheid verschaft. Dat betekent dat [appellant] zijn stellingen op dit punt, voor zover die al van betekenis zouden kunnen zijn, ook in hoger beroep onvoldoende heeft toegelicht en onderbouwd.
Grieven 4 en 8 – bedrijfsmiddelen van de maatschap en de vof
5.14.
De rechtbank heeft beslist dat alle bezittingen van de
maatschapworden toegedeeld aan [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] . Daarbij overwoog de rechtbank dat [appellant] weliswaar te kennen heeft gegeven dat hij toedeling wenst van ‘bijbehorende machines’ bij de boerderij aan de [adres] , maar dat aan die toedeling niet kan worden toegekomen omdat [appellant] niet duidelijk heeft gemaakt om welke bedrijfsmiddelen het gaat (zie rov. 5.22 tussenvonnis). De rechtbank heeft de bedrijfsmiddelen van de
vofverdeeld op de wijze zoals door [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] was gevorderd, waarbij de rechtbank heeft opgemerkt dat [appellant] het kennelijk met die wijze van verdeling eens is. Zodoende is een aantal specifieke bedrijfsmiddelen van de vof toegedeeld aan [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] en zijn de overige bedrijfsmiddelen van de vof toegedeeld aan [appellant] (zie rov. 5.32 tussenvonnis).
5.15.
Grieven 4 en 8 van [appellant] richten zich, begrijpt het hof, alleen tegen de beslissing over de verdeling van de bedrijfsmiddelen van de
vof. [appellant] wil, zo begrijpt het hof, dat alsnog álle bedrijfsmiddelen van de vof aan hem toebedeeld. Het hof ziet echter geen grond of aanleiding om de bedrijfsmiddelen van de vof, waarvan eerder beslist is dat die worden toegedeeld aan [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] , alsnog aan [appellant] toe te delen. [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] hebben uitdrukkelijk gevorderd de betreffende bedrijfsmiddelen aan hen toe te delen. [appellant] heeft ook in dit hoger beroep niet voldoende duidelijk gesteld en toegelicht dat en waarom hij belang zou hebben bij toedeling van diezelfde bedrijfsmiddelen. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de activiteiten van de vof, die gevestigd was aan de [adres] , al in 2016 zijn gestaakt. Het hof komt daarom met de rechtbank tot de slotsom dat de
specifiekebedrijfsmiddelen van de vof waarvan [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] uitdrukkelijk hebben gevorderd die aan hen toe te delen, in redelijkheid aan [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] moeten worden toegedeeld.
Grief 5 – de waarde van bezittingen van de maatschap
5.16.
De rechtbank heeft geoordeeld dat in dit geval voor de waarde van de bezittingen van de maatschap, niet uitgegaan dient te worden van de waarde op de datum van verdeling. Hier moet, aldus de rechtbank, in beginsel uitgegaan worden van de bedragen die vermeld zijn in het jaarrapport 2015/2016 (productie 4 bij de dagvaarding) en van de overgelegde herwaardering van de werktuigen/machines/inventaris (productie 17 bij de dagvaarding). Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat [appellant] de juistheid van het jaarrapport weliswaar betwist, maar dat zijn enkele verwijzing naar een zestal overgelegde brieven in dat kader onvoldoende is (zie rov. 5.24 tussenvonnis).
5.17.
[appellant] betoogt in dit hoger beroep dat hij wel degelijk kon (en kan) volstaan met een verwijzing naar de overgelegde brieven. [appellant] verwijst opnieuw naar die brieven (productie 7 van de zijde van [appellant] ). De correspondentie moet volgens hem ‘als herhaald en ingelast’ worden beschouwd. Het hof verwerpt deze grief. Een procespartij dient voldoende duidelijk te maken wat zijn standpunt is en welke rechtsgevolgen aan dat standpunt verbonden zouden moeten worden. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat [appellant] hier, in het kader van zijn stelling dat het jaarrapport 2015/2016 onjuist is, niet kan volstaan met verwijzing naar de als productie 7 overgelegde correspondentiereeks. Uit de stukken van [appellant] en de daarbij opgenomen verwijzing naar de correspondentiereeks is niet voldoende kenbaar en duidelijk welk verweer [appellant] op dit punt wil voeren, waardoor [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] ook niet in de gelegenheid zijn om inhoudelijk en concreet op dat betoog te reageren. Na de niets aan duidelijkheid te wensen overlatende beslissing van de rechtbank op dit punt, had van [appellant] verwacht mogen worden dat hij in de procedure bij het hof zijn omissie zou herstellen en alsnog duidelijk zou maken welke argumenten hij aan de correspondentie ontleende ter onderbouwing van zijn verweer. Dit alles heeft [appellant] nagelaten. Het hof merkt op dat [appellant] in het kader van zijn betoog dat moeder niet deelnam aan de maatschap, overigens wél voldoende specifiek naar delen van diezelfde correspondentie verwezen heeft (zie hierna, bij de bespreking van grieven I en II van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] ).
5.18.
[appellant] betoogt verder dat het genoemde oordeel van de rechtbank onbegrijpelijk is omdat productie 17 bij dagvaarding een vragenbrief van de accountant betreft. Dit betoog wordt verworpen. In het overgelegde procesdossier bevindt zich als productie 17 bij de inleidende dagvaarding een overzicht met waarderingen van activa. Uit dat dossier blijkt ook dat [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] ten behoeve van de zitting bij de rechtbank een vragenbrief van een accountant hebben overgelegd, welke brief daarbij ook genummerd is als productie 17. [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] hebben er meermalen op gewezen dat dit laatste een vergissing was (zie bijv. het productieoverzicht bij de pleitnota van mr. Mak van 20 december 2018).
Grieven 6 en 7 – waardering van activa en passiva; positie van moeder
5.19.
De rechtbank heeft geoordeeld dat voor de samenstelling van de bezittingen en de schulden van de maatschap in beginsel uitgegaan moet worden van het jaarrapport 2015/2016 (rapport van de maatschap per 30 april 2016; productie 4 bij dagvaarding). Ten aanzien van de waarde overwoog de rechtbank dat het in dit geval niet wenselijk is om de datum van verdeling als peildatum te hanteren. Voor de waarde moet, zo oordeelt de rechtbank, in beginsel uitgaan worden van de bedragen die vermeld zijn in het jaarrapport 2015/2016 en van het overzicht met herwaarderingen (productie 17 bij dagvaarding). De rechtbank merkt op dat het jaarrapport, zoals [appellant] ook had aangevoerd, op een verkeerd uitgangspunt is gebaseerd omdat dat rapport er ten onrechte van uitgaat dat ook moeder deelnam aan de maatschap. Het gegeven dat moeder ten onrechte met een eigen kapitaalrekening in de boeken is opgenomen, zegt echter nog niets over de samenstelling en de omvang van de (overige) bezittingen en de schulden van de maatschap als zodanig. Het is ook niet realistisch om te verlangen dat vele jaren later nog alle onderliggende bescheiden worden nagelopen en gecontroleerd, aldus telkens de rechtbank (zie rov. 5.25 tussenvonnis). De rechtbank heeft stellingen van [appellant] over onder meer onttrekkingen aan de maatschap gunste van moeder, als tardief buiten beschouwing gelaten (zie rov. 5.30 tussenvonnis).
5.20.
[appellant] betoogt met zijn zesde grief dat het gegeven dat moeder in de boeken vermeld stond, wel degelijk meebrengt dat het jaarrapport 2015/2016 ook voor het overige niet (mede) tot uitgangspunt kan worden genomen. Verder betoogt [appellant] dat het wel degelijk mogelijk is om de onderliggende bescheiden alsnog na te lopen en te controleren. [appellant] verklaart in dat verband dat hij de rekeningafschriften van de rekeningen van de maatschap heeft nagelopen en dat hij daarbij gecontroleerd heeft welke privé-opnames er zijn gedaan. Voor het resultaat van dat onderzoek verwijst [appellant] naar de in de memorie van grieven opgenomen tabellen 1A t/m 6A. Verder wijst [appellant] op de overgelegde dagafschriften en de overgelegde overzichten van de boekingen per jaar. [appellant] heeft deze tabellen, afschriften en overzichten nadien nog aangevuld en gecorrigeerd. [7] Met de zevende grief gaat [appellant] nader in op de positie van moeder en op de onttrekkingen die ten gunste van moeder zouden hebben plaatsgevonden.
5.21.
De rechtbank heeft terecht in aanmerking genomen dat het jaarrapport 2015/2016 uitgaat van de onjuiste veronderstelling dat moeder deelnam aan de maatschap. Het jaarrapport kan, dat gegeven in aanmerking genomen, naar het oordeel van de rechtbank wel (mede) tot uitgangspunt dienen bij het bepalen van de samenstelling van de bezittingen en schulden van de maatschap en ook bij het bepalen van de waarde (zie rov. 5.25 tussenvonnis). Daarbij is van belang dat de rechtbank buiten beschouwing heeft gelaten of in het kader van de afwikkeling van de maatschap en de vof nog afgerekend moet worden ter zake van de kapitaalrekeningen (zie rov. 2.22 eindvonnis). Dat de uit het jaarrapport gebruikte gegevens – dus uitdrukkelijk niet die over de kapitaalrekeningen – onjuist of onbruikbaar zouden zijn, valt zonder nadere toelichting niet in te zien. Het hof is van oordeel dat de wel gebruikte gegevens uit het jaarrapport hier ook in redelijkheid tot uitgangspunt kunnen en moeten worden genomen.
5.22.
De grieven van [appellant] hebben – zoals op de zitting bij het hof ook aan de orde is gesteld – kennelijk niet de strekking om de kapitaalrekeningen alsnog in de verdeling te betrekken voor zover dat zou meebrengen dat [appellant] zélf aanvullende betalingen dient te doen. Het hof zal de grieven 6 en 7 daarom ook voor het overige verwerpen. Daartoe overweegt het hof als volgt.
5.23.
[appellant] betoogt dat hij ter zake van de kapitaalrekeningen per saldo nog een aanspraak heeft op [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] , dit omdat (a) [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] in de periode 2002 t/m 2026 hogere bedragen aan maatschap hebben onttrokken dan [appellant] , en (b) de nieuwe maatschap een vordering heeft op de nalatenschap van moeder, en [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] de erfgenamen van moeder zijn.
5.24.
Dat [appellant] nog een aanspraak heeft omdat [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] hogere bedragen aan de maatschap onttrokken zouden hebben, valt niet in te zien. Het hof stelt daarbij voorop dat de door de rechtbank vastgestelde peildata – zoals van de zijde van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] ter zitting ook is opgemerkt –, in dit hoger beroep niet of in elk geval niet voldoende duidelijk ter discussie zijn gesteld. Het hof gaat ook uit van diezelfde peildata (zie hierboven, onder 5.1 t/m 5.4). Partijen hebben ook niet tijdig en voldoende duidelijk en gemotiveerd gesteld dat het vermogen van de maatschap of de waarde van de activa en passiva van de maatschap, na 2016 nog aanmerkelijk gewijzigd is. Op de mondelinge behandeling bij het hof is ter sprake gekomen dat de inkomsten uit het ter beschikking stellen van de landbouwgronden aan derden, ook na 2016 nog (deels) ontvangen zijn op de bankrekeningen van maatschap. [appellant] gaat er kennelijk van uit dat hij recht heeft op 1/3 deel van die inkomsten. Dat die inkomsten toebehoren aan de ontbonden maatschap, valt echter – zoals [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] terecht hebben opgemerkt – niet in te zien. De eigendom van de onroerende zaken behoort immers niet tot de maatschap maar tot de nalatenschappen van vader en moeder. Ook na [datum] 2002 is kennelijk alleen het gebruik en genot van die onroerende zaken ingebracht in de maatschap (vgl. hierboven, onder 3.2). Aangenomen moet worden dat de inbreng van het gebruik en genot geëindigd is door de ontbinding van de maatschap en de definitieve beëindiging van haar activiteiten. De inkomsten uit de landbouwgronden komen vanaf dat moment dus niet meer toe aan de maatschap, maar aan de nalatenschappen van vader en moeder.
5.25.
[appellant] heeft, als daarbij de onder 5.24 genoemde omstandigheden in aanmerking worden genomen, geen baat bij een afrekening van de kapitaalrekeningen van de maatschap op basis van de door hem in hoger beroep genoemde tabellen. [appellant] betoogt dat [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] na 30 april 2016 nog aanzienlijke bedragen aan de bankrekeningen van de maatschap onttrokken hebben. Die bankrekeningen zijn (en worden) echter toebedeeld aan [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] , dit tegen het saldo van die rekeningen per 30 april 2016 (en dus ook van de waarde per die datum). De bedragen die [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] na 30 april 2016 nog aan die rekeningen onttrokken hebben, komen in zoverre dus al voor hun eigen rekening. Daar komt nog bij dat de afboekingen kennelijk hebben plaatsgevonden naar aanleiding van inkomsten uit de landbouwgronden, op welke inkomsten de maatschap zoals hiervoor is overwogen geen recht heeft. In de periode van 2002 tot 2016/2017 is het volgens de door [appellant] overgelegde gegevens juist [appellant] zélf geweest die meer aan de maatschap onttrokken heeft (zie tabel 1A; het totaal van de privéopnamen van [appellant] in de periode 2002-2016/2017 is hoger dan het gemiddelde van de privéopnamen van [geïntimeerde1] en de privéopnamen van [geïntimeerde2] in die periode).
5.26.
Tevergeefs is ook het betoog van [appellant] dat hij nog een aanspraak heeft vanwege een vordering van de maatschap op (de nalatenschap van) moeder. [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] hebben gesteld dat voor zover er al sprake zou zijn van een vordering van de maatschap op moeder wegens ten onrechte toegekende winstuitkeringen, die vordering inmiddels verjaard is (zie ook rov. 4.9 tussenvonnis). [appellant] heeft daar slechts tegen ingebracht dat van verjaring tussen deelgenoten geen sprake kan zijn. Daarmee miskent [appellant] echter dat moeder – zoals [appellant] zelf ook betoogd heeft – geen vennoot was van de maatschap. Gezien dat verjaringsverweer is er naar het oordeel van het hof geen grond om aan te nemen dat de ontbonden maatschap nog een (afdwingbare) vordering heeft op de nalatenschap van moeder. Dat de maatschap een vordering heeft op de nalatenschap die in redelijkheid ten laste van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] in de afwikkeling van de maatschap betrokken dient te worden, valt gelet op het ontbreken van een verdere onderbouwing in elk geval niet in te zien. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat volgens de stellingen van [appellant] (tabel 2) moeder in de vijf jaren voor haar overlijden nauwelijks opnamen heeft gedaan en zij in die periode per saldo juist heeft bijgestort. Verder neemt het hof in aanmerking dat de kapitaalrekening van moeder volgens het jaarrapport 2015/2016 op 30 april 2016 een saldo had van € 733.338 (vordering van moeder op de maatschap). Vorderingen van de maatschap wegens onttrekkingen door moeder in de periode voor 2012, waren kennelijk al langere tijd geleden door verrekening voldaan. Verder zijn winstuitkeringen aan moeder vanaf 2012 kennelijk niet uitbetaald maar bijgeschreven op de kapitaalrekening van moeder (zie tabel 2). En voor zover er desondanks sprake zou zijn van een (afdwingbare) vordering van de ontbonden maatschap op de nalatenschap van moeder wegens door moeder gedane onttrekkingen, valt dat bedrag weg tegen het surplus van de onttrekkingen die [appellant] zelf in de periode 2002-2016/2017 zou hebben gedaan (zie hierboven, onder 5.25). Slotsom is dan ook dat [appellant] geen belang heeft bij afrekening op basis van de door hem genoemde gegevens. Grieven 6 en 7 van [appellant] zijn om die reden tevergeefs.
Grieven 9 en 15 – legitieme portie
5.27.
[appellant] heeft gevorderd zijn legitieme portie in de nalatenschap van moeder vast te stellen en om [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] te veroordelen tot betaling daarvan. De rechtbank oordeelde dat [appellant] in dat kader onvoldoende gesteld heeft; de vorderingen zijn om die reden afgewezen (zie rov. 5.39 tussenvonnis). De tegen dat oordeel gerichte grieven, grieven 9 en 15, zijn naar het oordeel van het hof tevergeefs. Een partij die in een procedure als deze vaststelling en betaling van een legitieme portie verlangt, dient in dat kader op z’n minst enige concrete stelling in te nemen over bijvoorbeeld de omvang van de legitieme portie of bijvoorbeeld de samenstelling of omvang van de legitimaire massa. [appellant] heeft dat alles nagelaten, ook in hoger beroep. Het hof ziet ook geen aanleiding de procedure nog aan te houden om [appellant] de gelegenheid te geven alsnog stelling te nemen of anderszins aan zijn stelplicht te voldoen. Het verzoek in dit verband door [appellant] genoemde verzoek om [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] te bevelen “de stukken die van belang zijn om het legitiem aandeel (…) vast te kunnen stellen” in het geding te brengen, baat [appellant] om die reden evenmin. Dat verzoek is overigens ook te algemeen. Het hof zal het oordeel van de rechtbank op dit punt dan ook bekrachtigen. Daarbij merkt het hof op dat dit oordeel, gelet op de gronden waarop het berust, niet de strekking heeft dat [appellant] verhinderd wordt met een nadere procedure alsnog voldoening van de legitieme portie af te dwingen.
Grief 10 – het appartement
5.28.
[appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan zijn stelling dat het appartement aan de [adres] (getaxeerd op € 67.059,00) buiten de verdeling dient te blijven (zie rov. 2.6 eindvonnis). Deze grief is tevergeefs. Volgens [appellant] moet het appartement buiten de verdeling blijven omdat hij de bouw ervan uit eigen middelen heeft bekostigd (zie akte na deskundigenbericht van 12 mei 2021, par 2). Dat [appellant] de bouw zelf bekostigd zou hebben, betekent – zoals de rechtbank opmerkt – nog niet dat het appartement bij de verdeling van het onroerend goed buiten beschouwing moet blijven. [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] hebben onweersproken gesteld dat het appartement – te weten een appartement dat is ingebouwd in een schuur – door natrekking behoort tot de eigendom van het perceel met boerderij en verdere opstallen aan de [adres] . Het hof gaat er dan ook met de rechtbank van uit dat het appartement behoort bij de eigendom van het betreffende perceel en dat het om die reden in de verdeling betrokken moet worden. Dat het appartement of de getaxeerde waarde ervan wegens de bouwkosten bij de verdeling buiten beschouwing dient te blijven of verrekend moet worden, is in elk geval onvoldoende toegelicht en onderbouwd.
Grieven 11, 13 en 14 – de koelloods
5.29.
De rechtbank heeft het perceel met boerderij aan de [adres] tegen een waarde van € 1.562.000 in de verdeling betrokken. Op het perceel staat onder meer een koelloods. De economische eigendom van die koelloods berust bij de vof. De eigendom berust door natrekking bij de eigenaar van het perceel. De rechtbank heeft geoordeeld dat het perceel in de verdeling betrokken wordt tegen de waarde met inbegrip van de waarde van de koelloods. Of er in het kader van de afwikkeling van de vof nog afgerekend dient te worden voor de koelloods, heeft de rechtbank buiten beschouwing gelaten. Bij dat laatste heeft de rechtbank opgemerkt dat een daarop gerichte vordering ontbreekt en dat partijen daarover ook niets hebben aangevoerd (zie rov. 4.15 tussenvonnis en rov. 2.8 en 2.16 eindvonnis).
5.30.
[appellant] betoogt dat de rechtbank de waarde van [adres] (€ 1.562.000) ten onrechte niet gecorrigeerd heeft met de waarde van de koelloods (grief 11). Deze grief is tevergeefs. Het te verdelen onroerend goed omvat mede het perceel met opstallen aan de [adres] . De eigendom van dat perceel omvat ook de eigendom van de op dat perceel staande koelloods. Het gegeven dat de economische eigendom van de koelloods tot de vof behoort, is naar het oordeel van het hof als zodanig nog geen reden om daarvoor bij de verdeling een correctie toe te passen. Voor zover [appellant] in het kader van grief 11 (nogmaals) betoogt dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de getaxeerde waarde van het appartement, stuit dit af op hetgeen vermeld is bij de bespreking van de grief 10. Daarbij tekent het hof aan dat het appartement blijkens onder meer het taxatierapport is ingebouwd in de op het perceel aanwezige schuur, en dat – de in elk geval zonder nadere toelichting en onderbouwing – niet is in te zien en kan worden aangenomen dat en waarom de in het rapport genoemde waarde van het appartement, een waardestijging inhoudt die geheel of in belangrijke mate is toe te schrijven aan de investering die [appellant] op zijn kosten heeft gedaan.
5.31.
De rechtbank heeft vastgesteld dat [appellant] voor wat betreft de verdeling van het onroerend goed € 361 .500 aan [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] moet voldoen (zie rov. 2.8 eindvonnis). Dat, zoals [appellant] met grief 11 stelt, de in dat kader door de rechtbank gemaakte berekening niet juist, onduidelijk of tegenstrijdig zou zijn, is – in elk geval zonder nadere toelichting – niet in te zien.
5.32.
De rechtbank overwoog, zoals vermeld, dat buiten beschouwing wordt gelaten of partijen in het kader van de afwikkeling van de vof nog moeten afrekenen ter zake van de koelloods (zie rov. 5.14 tussenvonnis en rov. 2.16 eindvonnis). [appellant] wijst er met grieven 13 en 14 terecht op dat de rechtbank bij het vaststellen van de overwaarde die [appellant] wegens overbedeling in het kader van de afwikkeling van de vof dient te voldoen, ten onrechte toch de boekwaarde van de economische eigendom van de koelloods heeft meegerekend. [appellant] merkt op dat de economische eigendom van de koelloods in het jaarrapport van de vof per 31 december 2016 vermeld is met de aanduiding ‘bedrijfsgebouwen’ (€ 34.800), en dat die post is meegerekend bij de verdeling van de vof. Dit is door [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] niet voldoende duidelijk en gemotiveerd weersproken. Het hof zal de overwaarde die [appellant] wegens overbedeling bij de afwikkeling van de vof dient te voldoen daarom corrigeren. Het hof zal daarbij het door [appellant] te betalen bedrag verminderen met € 23.200 (2/3 x € 34.800). Het in dit kader door [appellant] te betalen bedrag zal aldus worden vastgesteld op € 46.300 (in plaats van het door de rechtbank genoemde bedrag van € 69.500). Het door [appellant] in het kader van de verdelingen te betalen bedrag zal zodoende worden vastgesteld op € 42.550 (in plaats van het door de rechtbank in het dictum van het eindarrest genoemde bedrag van € 65.750 (zie rov. 3.2, laatste onderdeel)).
Grieven 12, 16 en 17 – de overige grieven
5.33.
Volgens [appellant] heeft de rechtbank bij de verdeling ten onrechte de successieaangifte ter zake van de nalatenschap van vader en het jaarrapport 2015/2016 van de maatschap (op onderdelen) tot uitgangspunt genomen (grief 12). Het hof verwerpt deze grief. Daarbij verwijst het hof naar wat hierboven bij de bespreking van de grieven 3, 5, 6 en 7 is vermeld.
5.34.
[appellant] meent dat de rechtbank ten onrechte heeft nagelaten een notaris te benoemen ten overstaan van wie de verdeling moet plaatsvinden en dat ook ten onrechte geen onzijdig persoon is benoemd als bedoeld in artikel 3:181 BW Pro (grief 16). In de toelichting bij deze grief merkt [appellant] op dat nadat de verdeling in rechte is vastgesteld, een en ander nog in een notariële akte moet worden vastgelegd om onder meer de levering van de onroerende zaken in de openbare registers te doen inschrijven. Het hof verwerpt de grief. De rechtbank heeft in het eindvonnis zelf de verdeling vastgesteld. Voor aanwijzing van een notaris of benoeming van een onzijdig persoon als bedoeld in artikel 3:181 BW Pro bestaat in zoverre dan ook geen aanleiding. In dit hoger beroep is daarvoor om diezelfde reden evenmin aanleiding.
5.35.
De laatste grief van [appellant] (grief 17) is een algemene veeggrief zonder nadere inhoud, zodat ook deze grief verworpen wordt.
5.36.
Het hof ziet geen aanleiding om [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] nog te bevelen nadere stukken in het geding te brengen. Daarbij stelt het hof voorop dat [appellant] daartoe, zoals [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] ook onweersproken hebben verklaard, geen voldoende duidelijke vordering heeft ingesteld. [appellant] heeft dat nagelaten, ook nadat [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] in strijd met de afspraken die in december 2018 op de zitting bij de rechtbank zijn gemaakt en die ook in het proces-verbaal van die zitting vermeld zijn, weigerden om alle beschikbare grootboeken in kopie aan hem ter beschikking te stellen. Inmiddels is het zeven jaar later, en er is al acht jaar over deze kwestie geprocedeerd. [appellant] heeft duidelijk gemaakt dat de beslissing over de verdelingen die hier aan de orde zijn, ook niet het einde betekent van de procedures tussen de broers. Nadat er een definitieve beslissing is over de verdelingen, zal – zoals op de zitting bij het hof ook besproken is – worden overgegaan tot vaststelling van de legitieme portie van [appellant] . Het hof neemt ook in aanmerking dat er, gelet op wat hiervoor is overwogen over de inkomsten uit de landbouwgronden, onvoldoende grond om te veronderstellen dat de door [appellant] gevraagde informatie zal leiden tot een aanpassing van de verdeling van de maatschap in zijn voordeel (zie hiervoor, bij de bespreking van de grieven 6 en 7). Het hof is tegen deze achtergrond van oordeel dat, mede gelet op de eisen van een goede procesorde, op dit moment een bevel tot overlegging van stukken in de geven omstandigheden passend noch geboden is.
Het hoger beroep van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2]
Grieven I en II – de nieuwe maatschap
5.37.
Partijen hebben vanaf 1976 samen met vader een maatschap gedreven. Er is destijds geen overeenstemming bereikt over een (schriftelijke) maatschapsovereenkomst [in] 2022 is vader overleden. Daarmee is de tussen de broers en vader bestaande maatschap ontbonden (zie rov. 5.2 tussenvonnis). De rechtbank heeft vastgesteld dat vervolgens door de broers een nieuwe maatschap is aangegaan. Die nieuwe maatschap is met de opzeggingsbrief van 31 oktober 2016 door opzegging ontbonden (zie rov. 5.3 t/m 5.7 tussenvonnis). De rechtbank verwierp de stelling van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] dat moeder vennoot is geworden in de nieuwe maatschap. In het handelsregister stond overigens wel dat per [datum] 2002 sprake was van een maatschap van moeder en de drie broers. Die inschrijving in het handelsregister heeft echter buiten medeweten van [appellant] en zonder zijn toestemming plaatsgevonden, zo oordeelde de rechtbank (zie rov. 2.6 en 5.3 tussenvonnis).
5.38.
[geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] betogen in hoger beroep dat moeder na het overlijden van vader wel degelijk vennoot is geworden van de nieuwe maatschap (grief I). Verder betogen zij dat [appellant] wist dat volgens de inschrijving in het handelsregister, moeder vennoot was in de nieuwe maatschap (grief II).
5.39.
Het hof verwerpt deze betogen van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] . Het hof komt namelijk evenals de rechtbank tot de slotsom dat niet kan worden aangenomen dat moeder vennoot is geweest van de nieuwe maatschap. Daartoe overweegt het hof als volgt.
5.40.
Een maatschap is, kort gezegd, een overeenkomst waarbij partijen zich verplichten om samen te werken om zo met die samenwerking een vermogensrechtelijk voordeel te behalen en met elkaar te delen (zie artikel 7A:1655 BW). Een maatschap veronderstelt dus dat de betrokken maten zich jegens elkaar hebben verbonden (uitdrukkelijk of stilzwijgend) om als vennoten in maatschapsverband samen te werken. [8] [appellant] heeft gemotiveerd gesteld dat hij zich altijd tegen de toetreding van moeder heeft verzet. [appellant] wilde, zo betoogt hij, dat het bedrijf met daarbij de landerijen en gebouwen, toekwam aan de drie broers. Daarbij wijst hij er onder meer op dat moeder destijds, in 2002, een 80-jarige huisvrouw was die ook vóór het overlijden van vader ( [in] 2002) niet deelnam aan de landbouwonderneming. Volgens [appellant] was hij ook tegen een deelname van moeder omdat dat niet zou stroken met de bedoelingen van vader en moeder zoals die waren vastgelegd in hun intentieverklaring van 21 november 2000. Volgens die intentieverklaring gingen vader en moeder akkoord met beëindiging van de deelname van vader in de maatschap en belastingvrije doorschuiving van de ten name van vader staande gebouwen en landerijen naar de drie broers (zie ook hierboven, onder 3.4). [appellant] wijst er verder op dat moeder en de drie broers in mei 2004 een overeenkomst hebben gesloten waarin afgesproken is dat zij aan Noordelijke Accountantsunie opdracht geven om onder meer de mogelijkheden voor uitvoering van de intentieverklaring op een rij te zetten (zie ook hierboven, onder 3.7).
5.41.
Ter onderbouwing van zijn stellingen wijst [appellant] onder meer op de correspondentie tussen zijn advocaat en de accountant van de maatschap, de heer [naam5] , uit de periode van 2004 tot en met 2008. Daarbij wijst [appellant] in het bijzonder op de brief van zijn advocaat van 25 augustus 2004. In die brief schrijft de advocaat van [appellant] :
“De heer [appellant] [ [appellant] ,
toevoeging hof], wonende aan de [adres] te Noordwolde stelde mij de concept jaarrekening 2002/2003 ter hand, met het verzoek een en ander met u op te nemen.
Allereerst zend ik u hierbij een kopie van de vaststellingsovereenkomst d.d. mei 2004 welke mevrouw [naam2] met haar drie zoons, [geïntimeerde1] , [geïntimeerde2] en [appellant] hebben gesloten. Gaarne vraag ik uw aandacht voor punt 6 op pagina 3, waar een in opdracht van de familieleden door de Noordelijke Accountantsunie uit te voeren opdracht is geformuleerd. Overeengekomen is, dat de Noordelijke Accountantsunie de fiscale aspecten van de uitvoering van de intentieverklaring d.d. 21 november 2000, de afwikkeling van de nalatenschap en een eventuele verdeling van de maatschapsboedel, alsmede de diverse mogelijke varianten op een rij zal zetten.
Voor de goede orde heb ik ook een kopie van de intentieverklaring d.d. 21 november 2000 ingesloten.
Het lijkt mij, dat alvorens de jaarrekening 2002/2003 wordt opgesteld, uitvoering gegeven dient te worden aan hetgeen onder punt 6 van de vaststellingsovereenkomst d.d. mei 2004 is overeengekomen. Een en ander klemt te meer, omdat in het door u opgestelde concept uitgegaan wordt van een doorlopen van de maatschap. Dit is niet in overeenstemming met de intentieverklaring d.d. 21 november 2000, terwijl na het overlijden van vader Haan in ieder geval ten aanzien van hem de maatschap is geëindigd. Het is voorts geenszins zo, dat automatisch moeder Haan, die inmiddels reeds lang op een leeftijd is dat zij niet meer aan het arbeidsproces deelneemt, in de maatschap dient te worden opgenomen. In tegendeel, het is in strijd met de intentieverklaring.
Aan de navolgende aspecten dient bijzondere aandacht te worden geschonken:
(…)
Nadat bovenstaande vraagpunten zijn uitgewerkt, kan er een beslissing ten aanzien van de toekomst worden genomen en kan het boekhoudrapport met inachtneming hiervan worden opgesteld.”
Volgens [appellant] zijn er na deze brief van zijn advocaat enkele besprekingen gevolgd. In die besprekingen zou tussen partijen geen overeenstemming zijn bereikt.
5.42.
Het hof stelt vast dat [appellant] gemotiveerd gesteld heeft dat hij vanaf 2002 bezwaar heeft gemaakt tegen een deelname van moeder in de maatschap, dat daarover tussen partijen vervolgens ook meerdere besprekingen zijn gevoerd, en dat in die besprekingen op dit punt geen overeenstemming is bereikt. Een en ander is door [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] niet voldoende duidelijk en gemotiveerd weersproken. Tegen die achtergrond is datgene wat [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] naar voren hebben gebracht over onder meer de latere correspondentie over de concept-jaarstukken, in de gegeven omstandigheden naar het oordeel van het hof onvoldoende om tot de vaststelling te komen dat [appellant] alsnog stilzwijgend met de deelname van moeder heeft ingestemd. [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] wijzen erop dat [appellant] in elk geval in 2009, 2010 en 2012 per brief gereageerd heeft op concept-jaarstukken, en dat hij daarbij niet vermeld heeft dat hij bezwaar heeft tegen de in die stukken genoemde positie van moeder. Ook wijzen zij erop dat [appellant] in zijn brief van 16 december 2009 bijvoorbeeld een correctie voorstelt op een toerekening van het resultaat aan moeder. Uit de bedoelde gang van zaken kan naar het oordeel van het hof echter niet worden afgeleid dat [appellant] alsnog met de deelname van moeder instemde. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat [geïntimeerde1] kennelijk degene was die (in samenspraak met de accountant) de boekhouding van de maatschap verzorgde, en dat – zoals [appellant] onweersproken heeft gesteld – de commentaren die [appellant] op de conceptstukken gaf, sinds 2002 nooit geleid hebben tot aanpassing van de jaarstukken. [appellant] heeft onweersproken gesteld dat de jaarstukken uit de periode vanaf 2002 ook nooit definitief zijn vastgesteld. Uit (onder meer) het gegeven dat [appellant] zijn voornaamste kritiekpunt, namelijk zijn kritiek op de in de jaarstukken vermelde positie van moeder, in de latere jaren niet telkens herhaald heeft, kan onder die omstandigheden niet afgeleid worden dat [appellant] alsnog met de deelname van moeder heeft ingestemd.
5.43.
Vast staat dat in het handelsregister per [datum] 2022 stond dat moeder deelnam aan de maatschap (zie hierboven, onder 3.6). Volgens [appellant] had die inschrijving plaatsgevonden buiten hem om, en zonder dat hij daarover geïnformeerd was. [appellant] is, zo stelt hij, pas in deze procedure van de registratie in het handelsregister op de hoogte geraakt. [appellant] merkt op dat bij navraag is gebleken dat [geïntimeerde1] eind 2009 bij de Kamer van Koophandel een inschrijfformulier heeft ingediend waarop de benodigde handtekening van [appellant] ontbrak. [appellant] wijst daarbij op het door hem als productie 10 overgelegde inschrijfformulier. [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] betogen in hoger beroep dat [appellant] wel degelijk van de inschrijving op de hoogte was. Zij hebben die stelling, gelet op de gemotiveerde stellingen daarover van [appellant] en het ontbreken van de handtekening van [appellant] op het overgelegde inschrijfformulier, echter onvoldoende toegelicht en onderbouwd. De inschrijving in het handelsregister kan – anders dan [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] menen – dan ook niet (mede) een grond vormen om aan te nemen dat [appellant] met de deelname van moeder heeft ingestemd.
5.44.
Het gegeven dat moeder niet deelnam in de maatschap, brengt mee dat er ook geen grond is om aan te nemen dat – zoals [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] stellen – de kapitaalstand van [appellant] per 30 april 2016 € 595.994,00 negatief was. De door [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] gevraagde verklaring voor recht over de kapitaalrekening van [appellant] is reeds daarom ook in hoger beroep niet toewijsbaar. Daarbij tekent het hof aan dat [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] – dit hoewel zij kennelijk de beschikking hebben over alle eventueel benodigde gegevens – onvoldoende gesteld hebben om de kapitaalstand van [appellant] op een ander (lager) bedrag vast te stellen.
5.45.
De rechtbank heeft uitdrukkelijk buiten beschouwing gelaten of partijen in het kader van de afwikkeling van de maatschap (en/of de vof) nog dienen af te rekenen ter zake van de kapitaalrekeningen. Dat oordeel wordt hoger beroep gehandhaafd en bekrachtigd (zie ook de bespreking van grieven 6 en 7 van [appellant] ). [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] hebben het betoog van [appellant] op dit punt gemotiveerd betwist. Zelf hebben zij echter, ook in hoger beroep, volstrekt onvoldoende gesteld over de omvang van de kapitaalrekeningen van de drie vennoten. [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] hebben, hoewel zij naar eigen zeggen beschikken over alle relevante informatie, hun stellingen over het beloop van de kapitaalrekeningen kennelijk welbewust beperkt tot de situatie dat aangenomen zou worden dat moeder heeft deelgenomen aan de maatschap.
5.46.
Het hof ziet geen aanleiding om [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] , zoals zij vragen, alsnog in de gelegenheid te stellen de relevante administratie in het geding te brengen of die informatie bijvoorbeeld alsnog door een deskundige te laten onderzoeken. Al op 13 november 2019 heeft de rechtbank in een tussenvonnis vastgesteld dat moeder niet heeft deelgenomen aan de maatschap. [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] hebben sindsdien ruimschoots gelegenheid gehad om hun stellingen over de kapitaalstanden daarop aan te passen en hun standpunt met behulp van de aan hen ter beschikking staande boekhoudkundige stukken te onderbouwen. Dat mocht in de gegeven omstandigheden ook van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] verwacht te worden. Daar komt nog bij dat [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] , terwijl zij zich nota bene op het standpunt stellen dat [appellant] vennoot was in de maatschap, – en ondanks de ter zitting bij de rechtbank van 20 december 2018 door hen gedane toezegging daarover – geweigerd hebben de beschikbare grootboeken in kopie aan [appellant] ter beschikking te stellen. Daarmee hebben zij willens en wetens de relevante informatie aan [appellant] (en daarmee indirect ook aan de rechter) onthouden. Er mag redelijkerwijs verondersteld worden dat [appellant] door het bedoelde tijdsverloop ook gehinderd wordt in het aantonen van eventuele onjuistheden in de door [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] gevoerde administratie. Het hof acht het daarom passend noch geboden dat [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] nu nog gelegenheid krijgen om de kapitaalrekeningen in de procedure te betrekken.
5.47.
De conclusie is dat grieven I en II van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] worden verworpen.
Grief III – wijziging kadastrale aanduiding
5.48.
[geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] betogen met hun derde grief dat het perceel met de kadastrale aanduiding [nummer7] inmiddels gesplitst is in twee percelen en dat die percelen genummerd zijn [nummer10] en [nummer11] . Zij vragen om de beslissing die de rechtbank over de percelen genomen heeft, op dat punt te verduidelijken (te actualiseren). [appellant] heeft zich daartegen niet verzet, en het hof zal de beslissing op het genoemde punt dan ook verduidelijken.
Slotsom
5.49.
Het hof oordeelt in het hoger beroep van [appellant] dat grieven 13 en 14 (deels) slagen. In het hoger beroep van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] slaagt grief III. Het hof zal – naar aanleiding van de stellingen van partijen over de verkoop van zaken die inmiddels heeft plaatsgevonden – bepalen dat de verkoopopbrengst van zaken die inmiddels verkocht zijn, toegedeeld wordt aan degene aan wie de betreffende zaak was (en wordt) toebedeeld. Verder heeft het hof, voor zover nodig, opnieuw beslist over de peildata. Het hof zal het hoger beroep van [appellant] en het hoger beroep van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] voor het overige verwerpen.
5.50.
Het hof ziet in de omstandigheid dat zowel het principale als het incidentele beroep op slechts een beperkt onderdeel slaagt, en in het gegeven dat deze procedure inhoudelijk in overwegende mate een familierechtelijk karakter heeft, aanleiding om te bepalen dat partijen de eigen kosten dragen van het hoger beroep (compensatie van de proceskosten).
5.51.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een partij de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

6.De beslissing

Het hof:
6.1.
bekrachtigt de vonnissen van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen van 13 november 2019 en 16 februari 2022, behalve de beslissing in het vonnis van 16 februari 2022 onder 3.2, laatste onderdeel (‘onder gehoudenheid van [appellant] om aan [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] te voldoen een bedrag groot € 65.750,00’), welke beslissing hierbij wordt vernietigd, en beslist dat het laatste onderdeel vervangen wordt door de volgende beslissing:
- onder gehoudenheid van [appellant] om aan [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] te voldoen een bedrag groot € 42.550,-.;
6.2.
verstaat dat het in het genoemde vonnis van 16 februari 2022, in rov. 3.2 (tweede onderdeel) vermelde perceel gemeente [woonplaats2] , sectie [nummer7] , gesplitst is en sindsdien wordt aangeduid met de nummers [nummer10] en [nummer11] , en bepaalt zodoende dat de percelen met nummers [nummer10] en [nummer11] worden toegedeeld aan [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] gezamenlijk;
6.3.
bepaalt dat voor zover een in de verdelingen betrokken zaak op de datum van deze uitspraak al verkocht is en is overgedragen aan een derde, de voor die zaak ontvangen koopprijs hierbij wordt toegedeeld aan de partij of partijen aan wie die verkochte zaak was (en wordt) toegedeeld;
6.4.
verklaart deze uitspraak tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.5.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt van het hoger beroep;
6.6.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. A.A.J. Smelt, H. de Hek en T.K. Lekkerkerker, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
7 april 2026.

Voetnoten

2.Zie het vonnis van de rechtbank van 13 november 2019, rov. 2.9. Overigens staat in onder meer de overgelegde verklaring van erfrecht als datum van overlijden van moeder 23 januari 2017. Voor de verdere beoordeling maakt dit overigens geen verschil.
3.Vgl. HR 8 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1722.
4.De eisvermindering houdt in dat onderdeel b van het petitum vervalt (zie het petitum zoals vermeld in de memorie van 8 april 2025).
5.Vgl. HR 8 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1722.
6.Zie onder meer HR 8 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1722, en HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4279.
7.Zie de akte van 17 februari 2026 (met productie 20) en het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het hof van 17 februari 2026.
8.Vgl. onder meer HR 2 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ3876.