Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2129

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
7 april 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
200.332.124/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:50 BWArt. 5:51 BWArt. 5:37 BWArt. 6:162 BWArt. 21 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vorderingen buren over balkon en privacyscherm wegens ontbreken onrechtmatige hinder

De buren, appellanten, klaagden dat het balkon van de geïntimeerden te dicht bij de erfgrens was aangelegd en dat het doekenscherm hun privacy aantastte, hun uitzicht beperkte en geluidsoverlast veroorzaakte. Zij vorderden onder meer het inkorten van het balkon tot minimaal twee meter van de erfgrens of het plaatsen van een melkglazen afscheiding.

De rechtbank wees deze vorderingen af, waarna appellanten hoger beroep instelden met gewijzigde eisen. Het hof bevestigde het vonnis van de rechtbank en wees de vorderingen af. Het balkon bevindt zich volledig op het erf van geïntimeerden en het doekenscherm belemmert het zicht op het erf en de woning van appellanten voldoende, zodat geen strijd is met artikel 5:50 BW Pro.

Ook is onvoldoende onderbouwd dat sprake is van onrechtmatige hinder of een onrechtmatige daad op grond van artikel 5:37 BW Pro en 6:162 BW. De vermeende afspraken over een melkglazen afscheiding zijn niet als bindende overeenkomst aangemerkt. Appellanten worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten in hoger beroep.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de vorderingen tot inkorting balkon en plaatsing melkglazen afscheiding worden niet toegewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.332.124/01
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad 538119
arrest van 7 april 2026
in de zaak van

1.[appellant]

2.
[appellante]
die beiden wonen in [woonplaats]
die hoger beroep hebben ingesteld
en bij de rechtbank optraden als eisende partijen
hierna afzonderlijk ‘ [appellant] ’ en ‘ [appellante] ’ en gezamenlijk ‘ [appellanten] .’
advocaat: mr. S.R. Kieffer te Amsterdam
en

1.[geïntimeerde1]

2.
[geïntimeerde2]
die beiden wonen in [woonplaats]
en bij de rechtbank optraden als gedaagde partijen
hierna afzonderlijk ‘ [geïntimeerde1] ’ en ‘ [geïntimeerde2] ’ en gezamenlijk ‘ [geïntimeerden] ’
advocaat: mr. J. Brakke te Zeewolde.

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

[appellanten] . hebben hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof tegen het vonnis dat de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, op 14 juni 2023 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep;
  • de memorie van grieven;
  • de memorie van antwoord;
  • het arrest van 23 april 2024 waarbij een mondelinge behandeling is bepaald;
  • de akte van [appellanten] . met producties;
  • de akte van [geïntimeerden] met producties;
  • het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 13 september 2024 is gehouden.
Hierna hebben partijen het hof gevraagd arrest te wijzen.

2.De kern van de zaak

2.1
[appellanten] . en [geïntimeerden] zijn buren. Hun woningen maken deel uit van een in een halve ellipsvormige cirkel aaneengesloten rij woningen. De woonkamer en de keuken zijn op de eerste verdieping. Oorspronkelijk hadden de woningen op de eerste verdieping aan de achterzijde een zogeheten frans balkon. Een aantal eigenaren, waaronder [geïntimeerden] , hebben aan de achterzijde ter hoogte van de eerste verdieping een balkon aangelegd. [geïntimeerden] hadden de zijkanten van hun balkon eerst afgeschermd met een rieten scherm en daarna met een doek. [appellanten] . hebben nog steeds een frans balkon.
2.2
[appellanten] . vinden dat het balkon van [geïntimeerden] en/of het doekenscherm van [geïntimeerden] , hun privacy aantast, hun uitzicht beperkt en geluidsoverlast geeft.
2.3
[appellanten] . hebben in de dagvaarding bij de rechtbank gevorderd dat [geïntimeerden] op straffe van een dwangsom worden veroordeeld tot het afbreken dan wel inkorten van het balkon, zodat de afstand tussen de erfgrens en de zijkant van het balkon minimaal 2 meter is.
2.4
Op de mondelinge behandeling bij de rechtbank hebben partijen afspraken gemaakt die in een proces-verbaal zijn vastgelegd. Die afspraken hielden in dat [geïntimeerden] een offerte aanvragen voor het aanbrengen van een afscheiding met melkglas van 2,5 meter bij 2 meter, waarna de offerte ter goedkeuring aan [appellanten] . wordt voorgelegd en de afscheiding na goedkeuring door [appellanten] . binnen zes weken zal worden gerealiseerd. De rechtbank heeft de zaak naar een twee maanden later te houden rolzitting verwezen voor uitlating door partijen over de regeling en het verdere verloop van de procedure.
2.5
De afspraken op de mondelinge behandeling hebben niet geresulteerd in de realisatie van een melkglazen afscheiding. Vervolgens is de gerechtelijke procedure voortgezet en hebben [appellanten] . hun vordering gewijzigd. Zij hebben aan hun vordering subsidiair toegevoegd dat [geïntimeerden] op straffe van een dwangsom een melkglazen afscheiding (privacyscherm) op de zijkant van het balkon grenzend aan de woning van [appellanten] . moeten plaatsen.
2.6
De rechtbank heeft de vorderingen van [appellanten] . afgewezen.
2.7
[appellanten] . hebben in hoger beroep hun eis gewijzigd. Zij willen met het hoger beroep bereiken dat het vonnis van de rechtbank wordt vernietigd en dat hun gewijzigde vorderingen alsnog worden toegewezen.
2.8
Het hof laat het vonnis van de rechtbank in stand en wijst de vorderingen van [appellanten] . af. Na de feiten te hebben weergeven, zal het hof de redenen geven die tot deze beslissing hebben geleid.

3.De relevante feiten

3.1
[appellanten] . zijn sinds 2004 de eigenaren van de woning gelegen aan het [adres1] in [plaats] . Sinds 2014 zijn [geïntimeerden] de eigenaren van de woning aan het [adres2] in [plaats] . [appellanten] . en [geïntimeerden] zijn buren.
3.2
De woningen van [appellanten] . en [geïntimeerden] maken deel uit van een in een halve ellipsvormige cirkel rij aaneengesloten woningen. De woonkamer en de keuken zijn op de eerste verdieping. De keuken is aan de achterzijde (tuinzijde) van de woning. In een deel van de achtergevel op de eerste verdieping is oorspronkelijk een zogeheten frans balkon gerealiseerd. Een aantal eigenaren, waaronder [geïntimeerden] , hebben aan de achterzijde ter hoogte van de eerste verdieping een balkon aangelegd. [appellanten] . hebben nog steeds een frans balkon.
3.3
Het balkon van [geïntimeerden] is in 2014 (vergunningsvrij) gerealiseerd en bestrijkt de gehele breedte van hun achtergevel. [geïntimeerden] hebben toen aan de zijkanten van hun balkon een rieten scherm geplaatst.
3.4
In april 2021 hebben [appellanten] . bij [geïntimeerden] geklaagd over de slechte staat van het rieten scherm. Eind 2021/begin 2022 hebben [geïntimeerden] de rieten afscherming vervangen door een doek.
3.5
In de brief van hun toenmalige gemachtigde van 22 juli 2021 hebben [appellanten] . geëist dat [geïntimeerden] hun balkon verwijderen of inkorten tot een afstand van 2 meter tot de erfgrens. Aan deze sommatie hebben [geïntimeerden] geen gevolg gegeven. [appellanten] . zijn vervolgens deze procedure begonnen.
3.6
Bij de rechtbank heeft op 26 september 2022 de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Van die zitting zijn twee processen-verbaal opgemaakt. Er is een proces-verbaal dat een zakelijke samenvatting bevat van wat ter zitting is besproken. In een ander proces-verbaal zijn de afspraken vastgelegd die ter zitting tussen partijen zijn gemaakt. Deze afspraken luiden:
“Partijen komen ter beëindiging van dit geschil het volgende overeen.
  • [geïntimeerden] zal een offerte aanvragen voor het aanbrengen van melkglas van 2,5m bij 2m.
  • de offerte wordt ter goedkeuring voorgelegd aan [appellanten] .
  • binnen 6 weken na de goedkeuring door [appellanten] . wordt de afscheiding door [geïntimeerden] gerealiseerd.
  • partijen verzoeken om de zaak te verwijzen naar de rol van 30 november 2022 voor uitlaten door partijen over de regeling en het verdere verloop van de procedure.”
Het deel van het proces-verbaal waarin deze afspraken zijn vastgelegd, is door partijen ondertekend.
3.7
[geïntimeerden] hebben via hun advocaat [appellanten] . op 30 november 2022 bij e-mail laten weten dat zij de nodige offertes hebben aangevraagd. Volgens [geïntimeerden] blijkt uit die offertes dat voor het aanbrengen van een melkglazen afscheiding aanzienlijke werkzaamheden aan het balkon moeten worden verricht. De kosten voor een melkglazen afscheiding staan daardoor, volgens hen, in geen enkele verhouding tot het te bereiken doel. In de e-mail wordt voorgesteld in plaats van een glazen afscheiding een “white washed kunststof afscheiding” aan te brengen.
3.8
[appellanten] . hebben in de e-mail van hun advocaat van 5 december 2022 het voorgestelde alternatief afgewezen. Volgens [appellanten] . zijn de kosten voor de melkglazen afscheiding niet zo hoog als [geïntimeerden] doen voorkomen. [appellanten] . kondigen aan bij de rechtbank hun eis te zullen wijzigen en subsidiair te vorderen dat [geïntimeerden] op straffe van een dwangsom de afspraak over de melkglazen afscheiding moeten nakomen. [geïntimeerden] zijn bij hun standpunt gebleven.
3.9
Daarop is de gerechtelijke procedure voortgezet, waarbij de rechtbank de eiswijziging heeft toegestaan. De rechtbank heeft vervolgens de vorderingen van [appellanten] . afgewezen.

4.De toelichting op de beslissing van het hof

Vorderingen van [appellanten] . in hoger beroep
4.1
In hoger beroep hebben [appellanten] . hun vorderingen gewijzigd. Zij vorderen:
( I) [geïntimeerden] op straffe van een dwangsom te gebieden de ongeoorloofde toestand op hun erf volledig te staken en gestaakt te houden door
  • a) hun lichtopening (balkon) in te korten tot twee (2) meter van de kadastrale erfgrens of
  • b) hun lichtopening (balkon) aan de zijde van het erf van [appellanten] . te voorzien van een privacy scherm;
  • II) [geïntimeerden] op straffe van een dwangsom hoofdelijk te veroordelen de overeenkomst met [appellanten] . van 26 september 2022 na te komen door hun lichtopening (balkon) aan de zijde van het erf van [appellanten] . te voorzien van een vast privacy scherm;
  • III) [geïntimeerden] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de (werkelijke) proceskosten (nader op te maken bij staat) bij de rechtbank en het hof en tot terugbetaling van de proceskosten die [appellanten] . ter uitvoering van het vonnis aan [geïntimeerden] hebben betaald.
4.2
Uit onder meer de toelichting bij grief 7 leidt het hof af, dat de vordering sub I de primaire vordering is en dat het [appellanten] . bij die vordering allereerst is te doen om het inkorten van balkon van [geïntimeerden] , en dat voor het geval dat die vordering zou worden afgewezen, gevorderd wordt om [geïntimeerden] te veroordelen om een melkglazen afscheiding aan te brengen.
De vordering sub II is de subsidiaire vordering. Aan die subsidiaire vordering wordt ten grondslag gelegd zowel nakoming van de afspraken die op de zitting van 26 september 2022 zijn gemaakt als de maatstaven van redelijkheid en billijkheid.
4.3
Deze eiswijziging is bij eerste gelegenheid in hoger beroep gedaan. [geïntimeerden] hebben daar geen bezwaar tegen gemaakt en is naar het oordeel van het hof ook niet in strijd met de goede procesorde. Dit betekent dat op de gewijzigde eis zal worden beslist.
Omvang hoger beroep
4.4
[appellanten] . hebben zeven grieven tegen het vonnis geformuleerd. De eerste grief hebben zij als “voorwaardelijk” aangemerkt. [appellanten] . zijn van mening dat [geïntimeerden] in strijd met de waarheidsplicht hebben gehandeld. Volgens [appellanten] . moeten [geïntimeerden] in de gelegenheid worden gesteld tegenbewijs te leveren en beschouwen zij hun grief in zoverre voorwaardelijk. Daarmee is deze grief inhoudelijk niet afhankelijk gesteld van een andere beslissing waarover eerst geoordeeld zou moeten worden, zodat het hof deze grief gelijkelijk met de andere grieven zal behandelen.
4.5
Met grief 2 komen [appellanten] . onder meer op tegen de vaststelling van de feiten. Het hof stelt voorop dat aan de rechter een grote vrijheid toekomt de feiten vast te stellen die voor de beoordeling van het geschil van belang zijn. Vanuit dit uitgangspunt heeft het hof met inachtneming van de grief de feiten opnieuw vastgesteld, zodat [appellanten] . in zoverre bij behandeling van deze grief geen belang meer hebben. In de toelichting bij de grief zijn ook argumenten genoemd die relevant kunnen zijn voor de andere grieven die [appellanten] . hebben geformuleerd. Het hof zal daarop bij de beoordeling van die grieven acht slaan.
4.6
Grief 7 is gericht tegen het dictum van het vonnis en is in zoverre een veeggrief [1] waarop niet afzonderlijk op hoeft te worden beslist.
4.7
De (resterende) grieven van [appellanten] . zullen hierna thematisch worden behandeld.
Schending hoor en wederhoor?
4.8
[appellanten] . betogen dat de rechtbank het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden doordat zij niet in de gelegenheid zijn gesteld te reageren op de producties die [geïntimeerden] bij akte van 15 februari 2023 hebben overgelegd.
4.9
De rechtbank heeft in de opsomming van de processtukken de laatste akte van [geïntimeerden] met de producties A en B (prijsopgave voor een scherm van melkglas) vermeld. De rechtbank heeft niet aangegeven of [appellanten] . in de gelegenheid zijn gesteld op die producties te reageren. Verder blijkt uit het vonnis dat de rechtbank de producties A en B bij de beoordeling heeft betrokken. Zo worden in rechtsoverweging 3.11 van het vonnis de producties A en B genoemd en wordt in rechtsoverweging 3.12 van het vonnis geoordeeld dat de geoffreerde kosten niet in verhouding staan tot het belang van [appellanten] .
4.1
[appellanten] . klagen daardoor terecht dat de rechtbank tegenover hen het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden. Daar staat tegenover dat [appellanten] . in hoger beroep alsnog de gelegenheid hebben gehad op die producties te reageren van welke gelegenheid zij onder meer bij de memorie van grieven ook gebruik hebben gemaakt. Dit leidt ertoe dat van een schending van hoor en wederhoor nu geen sprake meer is, en dat [appellanten] . in zoverre ook geen belang bij hun klacht meer hebben.
Schending artikel 21 Rv Pro?
4.11
[appellanten] . voeren aan dat [geïntimeerden] bij de rechtbank een onvolledige offerte van GFH schilders & afwerkingsbedrijf hebben overgelegd. Daarmee zouden [geïntimeerden] aan de rechter een onjuiste voorstelling van zaken hebben gegeven. [appellanten] . gaan ervan uit dat de totale kosten beduidend lager zijn dan het bedrag van € 8.639,40 incl. btw dat op (het deel van) de overgelegde offerte staat. Ter ondersteuning van hun stelling hebben [appellanten] . overgelegd een andere offerte van GFH schilders & afwerkingsbedrijf voor schilderwerk en offertes van andere bedrijven voor een melkglazen afscheiding. De rechtbank heeft volgens [appellanten] . ten onrechte de door [geïntimeerden] onvolledige offerte voor juist gehouden en is daardoor tot een onjuiste afweging van belangen gekomen.
4.12
[geïntimeerden] hebben (als productie A) overgelegd een “prijsopgave ballustrade met glas” op briefpapier van G.F.H. schilders & afwerkingsbedrijf . De prijsopgave bestaat uit twee onderdelen.
Het eerste onderdeel is “privacy scherm ijzer maatwerk” waarvoor een bedrag van circa € 4.500,- excl. btw wordt genoemd. Ter ondersteuning wordt verwezen naar een bijgevoegde e-mail (overgelegd als productie B). De e-mail is afkomstig van Van den Brink BV (metaalbewerkingsbedrijf) waarin de (circa) prijs van het hekwerk voor het melkglas scherm wordt genoemd. In de e-mail wordt toegelicht dat een exacte prijs kan worden opgegeven als alle detailafmetingen bekend zijn.
Het tweede onderdeel is “privacy glas”, waarvoor een bedrag van circa € 2.640,- excl. btw wordt vermeld.
[geïntimeerden] hebben toegelicht dat dit de volledige prijsopgave is. Verder hebben zij op de mondelinge behandeling bij het hof verklaard dat de prijsopgave ziet op de plaatsing van melkglas aan de twee zijkanten van het balkon (en dus niet slechts op de plaatsing van melkglas aan de zijde van [appellanten] .). Volgens [geïntimeerden] kan melkglas door het zware gewicht en de kracht die de wind op het melkglas uitoefent echter niet op de bestaande constructie van het balkon worden gemonteerd. Er is een speciale constructie nodig. De door [appellanten] . overgelegde offertes gaan er – op basis van mededelingen van [appellanten] c.s. – volgens [geïntimeerden] ten onrechte van uit dat het bestaande spijlenscherm eenvoudig kan worden losgeschroefd en het melkglas vervolgens daarin gemonteerd kan worden.
4.13
Het hof stelt vast dat [geïntimeerden] in de procedure bij de rechtbank inderdaad niet duidelijk hebben vermeld dat de prijsopgave van G.F.H. schilders & afwerkingsbedrijf ziet op plaatsing van een melkglazen afscheiding aan de
beidezijkanten van hun balkon. Het hof is echter van oordeel dat [geïntimeerden] in redelijkheid kunnen menen en wensen dat bij plaatsing van een dergelijke afscheiding, de afscheiding aan beide zijden van hun balkon geplaatst wordt. Uit de stellingen van [geïntimeerden] volgt bovendien dat ook bij plaatsing van het melkglas aan één zijde, de constructie van het balkon aangepast zou moeten worden (wat aanzienlijke kosten met zich brengt). Het hof acht gelet daarop de omissie van [geïntimeerden] – daarin bestaande dat zij niet vermeld hebben dat de prijsopgave van G.F.H. schilders & afwerkingsbedrijf betrekking had op de beide zijkanten van het balkon – niet van wezenlijke betekenis, en er is ook geen grond om aan te nemen dat dat gegeven bij het oordeel van de rechtbank een rol van betekenis heeft gespeeld. Reden daarvoor is reeds dat [geïntimeerden] , in het kader van de ter zitting bij de rechtbank gemaakte afspraken en de uitvoering daarvan, in redelijkheid mochten veronderstellen en verlangen dat aan beide zijkanten van hun balkon hetzelfde melkglas zou worden geplaatst. Er is in zoverre dan ook onvoldoende grond om te oordelen dat sprake is van schending van artikel 21 Rv Pro.
4.14
Het hof stelt verder vast dat de door [geïntimeerden] overgelegde prijsopgave geen offerte is. In de prijsopgave worden circa prijzen genoemd. Daardoor kunnen er enige verschillen in lay-out en opzet zijn met de door [appellanten] . voor andere werkzaamheden verstrekte offerte van hetzelfde bedrijf. Verder hebben [appellanten] . op de gemotiveerde betwisting niet verder onderbouwd dat de overgelegde prijsopgave onvolledig is en, zo ja, of daarmee een onjuist beeld over de opgegeven kosten wordt geschetst. Daardoor is ook in zoverre van strijdig handelen met artikel 21 Rv Pro niet gebleken.
4.15
Volledigheidshalve voegt het hof hier aan toe dat als de te verwachten kosten van een melkglas afscherming voor de beoordeling van belang is, het hof op basis van de argumenten van beide partijen en de door hen overgelegde stukken daarover een beslissing heeft te nemen. Dat partijen over de hoogte van de kosten verschillende standpunten, ondersteund met stukken, innemen, brengt op zichzelf niet mee dat één van partijen in strijd met artikel 21 Rv Pro heeft gehandeld.
Moet het balkon van [geïntimeerden] tot twee meter van de erfgrens met [appellanten] . worden ingekort?
4.16
Aan de vordering tot inkorting van het balkon van [geïntimeerden] met twee meter hebben [appellanten] . vooral artikel 5:50 BW Pro, maar ook artikel 5:51 BW Pro ten grondslag gelegd.
4.17
Het beroep van [appellanten] . op artikel 5:51 BW Pro gaat niet op, doordat die bepaling ziet op openingen in muren. In dit geval is sprake van een balkon die tegen een achtergevel is geplaatst.
4.18
Voor de beoordeling op grond van artikel 5:50 BW Pro stelt het hof voorop dat het niet is geoorloofd binnen twee meter van de grenslijn (onder andere) een balkon te hebben, voor zover deze op het naburig erf uitzicht geeft. Artikel 5:50 lid 3 BW Pro schrijft voor dat de in artikel 5:50 lid 1 BW Pro genoemde afstand van twee meter voor een vooruitspringend werk (zoals een balkon) wordt gemeten uit de buitenste naar het naburige erf gekeerde rand van het vooruitspringende werk tot aan de lijn van de erfgrens. Het hof tekent daarbij aan dat bij een balkon sprake kan zijn van een uitzichtmogelijkheid aan meerdere zijden.
4.19
Het balkon van [geïntimeerden] heeft aan de kant aan de zijde van [appellanten] . een afschermconstructie met een doek dat een breedte heeft van ca 2,40 meter – gelijk aan de diepte van het balkon – en een hoogte van ca 1,80 meter.
4.2
Niet in geschil is dat het balkon volledig op het perceel gesitueerd is dat aan [geïntimeerden] in eigendom toebehoort. Rechthoekig gemeten vanaf de achtergevel van [geïntimeerden] , waartegen het balkon is geplaatst, geeft het balkon in de eerste twee meter vanaf de rand uitzicht op het eigen erf van [geïntimeerden] Aan de kant van [appellanten] . is aan het uiteinde van het balkon een scherm met doek gemonteerd. Voldoende aannemelijk is geworden dat bij normaal gebruik van het balkon [geïntimeerden] aan die zijde rechthoekig parallel aan de achtergevel gemeten geen zicht hebben op het erf of de (binnen)woning van [appellanten] . Het doek belemmert dat zicht. Het balkon van [geïntimeerden] geeft aldus geen recht uitzicht op de tuin of de woning van [appellanten] . Er is slechts sprake van schuin uitzicht, maar daarop heeft artikel 5:50 BW Pro geen betrekking. De omstandigheid dat [geïntimeerden] hangend over het balkon om het doek heen zouden kunnen kijken, is geen normaal gebruik en [appellanten] . hebben niet gesteld en onderbouwd dat [geïntimeerden] sinds 2014 een dergelijk uitzonderlijk gedrag hebben vertoond. Dit betekent dat het balkon van [geïntimeerden] niet in strijd is met artikel 5:50 BW Pro.
Onrechtmatige hinder
4.21
[appellanten] . hebben aan hun vordering ook artikel 5:37 BW Pro en artikel 6:162 BW Pro ten grondslag gelegd. Op grond van artikel 5:37 BW Pro mag een eigenaar van een erf niet in een mate of op een wijze die volgens artikel 6:162 BW Pro onrechtmatig is, aan eigenaren van andere erven hinder, waaronder het onthouden van licht of lucht, toebrengen.
4.22
Volgens de rechtbank is niet voldaan aan de uit artikel 6:162 BW Pro voortvloeiende maatstaven voor een onrechtmatige daad, zodat van onrechtmatige hinder geen sprake is. [appellanten] . komen tegen dit oordeel op.
4.23
Hiervoor heeft het hof geoordeeld dat het balkon geen lichtopening in de zin van artikel 5:51 BW Pro is en dat het balkon met de gerealiseerde afscherming aan de zijde van [appellanten] . – op dit moment met een doek – geen schending van artikel 5:50 BW Pro oplevert. Het hof is van oordeel dat ook niet is aangetoond dat sprake is van onrechtmatige hinder of dat anderszins sprake is van een onrechtmatige daad van [geïntimeerden] Zo hebben [appellanten] ., gelet op de overgelegde foto’s van de huidige afscheiding, onvoldoende onderbouwd dat het doek doorzichtig is en zodoende inkijk op het erf of de binnenzijde van hun woning geeft. Er is – zoals [appellanten] . terecht opmerken – vanaf het balkon van [geïntimeerden] wel schuin zicht op een deel van de achtertuin van [appellanten] . [geïntimeerden] hebben echter voldoende toegelicht en onderbouwd dat er in de situatie zónder balkon, sprake is van schuin uitzicht op die achtertuin. [appellanten] . heeft niet voldoende toegelicht en onderbouwd dat de aanwezigheid van het balkon (met de afscherming aan de zijkant) de mate van schuin uitzicht in aanzienlijke mate vergroot. Evenmin hebben [appellanten] . op de betwisting toereikend onderbouwd dat het balkon met de afscherming van het doek in wezenlijke mate licht ontneemt. [geïntimeerden] hebben er in dat verband onder meer op gewezen dat de achterzijden van de woningen gelegen zijn op het zuidwesten, en dat er aan die zijde dus sprake is van veel zonlicht. Verder is, anders dan [appellanten] . menen, de constructie met een doek een op zichzelf duurzame afdichting wat zich in de achterliggende jaren ook als zodanig heeft bewezen. Dat het doek klappert in de wind en dat dit voor [appellanten] . wezenlijke en niet te accepteren geluidsoverlast oplevert die niet eenvoudig verholpen kan worden, is zonder nadere toelichting en onderbouwing niet in te zien. Het hof neemt in aanmerking dat [geïntimeerden] hebben aangeboden om de huidige afscheiding te vervangen door bijvoorbeeld een afscheiding van stevig kunststof. Daarbij zijn [geïntimeerden] ook bereid geweest om rekening te houden met de door [appellanten] . gewenste kleur. Dat er gelet op de bouw en ligging van de woningen (waaronder het gegeven dat de woningen alle veel uitzicht hebben aan de voorzijde en relatief weinig uitzicht en privacy aan de achterzijde) sprake is van een onaanvaardbare inperking van het uitzicht aan de achterzijde, valt evenmin in te zien. Gelet op dat alles is er in de gegeven omstandigheden naar het oordeel van het hof geen sprake van van schending van artikel 5:37 BW Pro of artikel 6:162 BW Pro.
4.24
Het hof komt daardoor niet toe aan het verweer van [geïntimeerden] , dat door de rechtbank is gehonoreerd en tegen welk oordeel [appellanten] . hebben gegriefd, dat [appellanten] . stilzwijgende met het balkon hebben ingestemd.
Minnelijke regeling?
4.25
In ieder geval in hoger beroep stellen [appellanten] . dat zij op de mondelinge behandeling bij de rechtbank een overeenkomst met [geïntimeerden] over de plaatsing van een melkglazen afscheiding hebben gesloten die in een proces-verbaal is neergelegd. In die overeenkomst hebben [geïntimeerden] zich volgens [appellanten] . verplicht een offerte voor een melkglazen afscheiding aan te vragen en aan [appellanten] . voor te leggen, waarna zij – na goedkeuring door [appellanten] . – zich hebben verplicht de afscheiding met melkglas binnen 6 weken te realiseren. Doordat [geïntimeerden] aan deze overeenkomst geen uitvoering hebben gegeven vorderen [appellanten] . om [geïntimeerden] op straffe van een dwangsom te veroordelen de overeenkomst na te komen.
4.26
[geïntimeerden] betwisten dat de afspraken, die zij op de mondelinge behandeling met [appellanten] . hebben gemaakt, een overeenkomst met de door [appellanten] . gestelde verplichtingen inhoudt. Volgens [geïntimeerden] was ter zitting niet bekend welke maatregelen aan het balkon nodig waren om een afscheiding met melkglas te realiseren en wat daarvan de kosten zouden zijn. [geïntimeerden] c.s. voeren onder meer aan dat zij ter zitting uitdrukkelijk hebben aangegeven dat als een afscheiding van melkglas vanwege de kosten en/of de treffen maatregelen geen goede optie zou zijn, er verder zou worden geprocedeerd. Tegen deze achtergrond was volgens [geïntimeerden] het doel van de afspraken te onderzoeken of een minnelijke regeling voor een afscheiding met melkglas mogelijk was. Dat onderzoek is uitgevoerd en volgens [geïntimeerden] moest voor het aanbrengen van melkglas de constructie van het hekwerk van het balkon ingrijpend worden aangepast waardoor de kosten voor hen te hoog uitvielen.
4.27
Voor het antwoord op de vraag of partijen de door [appellanten] . gestelde overeenkomst hebben gesloten, heeft het hof de gemaakte afspraken die in het proces-verbaal zijn neergelegd uit te leggen.
Het hof stelt voorop dat de uitleg van de afspraken tussen partijen niet kan worden beantwoord op grond van uitsluitend een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen in het proces-verbaal. Voor de beantwoording van de vraag komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de afspraken mochten toekennen en op wat zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (de zogenaamde Haviltex maatstaf [2] ).
Ook geldt dat bij de uitleg van een dergelijk geschrift steeds van beslissende betekenis zijn alle omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar wat de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen, en dat in praktisch opzicht vaak van groot belang is de taalkundige betekenis van de bewoordingen van het geschrift, gelezen in de context ervan als geheel, die deze in (de desbetreffende kring van) het maatschappelijk verkeer normaal gesproken hebben.
Verder komt bij de uitleg betekenis toe aan de aard van de afspraken, de omvang en gedetailleerdheid ervan, de wijze van totstandkoming en de overige bepalingen. Ten slotte speelt bij de uitleg ook een rol hoe partijen na het sluiten van de overeenkomst feitelijk hebben gehandeld.
4.28
Het hof oordeelt als volgt. [geïntimeerden] betwisten niet dat ter zitting is afgesproken dat zij een offerte voor een afscheiding met melkglas zullen aanvragen, een offerte aan [appellanten] . ter goedkeuring zal worden voorgelegd en dat na goedkeuring de afscheiding door [geïntimeerden] zal worden gerealiseerd. Hoewel [appellanten] . vermoeden dat [geïntimeerden] door informatie van buren en hun algemene kennis een idee van de te verwachten kosten van een afscheiding met melkglas hadden, is niet voldoende aannemelijk gemaakt dat partijen op de zitting bij de rechtbank wisten dat de constructie van het balkon voor het aanbrengen van een melkglazen afscheiding moest worden aangepast en wat de totale kosten voor een melkglazen afscheiding zouden zijn. Verder is niet in geschil dat op basis van de afspraken de kosten voor een melkglazen afscheiding geheel voor rekening van [geïntimeerden] zouden komen. Voor [geïntimeerden] was daarmee van belang wat een melkglazen afscheiding voor de constructie van hun balkon zou betekenen en wat de totale kosten zouden zijn.
Juist is dat bij een minnelijke regeling gebruikelijk is dat een gerechtelijke procedure eindigt en van de rol wordt gehaald. In dit geval is de zaak juist verwezen naar een nieuwe roldatum voor uitlating van partijen. Verder bevatten de afspraken niet de gebruikelijke regelingen over de proceskosten en finale kwijting. In de aanhef van de afspraken staan de woorden “beëindiging van dit geschil”. Aan het slot van de afspraken in het proces-verbaal is opgenomen dat partijen zich over ongeveer twee maanden na de ondertekening zullen uitlaten “over de regeling” en “het verdere verloop van de procedure”. Deze bepalingen en hun bewoordingen in onderlinge samenhang bezien duiden er op dat partijen vooral een procedure afspraak hebben gemaakt om te onderzoeken of ter beëindiging van hun geschil een afscheiding van melkglas voor hen haalbaar is en niet zozeer dat [geïntimeerden] zich hebben verplicht op hun kosten een afscheiding van melkglas te realiseren.
Dit wordt ondersteund door de wijze waarop partijen verder hebben geprocedeerd en het oordeel van de rechtbank. Nadat [geïntimeerden] niet bereid waren een melkglazen afscheiding aan te brengen, hebben partijen de rechtbank laten weten verder te willen procederen. [appellanten] . hebben daarbij hun primaire vordering tot verwijdering, althans inkorting van het balkon gehandhaafd. Dat ligt niet voor de hand als een regeling over een door [geïntimeerden] op hun kosten aan te leggen melkglazen afscheiding is overeengekomen en [appellanten] . willen dat [geïntimeerden] hun onderlinge afspraken nakomen. Voorts hebben [appellanten] . in hun akte van 25 januari 2023 weliswaar op de regeling in het proces-verbaal gewezen, maar in hun akte niet expliciet aangegeven dat [geïntimeerden] zich toen hebben verplicht tot het aanbrengen van een melkglazen afscheiding en zij (subsidiair) nakoming van die verplichting willen. [geïntimeerden] hebben in hun aktes na de zitting bij de rechtbank verklaard dat de minnelijke regeling voor hen geen verplichting tot aanbrengen van een melkglazen afscheiding inhield, maar dat onderzocht zou worden of dat voor hen een haalbare optie was. Kennelijk is ook de rechtbank uitgegaan van het karakter van de afspraken zoals door [geïntimeerden] (ook toen) is aangevoerd. Zo heeft de rechtbank in rechtsoverweging 2.2 van het vonnis overwogen dat partijen afspraken hebben gemaakt over het aanvragen van een offerte voor het aanbrengen van melkglas en dat dit uiteindelijk niet tot oplossing van het geschil heeft geleid, zodat beide partijen alsnog vonnis hebben gevraagd. Verder is in het vonnis geen overweging gewijd aan nakoming van een op [geïntimeerden] rustende verplichting op grond van de op de zitting bij de rechtbank gemaakte afspraken. Integendeel, in rechtsoverweging 3.13 van het vonnis wijst de rechtbank erop dat “desondanks” – ondanks dat volgens de rechtbank op [geïntimeerden] geen verplichting rust tot het aanbrengen van een melkglazen afscheiding – “ [geïntimeerden] bereid” is “geweest om tot een voor [appellanten] . aanvaardbare oplossing te komen”.
4.29
Tegen deze achtergrond hebben [appellanten] . onvoldoende onderbouwd dat op de zitting bij de rechtbank een overeenkomst is gesloten, waarin [geïntimeerden] zich (onvoorwaardelijk) hebben verplicht tot het aanbrengen van een afscheiding van melkglas. Voor de door [appellanten] . gestelde overeenkomst is geen specifiek bewijsaanbod gedaan en het hof ziet geen aanleiding ambtshalve een bewijsopdracht te verstrekken.
4.3
Het betoog van [appellanten] . lijkt ook in te houden dat zij van mening zijn dat [geïntimeerden] geen, althans onvoldoende uitvoering aan de (procedure) afspraak hebben gegeven. Een daartoe strekkende vordering hebben zij niet ingesteld, zodat het hof op dat betoog niet hoeft te beslissen.
Redelijkheid en billijkheid
4.31
Aan de subsidiaire vordering hebben [appellanten] . ook de redelijkheid en billijkheid ten grondslag gelegd. Nu het hof het ervoor houdt dat het balkon met afscheiding geen strijd oplevert met artikel 5:50 BW Pro en [geïntimeerden] met hun balkon en afscheiding met een doek geen onrechtmatige hinder in de zin van artikel 5:37 BW Pro veroorzaken of anderszins sprake is van een onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW Pro), hebben [appellanten] . onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld die meebrengen dat [geïntimeerden] desondanks op basis van de redelijkheid en billijkheid gehouden zijn tot het aanbrengen van een melkglazen afscheiding. Het hof weegt daarin mee dat voldoende aannemelijk is geworden dat voor het aanbrengen van melkglas de metalen constructie op het balkon moet worden aangepast. Hoewel partijen over de hoogte van de kosten van mening verschillen, zijn de kosten in ieder geval niet gering. Verder is niet gesteld of gebleken dat [appellanten] . in de door hen verlangde melkglazen afscheiding in die kosten willen bijdragen.
De conclusie
4.32
Het hoger beroep slaagt niet. Omdat [appellanten] . in het ongelijk zullen worden gesteld, zal het hof [appellanten] . tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening [3] .

5.De beslissing

Het hof:
5.1
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, van 14 juni 2023;
5.2
veroordeelt [appellanten] . tot betaling van de volgende proceskosten van [geïntimeerden] :
  • € 343,- aan griffierecht,
  • € 2.580,- aan salaris van de advocaat van [geïntimeerden] (2 procespunten x het toepasselijke tarief II);
5.3
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;
5.4
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. D.H. de Witte, J.E. Wichers en A.A.J. Smelt, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
7 april 2026.

Voetnoten

1.Vgl. HR 1 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:137.
2.HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158.
3.HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.