Uitspraak
1.[appellant1]
2. [appellant2]
3. [appellant3]
4. [appellant4]
5. [appellant5]
6. [appellant6]
7. [appellant7]
8. [appellant8]
9. [appellant9]
1.Het verloop van de procedure in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep van [naam] ;
- de dagvaarding in hoger beroep van [appellanten] ;
- de memorie van grieven van [naam] ;
- de memorie van grieven van [appellanten] ;
- de memorie van antwoord van het Waterschap in het hoger beroep van [naam] en van [appellanten] ;
- het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 3 februari 2026 is gehouden.
2.De kern van de zaak
3.De toelichting op de beslissing van het hof
- i) [appellanten] maken gebruik van ligplaatsen in de Nieuwe Wetering-Oost, een water dat gelegen is tussen het Amsterdam-Rijnkanaal en de Vecht. De Staat is eigenaar van (de grond onder) het water in het Amsterdam-Rijnkanaal en Rijkswaterstaat is verantwoordelijk voor het vaarwegbeheer en onderhoud daarvan. De Nieuwe Wetering-Oost is een openbaar vaarwater en maakt als (provinciale) vaarweg deel uit van een landelijk netwerk voor recreatievaart. De Provincie Utrecht beslist over de doorvaarbaarheid van dit netwerk.
- ii) Op deze locatie in de Nieuwe Wetering-Oost liggen al woonschepen sinds het begin van de jaren ’60. Het gebruik van de ligplaatsen is in overeenstemming met het ter plaatse geldende bestemmingsplan. [appellanten] hebben steeds beschikt over de daarvoor vereiste vergunningen en ontheffingen. Inmiddels is daarvoor geen vergunning of ontheffing meer nodig.
- iii) Tot 2008 rustte de eigendom van het waterperceel bij de Provincie Utrecht. In oktober 2007 hebben het Waterschap en de Provincie een overeenkomst gesloten ‘tot overdracht van het vaarwegbeheer en onderhoud en tot vaststelling van de financiële verplichtingen inzake het achterstallig onderhoud van de Nieuwe Wetering-Oost en de bijbehorende vaarwegen’. Vervolgens heeft het Waterschap in oktober/november 2007 het waterperceel van de provincie Utrecht gekocht. De levering heeft plaatsgevonden op 5 februari 2008.
- iv) Sinds 2004 voert het Waterschap een ‘Huur- en precariobeleid woonschepen, vaartuigen en oevervoorzieningen’ dat onder meer ertoe strekt dat met alle ligplaatshouders in watergangen waarvan het Waterschap eigenaar is een standaardhuurovereenkomst wordt aangegaan. Het Waterschap wil een uniform beleid voeren in zijn beheergebied.
- v) Vanaf 2011 heeft het Waterschap gesprekken met [appellanten] gevoerd om tot een huurovereenkomst te komen. Dat heeft niet tot overeenstemming geleid, onder meer omdat [appellanten] eerst een oplossing wilden voor hinder en schade die zij stellen te ondervinden door (i) golfslag en zuiging die in de Nieuwe Wetering-Oost worden veroorzaakt door scheepvaartverkeer in het Amsterdam Rijnkanaal, (ii) de ondiepte van het water naast en onder de woonarken door de aanwezigheid van te veel (vervuild) slib, ofwel de te geringe vrijgehouden ruimte onder de woonarken en (iii) de verrotte palen van de beschoeiing en de slechte staat van de kade. Om het probleem van de golfslag en zuiging te beperken zijn in de wintermaanden schotten geplaatst. Deze schotten worden niet in het vaarseizoen geplaatst (van 1 april tot 1 november). Vanwege de ondervonden hinder door de golfslag en zuiging heeft het Waterschap een huurkorting van 50% aangeboden.
- vi) Uit de destijds vigerende Keur met het bijbehorende Keurbesluit volgt dat [appellanten] (publiekrechtelijk) zelf verantwoordelijk zijn voor het op diepte houden van de ligplaats. De beschoeiing maakt geen deel uit van de te huur aangeboden ligplaatsen.
- vii) Bij brief van 28 november 2022 heeft het Waterschap een (aangepaste) huurovereenkomst aan [appellanten] verzonden. Voor zover er sprake zou zijn van een gebruiksrecht om niet heeft het Waterschap dat gebruiksrecht daarbij opgezegd tegen 31 december 2022. Het Waterschap heeft meegedeeld dat het op grond van zijn eigendomsrecht een gerechtelijke procedure tot staking van het gebruik van de ligplaats en verwijdering van de woonarken zal starten als de aangeboden huurovereenkomst niet wordt aanvaard.
- viii) Bij brief van 14 februari 2023 heeft het Waterschap een addendum bij de huurovereenkomst aan [appellanten] toegezonden en nogmaals de gelegenheid geboden met de aangeboden huurovereenkomst (met addendum) in te stemmen. Dat hebben [appellanten] niet gedaan.
geenprivaatrechtelijke toestemming is, maar daaraan gaat het hof voorbij, omdat dit standpunt te laat is ingenomen. Daarbij merkt het hof op dat het heeft gezien dat [appellanten] dit standpunt ook al eens tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank hebben ingenomen, maar dat de wisselende stellingen van [appellanten] niet goed met elkaar te verenigen zijn, wat ook verklaart dat de rechtbank deze stellingen in de in rechtsoverweging 3.7 van het vonnis weergegeven zin heeft opgevat. Het hof ziet niet in dat de standpuntwijziging van het Waterschap in hoger beroep - waarmee wordt aangesloten bij het standpunt van [naam] en [appellanten] - in strijd zou zijn met de goede procesorde of algemene beginselen van behoorlijk bestuur, zoals door hen wordt aangevoerd. De herkansingsfunctie van het hoger beroep brengt mee dat ook in het kader van het verweer nieuwe standpunten kunnen worden ingenomen.
“Het hoogheemraadschap respecteert de op de datum van overdracht bestaande rechten van derden, zoals vergunninghouders, erfpachters en contractspartijen van de provincie; met dien verstande dat het hoogheemraadschap zich het recht voorbehoudt de situatie met betrekking tot deze rechten in overeenstemming met zijn beleid te brengen.”Zonder een nadere toelichting, die door het Waterschap niet is gegeven, is niet in te zien dat dit artikel niet ook betrekking heeft op het gebruiksrecht van [appellanten] Dat het perceel met de ligplaatsen op dat moment nog niet was overgedragen en in de overeenkomst staat dat een separate overeenkomst zal worden opgesteld met betrekking tot de overdracht van de eigendom, zoals het Waterschap stelt, noopt niet tot de door het Waterschap gestelde uitleg. Het Waterschap heeft zich er jegens de Provincie dus toe verplicht ook de rechten van [appellanten] te respecteren.
“Verkoper heeft koper informatie verstrekt over de aan verkoper bekende rechten en plichten. Koper aanvaardt uitdrukkelijk alleen die lasten en beperkingen die voor hem kenbaar zijn uit de openbare registers, dan wel uit de feitelijke situatie.”Het Waterschap was op dat moment bekend, althans had bekend behoren te zijn, met het gebruik van de ligplaatsen door [appellanten] In de context van de feitelijke situatie duidt ook dit artikel erop dat het Waterschap en de Provincie overdracht van deze rechtsverhouding hebben beoogd.
“Het verkochte wordt aanvaard in de feitelijke staat, waarin het zich ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst bevond, vrij van huur of ander gebruiksrecht.”In diezelfde leveringsakte staat echter ook in artikel 4.2:
“Het verkochte is evenmin zonder recht of titel in gebruik bij derden.”Beide artikelen zijn opgenomen in de situatie dat het voor het Waterschap en de Provincie bekend was, of bekend had behoren te zijn, dat [appellanten] de ligplaatsen in gebruik hadden, ofwel in weerwil van het bepaalde in artikel 2.3 op grond van een gebruiksrecht, ofwel in weerwil van het bepaalde in artikel 4.2 zonder recht of titel. Duidelijk is dat de leveringsakte daarmee niet juist weergeeft wat de stand van zaken op het moment van het passeren van de akte was. Omdat het Waterschap zelf stelt dat sprake was van een (stilzwijgend) gebruiksrecht in de vorm van een privaatrechtelijke toestemming en omdat het hof uit de hiervoor geciteerde inhoud van de eerdere overeenkomsten concludeert dat het Waterschap en de Provincie dit gebruiksrecht hebben willen overdragen, is het hof van oordeel dat artikel 2.3 van de leveringsakte de partijbedoeling niet juist weergeeft. Met de aanvaarding in de feitelijke staat is in de gegeven omstandigheden ook bedoeld de rechtsverhouding met [appellanten] over te nemen. Ten overvloede overweegt het hof dat, als het gebruiksrecht niet op grond van het voorgaande is overgedragen, het na overdracht van het perceel opnieuw stilzwijgend is overeengekomen tussen het Waterschap als opvolgend eigenaar enerzijds en [naam] en [appellanten] anderzijds. Ter zitting is immers van de kant van het Waterschap bevestigd dat de overdracht geen verandering bracht in de feitelijke situatie (het door het Waterschap toegelaten gebruik van de ligplaatsen om niet).
“indien en voor zover de desbetreffende gedaagde niet alsnog binnen deze termijn de aan hen aangeboden huurovereenkomst (inclusief addendum)(…)
ondertekent”(onder 4.2). In deze formulering heeft de dwangsom een voorwaardelijk karakter, maar de veroordeling tot ontruiming niet. Dat sluit niet aan bij de vordering van het Waterschap, waarin binnen vier weken na betekening ontruiming wordt gevorderd als niet binnen deze termijn een huurovereenkomst wordt ondertekend. Alle partijen lijken te veronderstellen dat de rechtbank dit heeft bedoeld te oordelen. Daarvan gaat het hof ook uit. Het dictum moet worden uitgelegd in het licht van de overwegingen waarop het berust. [12] Uit in het bijzonder de overweging over de uitvoerbaarheid bij voorraad maakt het hof op dat ontruiming volgens de rechtbank niet aan de orde is als tijdig een huurovereenkomst wordt getekend.
Trb.1990/170 (hierna: IVRK) en moet aan de belangen van de kinderen in kwestie bijzonder gewicht worden toegekend. De kinderen worden door ontruiming rechtstreeks getroffen en hun recht op huisvesting is in het geding (art. 27 lid 3 IVRK Pro). [13] Het hof is van oordeel dat die belangen hier voldoende gewaarborgd zijn. De aangeboden huurovereenkomst is een redelijk alternatief voor de bestaande situatie en het huurrechtregime leidt tot een hogere mate van bescherming dan de bestaande (geen recht of titel) en de beëindigde situatie (bruikleen). [appellanten] hebben op de mondelinge behandeling bevestigd dat zij, als de vorderingen van het Waterschap worden toegewezen, ook daadwerkelijk tot het tekenen van een huurovereenkomst zullen overgaan. Er is voor de (minderjarige) kinderen dus geen sprake van dreigende dakloosheid. Van schending van het woonrecht van [appellanten] is ook geen sprake. Omdat [appellanten] te kennen hebben gegeven een huurovereenkomst te zullen ondertekenen, ziet het hof voorts niet in dat een termijn tot ontruiming van vier weken na betekening te kort zou zijn, zoals zij stellen. Volledigheidshalve merkt het hof op dat, als het Waterschap tot ontruiming zou overgaan zonder een huurovereenkomst aan te bieden aan [appellanten] , dit wel een schending van het woonrecht kan opleveren.
nalatenin strijd met een wettelijke plicht of met dat wat volgens het ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Het hof begrijpt dat [appellanten] het standpunt innemen dat die situatie zich hier voordoet. Het ligt dan wel op de weg van [appellanten] om te stellen en te onderbouwen waarom en in welke opzichten het nalaten van het Waterschap een aan het Waterschap toerekenbare onrechtmatige daad oplevert. Dat hebben zij niet gedaan. Dat het Waterschap mogelijk tot het treffen van maatregelen in staat is, zoals zij stellen, is daartoe onvoldoende. Alleen al daarom kunnen deze vorderingen ook in hoger beroep niet (op deze grondslag) worden toegewezen.