ECLI:NL:GHARL:2026:2392

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
21 april 2026
Zaaknummer
200.348.392
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:14 BWArt. 3:37 lid 1 BWArt. 3:105 BWArt. 3:111 BWArt. 3:112 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gerechtshof bevestigt opzegging privaatrechtelijk gebruiksrecht ligplaatsen woonarken en verplicht Waterschap tot baggeren

Het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht heeft het privaatrechtelijk gebruiksrecht van ligplaatsen voor woonarken in de Nieuwe Wetering-Oost opgezegd en een huurovereenkomst aangeboden. De bewoners, appellanten, verzetten zich hiertegen en vorderden tevens herstel van hinderlijke omstandigheden zoals golfslag, zuiging en ondiepte.

De rechtbank wees de vorderingen van het Waterschap toe en wees de vorderingen van de bewoners af. In hoger beroep bevestigt het hof dat het gebruik van ligplaatsen als bijzonder gebruik kwalificeert en dat het Waterschap het recht heeft het gebruiksrecht op te zeggen onder redelijke voorwaarden. Het hof verklaart de voorwaardelijke ontruiming en dwangsom uitvoerbaar bij voorraad.

Het hof oordeelt dat het Waterschap zich moet inspannen om de golfslag en zuiging die een veiligheidsrisico vormen te voorkomen en veroordeelt het tot het baggeren onder de woonarken binnen een maand na het sluiten van een huurovereenkomst. De vorderingen van de bewoners tot herstel van overige gebreken worden afgewezen. Het hof wijst het beroep op verjaring af en oordeelt dat het privaatrechtelijk optreden van het Waterschap toelaatbaar is en niet in strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de opzegging van het gebruiksrecht, verklaart ontruiming uitvoerbaar bij voorraad en veroordeelt het Waterschap tot baggeren onder de woonarken bij het sluiten van een huurovereenkomst.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.348.392
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht: 560407
arrest van 21 april 2026
in de zaak van

1.[appellant1]

2. [appellant2]

3. [appellant3]

4. [appellant4]

5. [appellant5]

6. [appellant6]

7. [appellant7]

8. [appellant8]

9. [appellant9]

die allen wonen in [woonplaats]
hierna: [appellanten]
advocaat: B.P. van Overeem
tegen
Waterschap Amstel, Gooi en Vecht
dat zetelt in Amsterdam
hierna: het Waterschap
advocaat: mr. W. Lever

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

[appellanten] hebben hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht op 19 juni 2024 tussen partijen heeft uitgesproken (hierna: het vonnis). Het vonnis betrof onder andere ook [naam] (hierna: [naam] ). Zij heeft afzonderlijk hoger beroep bij het hof ingesteld. Dat hoger beroep is bij het hof bekend onder zaaknummer: 200.347.547. [naam] en het Waterschap hebben eenstemmig om doorhaling van die zaak gevraagd. Op 17 maart 2026 heeft royement plaatsgevonden. Omdat [appellanten] hebben verzocht de grieven van [naam] in hun memorie van grieven als ingelast te beschouwen en het Waterschap daarmee akkoord is gegaan (zie ook hierna onder 3.2), neemt het hof de processtukken uit de doorgehaalde procedure op in de weergave van het verloop van de procedure in hoger beroep in de onderhavige zaak. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep van [naam] ;
  • de dagvaarding in hoger beroep van [appellanten] ;
  • de memorie van grieven van [naam] ;
  • de memorie van grieven van [appellanten] ;
  • de memorie van antwoord van het Waterschap in het hoger beroep van [naam] en van [appellanten] ;
  • het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 3 februari 2026 is gehouden.
Vervolgens heeft het Waterschap arrest gevraagd.

2.De kern van de zaak

2.1.
Het Waterschap is eigenaar van (de grond onder) het openbaar water aan de Nieuwe Wetering-Oost te [plaats] (hierna ook: het waterperceel). [appellanten] hebben ieder een gedeelte van het waterperceel in gebruik als ligplaats voor hun woonarken. Daarvoor betalen zij geen vergoeding. Het Waterschap wil dat zij een vergoeding gaan betalen voor het gebruik en heeft geprobeerd een huurovereenkomst met [appellanten] te sluiten. [appellanten] hebben zich daartegen verzet en willen op hun beurt dat het Waterschap drie schade en hinder veroorzakende omstandigheden verhelpt, te weten: (i) golfslag en zuiging die in de Nieuwe Wetering Oost worden veroorzaakt door scheepvaartverkeer in het Amsterdam-Rijnkanaal, (ii) de ondiepte van het water naast en onder de woonarken door de aanwezigheid van te veel (vervuild) slib, ofwel de te geringe vrijgehouden ruimte onder de woonarken en (iii) de verrotte palen van de beschoeiing en de slechte staat van de kade. Het Waterschap betwist daartoe gehouden te zijn.
2.2.
Het Waterschap heeft in conventie bij de rechtbank - kort gezegd - gevorderd dat [appellanten] het gebruik staken en het waterperceel ontruimen en hun woonarken verwijderen, als niet alsnog binnen vier weken na betekening van de beslissing de aan [appellanten] aangeboden huurovereenkomst (inclusief addendum) door hen wordt ondertekend. Het Waterschap heeft gevorderd deze beslissing met een dwangsom te versterken.
2.3.
[appellanten] hebben in reconventie bij de rechtbank - kort gezegd - gevorderd dat het Waterschap wordt veroordeeld de golfslag en zuiging te verhelpen door het plaatsen van schotten gedurende het hele jaar en tot het baggeren onder de woonarken, zodanig dat er tussen de bodem en de woonarken minstens 50 cm vrij water ontstaat. Zij hebben gevraagd deze beslissing met een dwangsom te versterken.
2.4.
De rechtbank heeft de vorderingen in conventie toewezen. De vorderingen in reconventie zijn afgewezen. De bedoeling van het hoger beroep is dat de toegewezen vorderingen van het Waterschap alsnog worden afgewezen en dat de afgewezen vorderingen van [appellanten] alsnog worden toegewezen.
2.5.
Het hof zal de beslissing in conventie bekrachtigen en in hoger beroep de beslissing in het vonnis onder 4.1 (voorwaardelijke veroordeling tot ontruiming) en onder 4.2 (voorwaardelijke dwangsomveroordeling) alsnog uitvoerbaar bij voorraad verklaren. De beslissing in reconventie zal worden vernietigd. Het hof zal voor recht verklaren dat - als tussen het Waterschap en [appellanten] een huurovereenkomst zal worden gesloten met betrekking tot (de grond onder) het water onder de woonarken van [appellanten] - van het Waterschap mag worden verlangd dat het zich inspant om de feitelijke stoornis van het huurgenot door de golfslag en zuiging die door het scheepvaartverkeer in het Amsterdam-Rijnkanaal in de Nieuwe Wetering Oost te [plaats] wordt veroorzaakt te voorkomen voor zover deze golfslag en zuiging een veiligheidsrisico voor de bewoners vormen en dat sprake is van een gebrek als het Waterschap nalaat zich daartoe in te spannen. Onder voorwaarde dat tussen het Waterschap en [appellanten] een huurovereenkomst zal worden gesloten met betrekking tot (de grond onder) het water onder de woonarken van [appellanten] , zal het Waterschap ook worden veroordeeld de grond onder de woonarken van [appellanten] binnen een maand na ondertekening van de huurovereenkomst uit te baggeren, zodat een ruimte van 30 cm onder de woonarken wordt vrijgehouden, uitgaande van het gehandhaafde waterpeil. Het hof licht deze beslissingen hierna toe.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

Waarvan het hof uitgaat
3.1.
Bij de beoordeling van het hoger beroep gaat het hof van het volgende uit:
  • i) [appellanten] maken gebruik van ligplaatsen in de Nieuwe Wetering-Oost, een water dat gelegen is tussen het Amsterdam-Rijnkanaal en de Vecht. De Staat is eigenaar van (de grond onder) het water in het Amsterdam-Rijnkanaal en Rijkswaterstaat is verantwoordelijk voor het vaarwegbeheer en onderhoud daarvan. De Nieuwe Wetering-Oost is een openbaar vaarwater en maakt als (provinciale) vaarweg deel uit van een landelijk netwerk voor recreatievaart. De Provincie Utrecht beslist over de doorvaarbaarheid van dit netwerk.
  • ii) Op deze locatie in de Nieuwe Wetering-Oost liggen al woonschepen sinds het begin van de jaren ’60. Het gebruik van de ligplaatsen is in overeenstemming met het ter plaatse geldende bestemmingsplan. [appellanten] hebben steeds beschikt over de daarvoor vereiste vergunningen en ontheffingen. Inmiddels is daarvoor geen vergunning of ontheffing meer nodig.
  • iii) Tot 2008 rustte de eigendom van het waterperceel bij de Provincie Utrecht. In oktober 2007 hebben het Waterschap en de Provincie een overeenkomst gesloten ‘tot overdracht van het vaarwegbeheer en onderhoud en tot vaststelling van de financiële verplichtingen inzake het achterstallig onderhoud van de Nieuwe Wetering-Oost en de bijbehorende vaarwegen’. Vervolgens heeft het Waterschap in oktober/november 2007 het waterperceel van de provincie Utrecht gekocht. De levering heeft plaatsgevonden op 5 februari 2008.
  • iv) Sinds 2004 voert het Waterschap een ‘Huur- en precariobeleid woonschepen, vaartuigen en oevervoorzieningen’ dat onder meer ertoe strekt dat met alle ligplaatshouders in watergangen waarvan het Waterschap eigenaar is een standaardhuurovereenkomst wordt aangegaan. Het Waterschap wil een uniform beleid voeren in zijn beheergebied.
  • v) Vanaf 2011 heeft het Waterschap gesprekken met [appellanten] gevoerd om tot een huurovereenkomst te komen. Dat heeft niet tot overeenstemming geleid, onder meer omdat [appellanten] eerst een oplossing wilden voor hinder en schade die zij stellen te ondervinden door (i) golfslag en zuiging die in de Nieuwe Wetering-Oost worden veroorzaakt door scheepvaartverkeer in het Amsterdam Rijnkanaal, (ii) de ondiepte van het water naast en onder de woonarken door de aanwezigheid van te veel (vervuild) slib, ofwel de te geringe vrijgehouden ruimte onder de woonarken en (iii) de verrotte palen van de beschoeiing en de slechte staat van de kade. Om het probleem van de golfslag en zuiging te beperken zijn in de wintermaanden schotten geplaatst. Deze schotten worden niet in het vaarseizoen geplaatst (van 1 april tot 1 november). Vanwege de ondervonden hinder door de golfslag en zuiging heeft het Waterschap een huurkorting van 50% aangeboden.
  • vi) Uit de destijds vigerende Keur met het bijbehorende Keurbesluit volgt dat [appellanten] (publiekrechtelijk) zelf verantwoordelijk zijn voor het op diepte houden van de ligplaats. De beschoeiing maakt geen deel uit van de te huur aangeboden ligplaatsen.
  • vii) Bij brief van 28 november 2022 heeft het Waterschap een (aangepaste) huurovereenkomst aan [appellanten] verzonden. Voor zover er sprake zou zijn van een gebruiksrecht om niet heeft het Waterschap dat gebruiksrecht daarbij opgezegd tegen 31 december 2022. Het Waterschap heeft meegedeeld dat het op grond van zijn eigendomsrecht een gerechtelijke procedure tot staking van het gebruik van de ligplaats en verwijdering van de woonarken zal starten als de aangeboden huurovereenkomst niet wordt aanvaard.
  • viii) Bij brief van 14 februari 2023 heeft het Waterschap een addendum bij de huurovereenkomst aan [appellanten] toegezonden en nogmaals de gelegenheid geboden met de aangeboden huurovereenkomst (met addendum) in te stemmen. Dat hebben [appellanten] niet gedaan.
Vooraf
3.2.
Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling is met partijen besproken dat [appellanten] heeft verzocht de grieven van [naam] in hun memorie van grieven als ingelast te beschouwen en dat het Waterschap in zijn memorie van antwoord vervolgens geen onderscheid tussen de stellingen in beide procedures heeft gemaakt. Partijen hebben er mee ingestemd dat ook het hof de stellingen en producties in de beide procedures als over en weer ingelast beschouwt en daartussen in beginsel geen onderscheid maakt.
I. De vorderingen in conventie
Normaal of bijzonder gebruik
3.3.
Als onbestreden staat vast dat het Waterschap eigenaar is van het waterperceel waarop zich de ligplaatsen bevinden en dat het gaat om openbaar vaarwater. Als eigenaar van openbaar vaarwater moet het Waterschap ‘normaal’ gebruik daarvan dulden. Dat normaal gebruik kan niet worden onderworpen aan privaatrechtelijke voorwaarden. Het antwoord op de vraag welk gebruik moet worden geduld als normaal gebruik, is afhankelijk van het feitelijk gebruik en de overige omstandigheden, met dien verstande dat daaronder in elk geval het gewone verkeer valt en het gebruik dat daarmee in zodanig verband staat dat het geacht moet worden daarvan deel uit te maken. [1] Ander gebruik van openbaar vaarwater dan overeenkomstig zijn publieke bestemming moet worden aangemerkt als bijzonder gebruik. [2] Daarbij gaat het om gebruik van openbaar vaarwater dat daarop een bijzonder beslag legt. In dat geval is privaatrechtelijke regulering mogelijk, op voorwaarde dat daarbij geen publiekrechtelijke regeling onaanvaardbaar wordt doorkruist en de eigenaarsbevoegdheid niet wordt misbruikt. [3] Het Waterschap kan zijn rechten als eigenaar van het openbaar vaarwater uitoefenen tegen wie daarvan een bijzonder gebruik maakt, tenzij er sprake is van een recht of titel op dat bijzondere gebruik.
3.4.
Anders dan [appellanten] in hoger beroep opnieuw betogen, is het afmeren van een woonark in openbaar vaarwater een vorm van bijzonder gebruik dat daarop een bijzonder beslag legt en dat de eigenaar in beginsel niet hoeft te dulden, ook als het bestemmingsplan (zoals hier) zich daartegen niet verzet. [4] Dat het waterperceel ook jarenlang op die manier is gebruikt en dat voor dat gebruik geen vergunning of ontheffing nodig is, maakt dit niet anders. Hierna zal het hof toelichten dat dit bijzonder gebruik door [appellanten] sinds 1 januari 2023 zonder recht of titel plaatsvindt.
Recht of titel
Privaatrechtelijk gebruiksrecht
3.5.
[appellanten] komen in hoger beroep niet op tegen rechtsoverweging 3.7 van het vonnis. Uitgangspunt is daarom dat partijen bij de rechtbank het standpunt hebben ingenomen dat er een gebruiksrecht is dat wordt ontleend aan het publiekrecht op grond van de verleende vergunningen en ontheffingen en dat, voor zover er ook een privaatrechtelijke toestemming nodig is, deze privaatrechtelijke toestemming impliciet uit de vergunningen en ontheffingen volgt. Dat was in het doorgehaalde hoger beroep ook uitdrukkelijk het standpunt van [naam] in de toelichting op haar tweede grief en ook van [appellanten] , nu zij voorop hebben gesteld hun in eerste instantie naar voren gebrachte standpunten te handhaven en hebben verzocht de grieven van [naam] als ingelast en overgenomen te beschouwen. Het hof begrijpt de toelichting op de tweede grief van [appellanten] daarom ook in die zin. Het Waterschap heeft bij de rechtbank gemotiveerd betwist dat sprake is van een gebruiksrecht. Dat standpunt heeft het Waterschap in hoger beroep verlaten. In hoger beroep stelt ook het Waterschap dat er sprake is van een (stilzwijgend) gebruiksrecht in de vorm van een privaatrechtelijke toestemming. Het hof gaat daarvan daarom uit. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep hebben [appellanten] weliswaar het standpunt ingenomen dat er
geenprivaatrechtelijke toestemming is, maar daaraan gaat het hof voorbij, omdat dit standpunt te laat is ingenomen. Daarbij merkt het hof op dat het heeft gezien dat [appellanten] dit standpunt ook al eens tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank hebben ingenomen, maar dat de wisselende stellingen van [appellanten] niet goed met elkaar te verenigen zijn, wat ook verklaart dat de rechtbank deze stellingen in de in rechtsoverweging 3.7 van het vonnis weergegeven zin heeft opgevat. Het hof ziet niet in dat de standpuntwijziging van het Waterschap in hoger beroep - waarmee wordt aangesloten bij het standpunt van [naam] en [appellanten] - in strijd zou zijn met de goede procesorde of algemene beginselen van behoorlijk bestuur, zoals door hen wordt aangevoerd. De herkansingsfunctie van het hoger beroep brengt mee dat ook in het kader van het verweer nieuwe standpunten kunnen worden ingenomen.
3.6.
De rechtsverhouding die met de stilzwijgende privaatrechtelijke toestemming tussen enerzijds [appellanten] en anderzijds de Provincie is ontstaan, kwalificeert naar het oordeel van het hof als bruikleen. De ligplaatsen zijn aan [appellanten] om niet in gebruik gegeven, waarbij de Provincie eigenaar is gebleven en uitgangspunt is dat de ligplaatsen in dezelfde staat worden teruggegeven (art. 7A:1777 BW).
Overgedragen c.q. voortgezette gebruiksrecht
3.7.
[appellanten] komen vervolgens met succes op tegen het oordeel van de rechtbank dat niet of onvoldoende is gesteld dat het gebruiksrecht overdraagbaar was en overgedragen is, waarbij met ‘het gebruiksrecht’ kennelijk is bedoeld de rechtsverhouding waaruit het gebruiksrecht volgt.
3.8.
Ook de rechtsverhouding uit een bruikleenovereenkomst kan worden overgedragen. In dit geval kon de Provincie haar rechtsverhouding tot [appellanten] met hun medewerking overdragen aan het Waterschap bij een tussen haar en het Waterschap opgemaakte akte (art. 6:159 BW Pro). Dat hebben het Waterschap en de Provincie hier naar het oordeel van het hof met de door hen gesloten overeenkomsten ook beoogd, zoals hieronder zal worden toegelicht. De vereiste medewerking kan in elke vorm worden verleend, hetzij vooraf, hetzij achteraf, ook zonder een ‘duidelijke’ verklaring, omdat een verklaring ook in een of meer gedragingen, waaronder een zwijgen, besloten kan liggen (art. 3:37 lid 1 BW Pro). [5] Dat [appellanten] hun medewerking aan de overdracht hebben verleend volgt uit de omstandigheid dat zij zich steeds op het standpunt hebben gesteld dat (de verlening van) het gebruiksrecht op het Waterschap is overgegaan.
3.9.
Het Waterschap heeft een overeenkomst met de Provincie gesloten met het opschrift ‘Overeenkomst tussen de provincie Utrecht en het hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht tot overdracht van het vaarwegbeheer en onderhoud en tot vaststelling van de financiële verplichtingen inzake het achterstallig onderhoud van de Nieuwe Wetering-Oost en de bijbehorende waterstaatswerken.’ Het Waterschap stelt dat deze overeenkomst uitsluitend ziet op de onderwerpen die in dit opschrift worden genoemd. Dat is door [appellanten] gemotiveerd bestreden en vervolgens door het Waterschap onvoldoende onderbouwd. Deze overeenkomst houdt in artikel 4.1 het volgende in:
“Het hoogheemraadschap respecteert de op de datum van overdracht bestaande rechten van derden, zoals vergunninghouders, erfpachters en contractspartijen van de provincie; met dien verstande dat het hoogheemraadschap zich het recht voorbehoudt de situatie met betrekking tot deze rechten in overeenstemming met zijn beleid te brengen.”Zonder een nadere toelichting, die door het Waterschap niet is gegeven, is niet in te zien dat dit artikel niet ook betrekking heeft op het gebruiksrecht van [appellanten] Dat het perceel met de ligplaatsen op dat moment nog niet was overgedragen en in de overeenkomst staat dat een separate overeenkomst zal worden opgesteld met betrekking tot de overdracht van de eigendom, zoals het Waterschap stelt, noopt niet tot de door het Waterschap gestelde uitleg. Het Waterschap heeft zich er jegens de Provincie dus toe verplicht ook de rechten van [appellanten] te respecteren.
3.10.
Vervolgens hebben het Waterschap en de Provincie de koopovereenkomst gesloten. In artikel 3.2 van de koopovereenkomst is het volgende opgenomen:
“Verkoper heeft koper informatie verstrekt over de aan verkoper bekende rechten en plichten. Koper aanvaardt uitdrukkelijk alleen die lasten en beperkingen die voor hem kenbaar zijn uit de openbare registers, dan wel uit de feitelijke situatie.”Het Waterschap was op dat moment bekend, althans had bekend behoren te zijn, met het gebruik van de ligplaatsen door [appellanten] In de context van de feitelijke situatie duidt ook dit artikel erop dat het Waterschap en de Provincie overdracht van deze rechtsverhouding hebben beoogd.
3.11.
Ter onderbouwing van zijn standpunt dat het gebruiksrecht niet is overgedragen, wijst het Waterschap nog op de inhoud van de leveringsakte. Voor het antwoord op de vraag wat geleverd is, is de in de leveringsakte neergelegde omschrijving beslissend. De leveringsakte moet op dit punt naar objectieve maatstaven worden uitgelegd. [6] De ratio daarvoor is gelegen in het voor registergoederen geldende stelsel van publiciteit. Derden moeten kunnen afgaan op wat in een - in de openbare registers ingeschreven - akte is vermeld ter zake van de overdracht van een registergoed of de vestiging van een beperkt recht daarop. Hier gaat het evenwel om een afspraak die alleen een rol speelt in de verhouding tussen de oorspronkelijke partijen (het Waterschap, de Provincie en [appellanten] ) en waarvoor wat de overgang betreft geen naar objectieve maatstaven uit te leggen leveringsakte is vereist. Bij de beantwoording van de vraag wat de inhoud is van de op dat punt gemaakte obligatoire afspraken komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs aan deze afspraken mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten, in het licht van alle omstandigheden van het geval (Haviltex). [7]
3.12.
Het Waterschap wijst erop dat in artikel 2.3 van de leveringsakte is vastgelegd:
“Het verkochte wordt aanvaard in de feitelijke staat, waarin het zich ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst bevond, vrij van huur of ander gebruiksrecht.”In diezelfde leveringsakte staat echter ook in artikel 4.2:
“Het verkochte is evenmin zonder recht of titel in gebruik bij derden.”Beide artikelen zijn opgenomen in de situatie dat het voor het Waterschap en de Provincie bekend was, of bekend had behoren te zijn, dat [appellanten] de ligplaatsen in gebruik hadden, ofwel in weerwil van het bepaalde in artikel 2.3 op grond van een gebruiksrecht, ofwel in weerwil van het bepaalde in artikel 4.2 zonder recht of titel. Duidelijk is dat de leveringsakte daarmee niet juist weergeeft wat de stand van zaken op het moment van het passeren van de akte was. Omdat het Waterschap zelf stelt dat sprake was van een (stilzwijgend) gebruiksrecht in de vorm van een privaatrechtelijke toestemming en omdat het hof uit de hiervoor geciteerde inhoud van de eerdere overeenkomsten concludeert dat het Waterschap en de Provincie dit gebruiksrecht hebben willen overdragen, is het hof van oordeel dat artikel 2.3 van de leveringsakte de partijbedoeling niet juist weergeeft. Met de aanvaarding in de feitelijke staat is in de gegeven omstandigheden ook bedoeld de rechtsverhouding met [appellanten] over te nemen. Ten overvloede overweegt het hof dat, als het gebruiksrecht niet op grond van het voorgaande is overgedragen, het na overdracht van het perceel opnieuw stilzwijgend is overeengekomen tussen het Waterschap als opvolgend eigenaar enerzijds en [naam] en [appellanten] anderzijds. Ter zitting is immers van de kant van het Waterschap bevestigd dat de overdracht geen verandering bracht in de feitelijke situatie (het door het Waterschap toegelaten gebruik van de ligplaatsen om niet).
Opzegging
3.13.
Tegenover de Provincie heeft het Waterschap zich het recht voorbehouden de situatie met betrekking tot de op het moment van overdracht bestaande rechten van derden in overeenstemming met zijn beleid te brengen. Uit het ‘Huur- en precariobeleid woonschepen, vaartuigen en oevervoorzieningen’ (8 april 2004) volgt dat het Waterschap als beleid voert dat aan alle ligplaatshouders in haar beheergebied een standaardhuurovereenkomst wordt aangeboden. In lijn met dat beleid is het Waterschap vanaf 2011 met [appellanten] over het sluiten van een huurovereenkomst in gesprek geweest. Omdat daarover geen overeenstemming kon worden bereikt, heeft het Waterschap het gebruiksrecht op 28 november 2022 tegen 31 december 2022 opgezegd.
3.14.
[appellanten] stellen in hoger beroep dat deze opzegging geen doel treft. Het stond het Waterschap niet vrij tot opzegging over te gaan, omdat de gerechtvaardigde belangen van [appellanten] daaraan in de weg staan. De eisen van redelijkheid en billijkheid brengen mee dat opzegging hooguit mogelijk is als daarvoor een voldoende zwaarwegende grond bestaat en de opzegging gepaard gaat met een aanbod tot (schade)vergoeding. Daaraan ontbreekt het hier. De gehanteerde opzegtermijn is bovendien volstrekt onredelijk. Ook de algemene beginselen van behoorlijk bestuur staan aan de opzegging in de weg, aldus steeds [appellanten]
3.15.
De bruikleenovereenkomst met [appellanten] is een duurovereenkomst die voor onbepaalde tijd is aangegaan. Of en, zo ja, onder welke voorwaarden een dergelijke duurovereenkomst opzegbaar is, wordt bepaald door de inhoud daarvan en door de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen. Als wet en overeenkomst niet voorzien in een regeling van opzegging, geldt dat de overeenkomst in beginsel opzegbaar is. Op grond van art. 6:248 lid 1 BW Pro kunnen de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval meebrengen dat opzegging slechts mogelijk is als daarvoor een voldoende zwaarwegende grond bestaat. Die eisen kunnen voorts in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval meebrengen dat een bepaalde opzegtermijn in acht moet worden genomen of dat de opzegging gepaard moet gaan met het aanbod tot betaling van een (schade)vergoeding. [8] Een bruikleenovereenkomst kan in het algemeen naar zijn aard met inachtneming van een redelijke, aan de omstandigheden aangepaste, termijn worden opgezegd. [9]
3.16.
Opzegbaarheid staat dus voorop. Het hof ziet niet in dat de eisen van redelijkheid en billijkheid hier meebrengen dat opzegging slechts mogelijk is als daarvoor een zwaarwegende grond bestaat. De omstandigheid dat de woonarken al sinds de jaren ‘60 op de ligplaatsen liggen en dat het hier gaat om het woonbelang van [appellanten] zijn daarvoor onvoldoende. Aan dat laatste belang wordt door het Waterschap al tegemoetgekomen doordat een huurovereenkomst wordt aangeboden. Tijdens de mondelinge behandeling is ook bevestigd dat [appellanten] die huurovereenkomst zullen accepteren als de vorderingen van het Waterschap worden toegewezen. Overigens ziet het hof in het gelijktrekken van de rechtsverhouding met betrekking tot de ligplaatsen in het beheergebied via huurovereenkomsten, op grond van sinds 2004 bestaand beleid van het Waterschap, een voldoende zwaarwegende grond om het gebruiksrecht te beëindigen. Waarom opzegging gepaard zou moeten gaan met een aanbod tot (schade)vergoeding wordt door [appellanten] ook niet toegelicht. In ander verband is door [appellanten] wel gesteld dat de woonarken zonder ligplaats bij verkoop veel minder waard zijn, maar als de huurovereenkomst wordt geaccepteerd, doet die situatie zich in beginsel niet voor. In artikel 10 van Pro de huurovereenkomst is bepaald dat de rechten en plichten uit de overeenkomst aan de koper van de woonark mogen worden overgedragen, na voorafgaande toestemming van de verhuurder en onverminderd het bepaalde in art. 7:270b BW (rechterlijke machtiging). Wel moet bij de opzegging een redelijke, aan de omstandigheden aangepaste termijn in acht worden genomen. Naar het oordeel van het hof is de door het Waterschap aangehouden termijn van vier weken in de gegeven omstandigheden redelijk. Het Waterschap was op het moment van opzegging al jaren met [appellanten] in gesprek over het aangaan van een huurovereenkomst. Al die tijd maakten [appellanten] gebruik van de ligplaatsen zonder dat daar een gebruiksvergoeding tegenover stond. Ook sinds de opzegging is er inmiddels al veel tijd verstreken. [appellanten] hebben ruim voldoende mogelijkheid gehad zich voor te bereiden op de gevolgen van een opzegging.
3.17.
[appellanten] hebben niet onderbouwd waarom de algemene beginselen van behoorlijk bestuur aan opzegging in de weg staan. Het hof gaat daarom aan deze stelling voorbij. Op wat zij in ander verband over deze beginselen hebben gesteld, zal hierna onder 3.32 tot en met 3.35 nader worden ingegaan.
Verkrijging door bevrijdende verjaring
3.18.
[appellanten] stellen verder dat zij door verjaring eigenaar zijn geworden van de ligplaatsen. De rechtbank heeft die stelling verworpen. Daartegen komen zij in hoger beroep tevergeefs op. Voor verkrijging door bevrijdende verjaring is bezit een vereiste (art. 3:105 BW Pro). Bezit wordt onder meer verkregen door inbezitneming (art. 3:112 BW Pro). Het gebruik van de ligplaatsen door [appellanten] berustte tot aan de datum waartegen het Waterschap heeft opgezegd op een bruikleenovereenkomst. Daarmee was niet sprake van bezit, maar van houderschap. Een houder kan zichzelf niet zomaar tot bezitter maken (art. 3:111 BW Pro). Van inbezitneming is niet gebleken. Gesteld noch gebleken is dat [appellanten] het recht van eerst de Provincie en later het Waterschap hebben tegengesproken. Omdat niet aan het bezitsvereiste is voldaan, hebben [appellanten] de ligplaatsen niet krachtens verjaring in eigendom verkregen.
Tussenconclusie
3.19.
Het voorgaande betekent dat [appellanten] de ligplaatsen vanaf 1 januari 2023 zonder recht of titel in gebruik hebben.
Verjaring rechtsvordering
3.20.
Het Waterschap wil dat er een einde komt aan dit gebruik zonder recht of titel. De vorderingen van het Waterschap strekken daartoe. [appellanten] stellen dat er sprake is van een vordering tot opheffing van een onrechtmatige toestand die al sinds de jaren ’60 bestaat, zodat de rechtsvordering is verjaard (art. 3:306 jo Pro. 3:314 lid 1 BW). De rechtbank heeft vooropgesteld dat het Waterschap niet heeft betwist dat de verjaring in de jaren ’60 is aangevangen. Omdat er inmiddels meer dan twintig jaren zijn verstreken, is de rechtsvordering tot opheffing van de onrechtmatige toestand volgens de rechtbank verjaard. Het beroep op verjaring is echter in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar, aldus nog steeds de rechtbank. Tegen dat laatste oordeel komen [appellanten] in hoger beroep op. In het midden kan blijven of de daartegen gerichte bezwaren van [appellanten] doel treffen. In hoger beroep heeft het Waterschap wél betwist dat de verjaring in de jaren ’60 is aangevangen. Als de bezwaren tegen het oordeel van de rechtbank terecht zijn, zal het hof dat verweer van het Waterschap moeten beoordelen. Hiervoor is al toegelicht dat [appellanten] de ligplaatsen pas sinds 1 januari 2023 (de datum waartegen is opgezegd) zonder recht of titel gebruiken. De verjaringstermijn is dus niet voltooid. Dat betekent dat het beroep op verjaring van de rechtsvordering hoe dan ook niet slaagt.
Privaatrechtelijk optreden
3.21.
Het Waterschap vordert dat [appellanten] worden veroordeeld het waterperceel te ontruimen als voor de ligplaatsen niet alsnog een huurovereenkomst (inclusief addendum) wordt ondertekend. In hoger beroep herhalen [appellanten] dat het Waterschap geen gebruik mag maken van deze privaatrechtelijke bevoegdheid. Zij stellen dat het Waterschap daarmee de publiekrechtelijke weg - die bestaat in het uitvaardigen van een precariobelastingverordening en het vervolgens heffen van precariobelasting - onaanvaardbaar doorkruist en dat hun positie door het aangaan van een huurovereenkomst zeer onredelijk wordt verzwaard.
3.22.
Het hof stelt in dit verband het volgende voorop. Het gaat hier om de vraag of de overheid, ingeval haar bij een publiekrechtelijke regeling ter behartiging van zekere belangen bepaalde bevoegdheden zijn toegekend, die belangen ook mag behartigen door gebruik te maken van haar in beginsel krachtens het privaatrecht toekomende bevoegdheden, zoals aan het eigendomsrecht ontleende bevoegdheden, de bevoegdheid overeenkomsten naar burgerlijk recht te sluiten of de bevoegdheid een vordering op grond van een jegens haar gepleegde onrechtmatige daad bij de burgerlijke rechter in te stellen. Wanneer de betrokken publiekrechtelijke regeling daarin niet voorziet, is voor de beantwoording van deze vraag beslissend of gebruik van de privaatrechtelijke bevoegdheden die regeling op onaanvaardbare wijze doorkruist. Daarbij moet onder meer worden gelet op inhoud en strekking van de regeling (die mede kan blijken uit haar geschiedenis) en op de wijze waarop en de mate waarin in het kader van die regeling de belangen van de burgers zijn beschermd, een en ander tegen de achtergrond van de overige geschreven en ongeschreven regels van publiekrecht. Van belang is voorts of de overheid door gebruikmaking van de publiekrechtelijke regeling een vergelijkbaar resultaat kan bereiken als door gebruikmaking van de privaatrechtelijke bevoegdheid, omdat, als dat het geval is, dit een belangrijke aanwijzing is dat geen plaats is voor de privaatrechtelijke weg. [10]
Precariobelasting
3.23.
Het Waterschap heeft de bevoegdheid om precariobelasting te heffen voor het hebben van voorwerpen onder, op of boven grond of water van het Waterschap, voor openbare dienst bestemd (art. 114 lid 1 Waterschapswet Pro). Deze bevoegdheid sluit echter niet de mogelijkheid uit om privaatrechtelijke afspraken te maken over dergelijk gebruik, inclusief het bedingen van een vergoeding daarvoor. De mogelijkheid van het heffen van precariobelasting is afhankelijk van de privaatrechtelijke situatie en vervult een vangnetfunctie, zodat het toepassen of aanbieden van een privaatrechtelijke gebruiksregeling uit de aard daarvan geen onaanvaardbare doorkruising van de regeling van de precariobelasting kan opleveren. [11] Tot aan de datum waartegen door het Waterschap is opgezegd was er óók sprake van een (stilzwijgende) privaatrechtelijke afspraak over het gebruik. Het Waterschap mocht deze privaatrechtelijke afspraak opzeggen (zie onder 3.13 tot en met 3.17) en het staat het Waterschap in beginsel vrij de ontruiming van het waterperceel te vorderen als [appellanten] niet willen overgaan tot het sluiten van een huurovereenkomst voor de ligplaatsen. De suggestie van [appellanten] dat vervolgens dubbelop zou worden betaald als een huurovereenkomst wordt aangegaan, omdat er sprake zou zijn van een privaatrechtelijke vergoeding naast precariobelasting, is onjuist. Het Waterschap heeft onweersproken aangevoerd dat er nadrukkelijk voor is gekozen géén precariobelasting te heffen. Het hof sluit zich verder aan bij de overweging van de rechtbank dat het Waterschap voldoende heeft gemotiveerd waarom zij kiest voor de privaatrechtelijke weg en niet voor de publiekrechtelijke, door te verwijzen naar zijn beleid dat inhoudt dat het Waterschap met alle woonarkbewoners die ligplaats hebben in bij hem in eigendom zijnde wateren een huurovereenkomst wil sluiten. In dat beleid is deze keuze uitgebreid toegelicht.
Onredelijke verzwaring
3.24.
[appellanten] stellen verder dat het aanbieden van een huurovereenkomst de publiekrechtelijke regeling op onaanvaardbare wijze doorkruist, omdat de huurovereenkomst hun positie onredelijk verzwaart. Zij wijzen er in dat verband op dat huurovereenkomsten opzegbaar zijn. Daarmee miskennen zij dat zij nu zonder recht of titel op het waterperceel verblijven en dat het huurrecht hun meer rechtszekerheid biedt dan de inmiddels beëindigde bruikleenovereenkomst en een niet nader omlijnd gebruiksrecht in combinatie met het heffen van precariobelasting. Als zij de huurovereenkomst aanvaarden is er sprake van huurbescherming en bij verkoop van de woonark kunnen zij vorderen dat de rechter een machtiging verleent om de koper in hun plaats als huurder te stellen, als het Waterschap daaraan medewerking zou weigeren (art. 7:270b BW). Verder stellen [appellanten] dat de individuele huurovereenkomsten verschillende onjuistheden bevatten. Daaraan gaat het hof voorbij, nu deze stelling vervolgens niet nader is toegelicht. Daarbij merkt het hof op dat de huurovereenkomsten ook zijn voorzien van een addendum waarin correcties en toelichtingen zijn opgenomen. [appellanten] gaan daarnaast nader in op verschillende artikelen uit de door het Waterschap aangeboden huurovereenkomst die volgens hen individueel en in onderlinge samenhang beschouwd onredelijk zijn. Het hof zal deze bepalingen hierna bespreken. Zij zijn noch individueel, noch in onderlinge samenhang beschouwd onredelijk.
Artikel 1: Het Pro gehuurde
3.25.
De huurovereenkomst houdt in dat huurder het gehuurde volledig kent en aanvaardt in de staat waarin het zich bevindt ten tijde van het aangaan van de huurovereenkomst. [appellanten] stellen dat dit bezwaarlijk is omdat daarmee zou worden ingestemd met de aanwezigheid van gebreken in de zin van art. 7:204 BW Pro. Dat is niet het geval. Als [appellanten] een huurovereenkomst met het Waterschap voor de ligplaatsen aangaan, is sprake van huur van woonruimte (art. 7:236a jo. 7:233 BW). Bij huur van woonruimte is de wettelijke definitie van het begrip gebrek van (semi)dwingend recht. Daarvan kan niet ten nadele van de huurder worden afgeweken (art. 7:241 BW Pro). De omstandigheid dat het object met zichtbare of bekende gebreken (tegen een aangepaste huurprijs) is aanvaard, leidt daarom niet tot de conclusie dat niet van een gebrek sprake is (zie ook 3.49 hierna).
Artikel 2: Ingangsdatum Pro en looptijd
3.26.
[appellanten] achten het bezwaarlijk dat de huurovereenkomst ingaat per 1 januari 2023, omdat deze datum in het verleden ligt. Anders dan zij stellen, is er geen regel die belet dat een huurovereenkomst met terugwerkende kracht van kracht wordt. Dat leidt hier ook niet tot een onaanvaardbaar resultaat. Het Waterschap heeft langdurig met [appellanten] over het aangaan van een huurovereenkomst onderhandeld. Zij maken gedurende langere tijd zonder recht of titel gebruik van de ligplaatsen, zonder daarvoor enige vergoeding te betalen. De huurovereenkomst is gelijktijdig met de opzegging op 28 november 2022 aangeboden met deze ingangsdatum.
Artikel 7: Huurprijs Pro
3.27.
In het vierde lid van artikel 7 is Pro bepaald dat ten aanzien van de huurprijs door de huurder geen beroep kan worden gedaan op schuldvergelijking. [appellanten] wijzen erop dat het verrekeningsverbod wordt vermoed onredelijk bezwarend te zijn (art. 6:237 aanhef Pro en onder g BW). Het Waterschap weerspreekt niet dat dit artikel van toepassing is, maar voert aan dat het vermoeden kan worden weerlegd. In dat kader voert het aan dat een omvangrijke en ingewikkelde administratie moet worden gevoerd waarmee een onbeperkte verrekeningsbevoegdheid van de huurders zich niet verhoudt. Dat is door [appellanten] ter gelegenheid van de mondelinge behandeling niet weersproken. Daarnaast wijst het Waterschap op het risico dat ten onrechte of te snel, zonder juridische toetsing, tot verrekening wordt overgegaan. Naar het oordeel van het hof heeft het Waterschap het vermoeden dat het artikel onredelijk bezwarend is daarmee voldoende weerlegd.
Artikel 9: Verbod Pro op onderhuur
3.28.
Op grond van artikel 9 is Pro de huurder niet bevoegd zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van verhuurder het gehuurde geheel of gedeeltelijk onder te verhuren of op enige wijze in gebruik of genot af te staan aan een derde. [appellanten] wijzen erop dat zij eigenaar van de woonarken zijn en deze zonder toestemming moeten kunnen verhuren net als andere woningeigenaren. Het hof stelt voorop dat het artikel aansluit bij het bepaalde in art. 7:244 BW Pro. Het verbod op onderhuur is niet ongebruikelijk, zoals ook de rechtbank heeft overwogen. Het Waterschap heeft daarbij ook een gerechtvaardigd belang. Het wil zicht houden op wie er gebruikmaken van de ligplaatsen en voorkomen dat de ligplaatsen commercieel worden gebruikt. Het artikel verbiedt [appellanten] niet om hun woonark onder te verhuren of op enige wijze in gebruik of genot aan een derde af te staan, met dien verstande dat zij zonder voorafgaande schriftelijke toestemming niet de gehuurde ligplaats in de overeenkomst met een derde mogen betrekken. Overigens heeft het Waterschap ter zitting bevestigd dat in beginsel toestemming wordt verleend als daar om gevraagd wordt en dat het verbod vooral ertoe strekt om te voorkomen dat de ligplaatsen op grote schaal commercieel geëxploiteerd worden. Dat is naar het oordeel van het hof niet onredelijk bezwarend.
Artikel 10: Indeplaatsstelling Pro
3.29.
In artikel 10 is Pro bepaald dat huurder en zijn rechtsverkrijgenden de rechten en plichten uit deze overeenkomst mogen overdragen aan de koper van het woonschip, na voorafgaande schriftelijke toestemming van verhuurder, onverminderd het bepaalde in art. 7:270b BW. Op grond van het vierde lid van dit artikel kan de verhuurder zijn schriftelijke toestemming onder meer weigeren als de koper geen publiekrechtelijke vergunning voor het gehuurde heeft gekregen. Ook dit artikel is niet onredelijk bezwarend. Op dit moment zijn de ligplaatsen vergunningsvrij. Anders dan [appellanten] menen, betekent dit niet dat niet aan de voorwaarde kan worden voldaan zodat nooit indeplaatsstelling kan plaatsvinden. Het betekent dat de voorwaarde op dit moment niet van toepassing is. Als de ligplaatsen in de toekomst vergunningplichtig worden is het een vanzelfsprekende voorwaarde dat de koper over een vergunning moet kunnen beschikken om van de ligplaats gebruik te kunnen maken. Het hof ziet niet in dat [appellanten] daarmee aan ‘de grillen’ van het Waterschap zijn overgeleverd, zoals zij stellen.
Artikel 15: Voorzieningen Pro
3.30.
Artikel 15 bepaalt Pro dat alle voorzieningen aan of ten behoeve van (het gebruik van) de ligplaats, al dan niet wettelijk verplicht, voor rekening en risico van huurder komen. Door verhuurder worden geen zaken en diensten geleverd ten aanzien van het gehuurde. Ook dit is geen bezwaarlijke bepaling. Het Waterschap heeft toegelicht dat met dit artikel duidelijk wordt gemaakt dat door haar geen verdere zaken en diensten worden geleverd. Met dit artikel is niet bedoeld af te wijken van de wettelijke verdeling van rechten en plichten tussen de huurder en verhuurder.
Tussenconclusie
3.31.
Het voorgaande brengt ook het hof tot de conclusie dat het aanbieden of toepassen van de huurovereenkomst (met addendum) geen onaanvaardbare doorkruising van de publiekrechtelijke regeling en ook overigens geen onredelijke verzwaring oplevert.
Algemene beginselen van behoorlijk bestuur
3.32.
Bij het gebruik van zijn privaatrechtelijke bevoegdheden mag het Waterschap niet in strijd handelen met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (art. 3:14 BW Pro). Het hof sluit zich aan bij het oordeel van de rechtbank dat door het Waterschap geen algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn geschonden. [appellanten] hebben in hoger beroep geen nieuwe argumenten aangedragen voor hun stelling dat het zorgvuldigheidsbeginsel en het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel zijn geschonden en dat het Waterschap misbruik van zijn bevoegdheid maakt.
3.33.
Dat het Waterschap het zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden, is door [appellanten] onvoldoende onderbouwd. Wat zij in dat verband (met name bij de rechtbank) hebben gesteld, scharniert rond drie omstandigheden waarvan zij stellen hinder en schade te ondervinden (golfslag en zuiging, (on)diepte van de ligplaatsen en staat van de beschoeiing).
Daarbij hinken [appellanten] op twee gedachten. Enerzijds achten zij het onzorgvuldig dat in de gegeven omstandigheden een huurovereenkomst wordt aangeboden en verwijten zij het Waterschap dat het naar de bedoelde omstandigheden onvoldoende onderzoek heeft gedaan. Anderzijds achten zij het onzorgvuldig dat het Waterschap ontruiming vordert zonder onderzoek te doen naar de gevolgen die dat voor hen zou hebben. Kennelijk willen zij niet weg van de ligplaats, ondanks de door hen bedoelde omstandigheden. Dat het Waterschap onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de gestelde hinder en schade veroorzakende omstandigheden, is door [appellanten] niet nader toegelicht. Uit de processtukken volgt dat de golfslag en zuiging een aanhoudend onderwerp van gesprek zijn geweest, met onder meer als resultaat dat het Waterschap in de wintermaanden schotten heeft geplaatst en een huurkorting heeft aangeboden, en verder dat bij meetrondes is geconstateerd dat baggeren niet nodig is en dat de staat van de beschoeiing is geïnspecteerd. Maar ook als het Waterschap dit alles niet zou hebben onderzocht, maakt dat het aanbieden van een huurovereenkomst (met huurkorting wegens de ondervonden hinder door de golfslag en zuiging) niet onzorgvuldig. Als de bedoelde omstandigheden een gebrek in de zin van art. 7:204 BW Pro zijn, is het Waterschap daarvoor aansprakelijk en gehouden dit te verhelpen. Op de vraag of dat het geval is, zal hierna onder 3.48 tot en met 3.57 nader worden ingegaan. Dat het Waterschap ontruiming vordert zonder onderzoek te hebben gedaan naar de gevolgen voor [appellanten] is evenmin onzorgvuldig, nu de vordering tot ontruiming vergezeld gaat van het aanbod tot het aangaan van een huurovereenkomst.
3.34.
Ook het beroep van [appellanten] op het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel gaat niet op. Het hof onderschrijft de overweging dat uit de omstandigheid dat de woonarken al tientallen jaren probleemloos aanwezig zijn en daarvoor geen vergoeding is bedongen, niet volgt dat het Waterschap deze situatie moet voortzetten en nimmer een vergoeding kan vragen voor het gebruik van zijn eigendom. Dat mochten [appellanten] ook niet verwachten. Het Waterschap heeft [appellanten] tijdig geïnformeerd over de voorgenomen wijziging. Het Waterschap is al vanaf 2011 met [appellanten] over het sluiten van een huurovereenkomst in gesprek. [appellanten] stellen verder dat met de brief van de Provincie van 30 juni 2011 - die door [naam] als productie 1 bij conclusie van antwoord in het geding is gebracht - het vertrouwen is gewekt dat zij de ligplaats (ook in de toekomst) mochten innemen en dat de inhoud daarvan gezien de nauwe band met de Provincie ook aan het Waterschap moet worden toegerekend. Dat de inhoud van de brief van de Provincie aan het Waterschap is toe te rekenen, is onvoldoende toegelicht en ziet het hof ook niet in. Daarbij komt dat mogelijk door [appellanten] aan de inhoud van deze brief ontleend vertrouwen over (toekomstig) gebruik van de ligplaats niet gerechtvaardigd is. De brief is door de Provincie geschreven in 2011, toen zij niet langer eigenaar was van het waterperceel, en heeft betrekking op de ‘Landschapsverordening provincie Utrecht 2011’. Hij bevat de mededeling dat het afmeren van het woonschip voldoet aan de vrijstelling van deze verordening. De brief houdt geen mededelingen in over en wekt geen vertrouwen van privaatrechtelijke toestemming voor het (toekomstig) gebruik.
3.35.
[appellanten] stellen in dit verband tot slot dat het Waterschap misbruik van recht maakt, omdat het geen bezwaar heeft tegen de aanwezigheid van de woonarken: de gevorderde ontruiming dient er alleen toe aanvaarding van een huurovereenkomst af te dwingen. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat het Waterschap geen misbruik van haar eigendomsbevoegdheid maakt door ontruiming te vorderen onder aanbieding van een huurovereenkomst. Het Waterschap gebruikt deze bevoegdheid met het doel waarvoor zij is bedoeld. Als eigenaar van het waterperceel hoeft het Waterschap niet te dulden dat een ander daarvan zonder recht of titel gebruik maakt en kan het voor dat gebruik een vergoeding vragen middels een huurovereenkomst. Dat is ook in overeenstemming met zijn al eerder genoemde ‘Huur- en precariobeleid woonschepen, vaartuigen en oevervoorzieningen’. In het verlengde hiervan faalt ook het verwijt dat het Waterschap niet meewerkt aan overdracht tenzij er een huurovereenkomst wordt getekend.
Afstand van recht en rechtsverwerking
3.36.
Ook in hoger beroep hebben [appellanten] onvoldoende gesteld ter onderbouwing van hun beroep op afstand van het recht of verwerking van het recht om ontruiming te vorderen. Het hof verwijst naar wat de rechtbank daarover heeft overwogen in het bestreden vonnis onder 3.55, sluit zich daarbij aan en neemt deze overweging over. In hoger beroep stellen [appellanten] nog dat met de brief van de Provincie van 30 juni 2011 - die door [naam] als productie 1 bij conclusie van antwoord in het geding is gebracht - het vertrouwen is gewekt dat zij de ligplaats (ook in de toekomst) mochten innemen en dat de inhoud daarvan gezien de nauwe band met de Provincie ook aan het Waterschap moet worden toegerekend. Hiervoor onder 3.34 is al toegelicht waarom [appellanten] daarin niet kunnen worden gevolgd.
Ontruiming
3.37.
De rechtbank heeft [appellanten] veroordeeld om binnen vier weken na betekening tot ontruiming van het waterperceel over te gaan (onder 4.1). Aan die veroordeling heeft de rechtbank ten aanzien van ieder van hen een dwangsom verbonden voor iedere dag of gedeelte daarvan dat niet aan de veroordeling tot ontruiming wordt voldaan
“indien en voor zover de desbetreffende gedaagde niet alsnog binnen deze termijn de aan hen aangeboden huurovereenkomst (inclusief addendum)(…)
ondertekent”(onder 4.2). In deze formulering heeft de dwangsom een voorwaardelijk karakter, maar de veroordeling tot ontruiming niet. Dat sluit niet aan bij de vordering van het Waterschap, waarin binnen vier weken na betekening ontruiming wordt gevorderd als niet binnen deze termijn een huurovereenkomst wordt ondertekend. Alle partijen lijken te veronderstellen dat de rechtbank dit heeft bedoeld te oordelen. Daarvan gaat het hof ook uit. Het dictum moet worden uitgelegd in het licht van de overwegingen waarop het berust. [12] Uit in het bijzonder de overweging over de uitvoerbaarheid bij voorraad maakt het hof op dat ontruiming volgens de rechtbank niet aan de orde is als tijdig een huurovereenkomst wordt getekend.
3.38.
Tijdens de mondelinge behandeling is duidelijk geworden dat er op verschillende woonarken (minderjarige) kinderen wonen. Daarmee is ontruiming een maatregel betreffende kinderen in de zin van art. 3 lid 1 van Pro het Verdrag inzake de Rechten van het Kind,
Trb.1990/170 (hierna: IVRK) en moet aan de belangen van de kinderen in kwestie bijzonder gewicht worden toegekend. De kinderen worden door ontruiming rechtstreeks getroffen en hun recht op huisvesting is in het geding (art. 27 lid 3 IVRK Pro). [13] Het hof is van oordeel dat die belangen hier voldoende gewaarborgd zijn. De aangeboden huurovereenkomst is een redelijk alternatief voor de bestaande situatie en het huurrechtregime leidt tot een hogere mate van bescherming dan de bestaande (geen recht of titel) en de beëindigde situatie (bruikleen). [appellanten] hebben op de mondelinge behandeling bevestigd dat zij, als de vorderingen van het Waterschap worden toegewezen, ook daadwerkelijk tot het tekenen van een huurovereenkomst zullen overgaan. Er is voor de (minderjarige) kinderen dus geen sprake van dreigende dakloosheid. Van schending van het woonrecht van [appellanten] is ook geen sprake. Omdat [appellanten] te kennen hebben gegeven een huurovereenkomst te zullen ondertekenen, ziet het hof voorts niet in dat een termijn tot ontruiming van vier weken na betekening te kort zou zijn, zoals zij stellen. Volledigheidshalve merkt het hof op dat, als het Waterschap tot ontruiming zou overgaan zonder een huurovereenkomst aan te bieden aan [appellanten] , dit wel een schending van het woonrecht kan opleveren.
Dwangsommen
3.39.
[appellanten] hebben verzocht de beslissing om de veroordeling met een dwangsom te versterken in hoger beroep te vernietigen of de dwangsom in ieder geval op een lager bedrag te bepalen. Daartoe ziet het hof geen aanleiding. Dat het Waterschap de beslissing ook zonder dwangsom ten uitvoer kan leggen, is geen reden om van het bepalen van een dwangsom af te zien. Gelet op de langlopende discussie tussen partijen, het onderhavig verzoek van [appellanten] ter zake de dwangsom en het verzoek de beslissing ook in hoger beroep niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, kan het hof begrijpen dat het Waterschap daaraan behoefte heeft. De vastgestelde dwangsom geeft een prikkel om aan de beslissing gevolg te geven.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
3.40.
De rechtbank heeft haar beslissing op verzoek van [appellanten] niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Volgens de rechtbank wegen hun belangen zwaarder dan het belang van het Waterschap om de beslissing ten uitvoer te kunnen leggen. Daarbij heeft de rechtbank meegewogen dat ontruiming veel kosten meebrengt en dat het onzeker is of een ontruiming kan worden teruggedraaid en dat het tekenen van een huurovereenkomst onzekerheid meebrengt over de status van deze overeenkomst bij succesvol hoger beroep.
3.41.
In hoger beroep hebben [appellanten] verzocht een voor hen nadelig arrest niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Zolang de Hoge Raad zich niet heeft uitgelaten over de onderhavige kwestie, kan niet worden gevergd dat uitvoering wordt gegeven aan een veroordeling tot ontruiming, aldus [appellanten] Het Waterschap heeft in hoger beroep verzocht de beslissing in hoger beroep alsnog uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Het hof begrijpt dat het Waterschap daarmee heeft bedoeld te grieven tegen het vonnis van de rechtbank, omdat toewijzing meebrengt dat het dictum van de rechtbank moet worden veranderd. Dat is tijdig gebeurd en voor [appellanten] ook voldoende kenbaar geweest. [14] Met de toelichting op hun standpunt dat een voor hen nadelig arrest niet uitvoerbaar bij voorraad moet worden verklaard en de bespreking ter gelegenheid van de mondelinge behandeling, hebben [appellanten] daarop afdoende kunnen reageren en ook daadwerkelijk gereageerd.
3.42.
Het komt in dit verband aan op een afweging van de belangen van partijen in het licht van de omstandigheden van het geval. Daarbij stelt het hof voorop dat de mogelijke ingrijpende gevolgen van toewijzing van de vordering tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad, die later moeilijk ongedaan kunnen worden gemaakt, op zichzelf niet in de weg staan aan toewijzing, maar dat zij wel moeten worden meegewogen. [15]
3.43.
Duidelijk is inmiddels dat de door de rechtbank in de afweging in aanmerking genomen situatie dat de woonarken worden verwijderd en dit mogelijk later moet worden teruggedraaid zich niet zal voordoen. [appellanten] stellen zelf dat zij de huurovereenkomst zullen ondertekenen als de vorderingen van het Waterschap worden toegewezen. Wel is er nog steeds onzekerheid over de status van een ondertekende huurovereenkomst na een succesvol cassatieberoep. Tegenover die onzekerheid staat dat [appellanten] inmiddels al langdurig zonder recht of titel gebruik maken van de ligplaatsen zonder daarvoor een vergoeding te betalen, terwijl andere woonarkbewoners in de Nieuwe Wetering-Oost (en op andere waterpercelen van het Waterschap) wel een huurovereenkomst met het Waterschap zijn aangegaan en voor het gebruik van hun ligplaats een vergoeding betalen. Het belang van het Waterschap om een einde te maken aan de inbreuk op zijn eigendomsrecht en de positie van [appellanten] gelijk te trekken met die van andere woonarkbewoners weegt hier naar het oordeel van het hof zwaarder dan het belang van [appellanten] om geen onzekerheid te hebben over de status van de huurovereenkomst na een eventuele vernietiging van de onderhavige beslissing. De beslissing in hoger beroep zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.
Conclusie over de vorderingen in conventie
3.44.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de beslissing in conventie moet worden bekrachtigd. Daarbij verstaat het hof dat de veroordeling tot ontruiming onder 4.1 ook is uitgesproken onder voorwaarde dat niet alsnog binnen vier weken na betekening van de beslissing de aan [appellanten] aangeboden huurovereenkomst (inclusief addendum), zoals overgelegd als producties 11 en 15, door hen wordt ondertekend. De beslissing in het vonnis onder 4.1 (voorwaardelijke veroordeling tot ontruiming) en onder 4.2 (voorwaardelijke dwangsomveroordeling) zullen uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.
II. Vorderingen in reconventie
Schade en hinder toebrengende omstandigheden of gebreken
3.45.
[appellanten] stellen schade en hinder te ondervinden van (i) golfslag en zuiging die in de Nieuwe Wetering-Oost worden veroorzaakt door scheepvaartverkeer in het Amsterdam- Rijnkanaal, (ii) de ondiepte van het water naast en onder de woonarken door de aanwezigheid van te veel (vervuild) slib, ofwel de te geringe vrijgehouden ruimte onder de woonarken en (iii) de verrotte palen van de beschoeiing en de slechte staat van de kade.
Onrechtmatigheid
3.46.
[appellanten] vorderen dat het Waterschap wordt veroordeeld de golfslag en zuiging te verhelpen door het plaatsen van schotten gedurende het hele jaar en tot het baggeren onder de woonarken, zodanig dat er tussen de bodem en de woonarken minstens 50 cm vrij water ontstaat. Aan deze vorderingen leggen zij ten grondslag dat het Waterschap jegens hen onrechtmatig handelt door deze omstandigheden te laten voortduren.
3.47.
Uitgangspunt bij de beoordeling van deze vorderingen is dat [appellanten] zonder recht of titel gebruik maken van de ligplaatsen. De rechtbank heeft vooropgesteld dat een eigenaar in beginsel niet onrechtmatig kan handelen jegens iemand die zonder recht of titel van haar perceel gebruik maakt, tenzij sprake is van handelen in strijd met een wettelijke plicht of dat wat volgens het ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Verder is het hof het met [appellanten] eens dat van onrechtmatigheid óók sprake kan zijn als sprake is van een
nalatenin strijd met een wettelijke plicht of met dat wat volgens het ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Het hof begrijpt dat [appellanten] het standpunt innemen dat die situatie zich hier voordoet. Het ligt dan wel op de weg van [appellanten] om te stellen en te onderbouwen waarom en in welke opzichten het nalaten van het Waterschap een aan het Waterschap toerekenbare onrechtmatige daad oplevert. Dat hebben zij niet gedaan. Dat het Waterschap mogelijk tot het treffen van maatregelen in staat is, zoals zij stellen, is daartoe onvoldoende. Alleen al daarom kunnen deze vorderingen ook in hoger beroep niet (op deze grondslag) worden toegewezen.
Gebreken
3.48.
[appellanten] stellen daarnaast dat de drie genoemde omstandigheden elk kwalificeren als een gebrek in de zin van art. 7:204 BW Pro. Indien de vorderingen van het Waterschap worden toegewezen, en [appellanten] genoodzaakt zijn een huurovereenkomst te ondertekenen, vorderen [appellanten] ook voor die situatie dat het Waterschap wordt veroordeeld de golfslag en zuiging te verhelpen door het plaatsen van schotten gedurende het hele jaar en tot het baggeren onder de woonarken, zodanig dat er tussen de bodem en de woonarken minstens 50 cm vrij water ontstaat.
3.49.
Van een gebrek is sprake als de zaak aan de huurder niet het genot kan verschaffen dat een huurder bij het aangaan van de overeenkomst mag verwachten van een goed onderhouden zaak van de soort als waarop de overeenkomst betrekking heeft (art. 7:204 lid 2 BW Pro). Of van een gebrek sprake is, wordt objectief bepaald. Het is niet van belang wat de concrete huurder van de concrete zaak mocht verwachten. Dat betekent dat ook omstandigheden die bekend of kenbaar waren bij aanvang van de huur een gebrek kunnen zijn. Een feitelijke stoornis door derden zonder bewering van recht, is geen gebrek in deze zin (art. 7:204 lid 3 BW Pro). Daarbij kan worden gedacht aan bijvoorbeeld verkeershinder of geluidsoverlast van buren, voor zover die niet op gebreken van de gehuurde zaak of nalatigheid van de verhuurder is terug te voeren. De wettelijke definitie van het begrip gebrek is bij huur van woonruimte van (semi)dwingend recht. Bij woonruimte kan daarvan niet ten nadele van de huurder worden afgeweken (vgl. art. 7:240-7:242 BW). De omstandigheid dat het object met zichtbare gebreken tegen een aangepaste huurprijs is aanvaard, leidt daarom bij woonruimte niet zonder meer tot de conclusie dat niet van een gebrek sprake is. Als [appellanten] een huurovereenkomst met het Waterschap voor de ligplaatsen aangaan, is sprake van huur van woonruimte (art. 7:236a jo 7:233 BW).
(i) golfslag en zuiging
3.50.
Het staat niet ter discussie dat [appellanten] hinder ondervinden van de golfslag en zuiging, die worden veroorzaakt door het scheepvaartverkeer in het Amsterdam-Rijnkanaal. Het Waterschap is daarvan niet de veroorzaker. Ook draagt het geen verantwoordelijkheid voor (het scheepvaartverkeer in) het Amsterdam-Rijnkanaal. De Staat is eigenaar van (de grond onder) het water in het Amsterdam-Rijnkanaal en Rijkswaterstaat is verantwoordelijk voor de scheepvaart en de veiligheid daarop. Daarnaast is het de Provincie die beslist over de doorvaarbaarheid van het landelijk netwerk recreatievaart, waarvan de Nieuwe Wetering-Oost deel uitmaakt.
3.51.
De golfslag en zuiging hebben daarmee de kenmerken van een feitelijke stoornis door derden, zoals het Waterschap aanvoert. Uitgangspunt is dat de verhuurder de huurder daarvoor niet hoeft te vrijwaren. Dat kan onder omstandigheden anders zijn als de verhuurder (ook in andere hoedanigheid dan die van verhuurder) in een positie verkeert waarin hij, veel beter dan de huurder, in staat is om de oorzaak van de stoornis aan te pakken. [16] Het gebrek ontstaat in dat geval niet door de enkele stoornis in het huurgenot, maar pas als de verhuurder daartegen moet optreden en dit nalaat. Naar het oordeel van het hof doet die situatie zich hier voor. Het Waterschap is, net als de Staat en de Provincie, een openbaar lichaam, waarvan verwacht mag worden dat zij besluitvorming onderling afstemmen. Daarnaast is het Waterschap samenwerkingspartner van Rijkswaterstaat. In die positie is het Waterschap, veel beter dan [appellanten] , in staat invloed uit te oefenen op de hier bedoelde omstandigheid. Het is de keuze van het Waterschap om de ligplaatsen te verhuren in de situatie dat sprake is van golfslag en zuiging. De huurder van een ligplaats mag niet verwachten dat hij van elke vorm van golfslag of zuiging wordt gevrijwaard. De huurder van een ligplaats mag wél verwachten dat hij daarvan op een veilige en duurzame manier gebruik kan maken. In dit geval hebben zich onveilige situaties voorgedaan als gevolg van de golfslag en zuiging door het scheepvaartverkeer in het Amsterdam-Rijnkanaal. Uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij de rechtbank volgt dat er in 2024 door de golfslag bij [naam] een staalkabel is losgetrokken en een gasleiding is kapotgetrokken. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is toegelicht dat ook in september 2025 een woonark door de golfslag is losgeslagen (‘stuurloos’ en ‘op drift’). Mede tegen de achtergrond van het eerdere incident is hiermee voldoende onderbouwd dat de golfslag en zuiging een veiligheidsrisico voor de bewoners van de woonarken kunnen opleveren. Van het Waterschap mag op grond van de huurovereenkomst worden verlangd dat het zich inspant om dergelijke stoornissen - golfslag en zuiging met een veiligheidsrisico voor [appellanten] - te voorkomen. Als het Waterschap dat nalaat, draagt het bij aan (het in stand laten van) de feitelijke stoornis en is sprake van een gebrek. Dat het Waterschap een korting van 50% op de huursom geeft in verband met de golfslag en zuiging, doet daaraan niet af.
(ii) de ondiepte
3.52.
[appellanten] stellen verder dat de ondiepte van het water naast en onder de woonarken door de aanwezigheid van te veel (vervuild) slib een gebrek vormt.
3.53.
Voor zover de stellingen van [appellanten] betrekking hebben op de vaarweg (naast de woonarken) is dat al niet het geval omdat de vaarweg niet de gehuurde zaak is. In zoverre is niet van belang of de vaarweg eens in de 30 tot 50 jaar moet worden gebaggerd, zoals het Waterschap aanvoert, of eens in de 10 jaar, zoals [appellanten] stellen. Denkbaar is dat ondiepte van de vaarweg ook kan bijdragen aan de hiervoor bedoelde onveilige situaties als gevolg van golfslag en zuiging, maar dat is door [appellanten] niet gesteld, laat staan onderbouwd. Ten overvloede overweegt het hof dat de stelling dat de vaarweg eens in de 10 jaar moet worden gebaggerd, onvoldoende is onderbouwd. Ook is niet gebleken dat de vaarweg op dit moment niet voldoende op diepte is. Uit meetrondes uit 2013 en 2018/2019 volgt dat baggeren op dat moment niet nodig was en op korte termijn ook niet nodig is. Er zijn geen aanwijzingen dat dit nu anders is.
3.54.
Als het gaat om ondiepte van het water onder de woonarken, heeft het Waterschap ook in hoger beroep onbetwist toegelicht dat gerechtigden van een ligplaats op grond van de van toepassing zijnde publiekrechtelijke regelingen gehouden zijn daaronder zelf een ruimte van 30 cm vrij te houden, uitgaande van het gehandhaafde waterpeil. Dit volgde tot aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet uit artikel 3.4 van de vigerende Keur in samenhang met bijlage II bij het Keurbesluit. Inmiddels is de Keur en dit Keurbesluit vervangen door de Waterschapsverordening Amstel, Gooi en Vecht (art. 2.36 jo. 3.25 lid 2 aanhef en onder b), de Onderhoudskeur Waterschap Amstel, Gooi en Vecht (art. 1.8 lid 1 en 2) en het Onderhoudsbesluit Waterschap Amstel, Gooi en Vecht (bijlage II, onder 1.1), waaruit hetzelfde volgt. Het gaat daarbij om gewoon onderhoud. In een overeenkomst met het Waterschap kan een ander als onderhoudsplichtige voor dit gewoon onderhoud worden aangewezen. Daarvoor heeft het Waterschap in de aan [appellanten] aangeboden huurovereenkomst (inclusief addendum) niet gekozen. In artikel 11 van Pro de huurovereenkomst is, voor zover hier van belang, opgenomen dat de huurder zich verbindt tot het onderhoud van het gehuurde op een zodanige wijze dat het gehuurde geschikt is en blijft voor het beoogde gebruik. In het addendum is onder meer als toelichting op dit artikel opgenomen dat onder dit onderhoud de verplichtingen vallen die op huurder als gerechtigde rusten vanuit publiekrechtelijke regelgeving, zoals de Keur en het Keurbesluit, waarbij het vrijhouden van een ruimte onder de woonark specifiek wordt genoemd.
3.55.
De keuze om een huurovereenkomst met [appellanten] aan te gaan, brengt mee dat het Waterschap zich heeft te houden aan de (semi)dwingende bepalingen van het huurrecht. Bij huur van woonruimte is art. 7:217 BW Pro een dergelijke (semi)dwingende bepaling waarvan niet ten nadele van de huurder kan worden afgeweken (art. 7:242 lid 1 BW Pro). Op grond van dit artikel is de huurder verplicht op eigen kosten kleine herstellingen te verrichten, tenzij deze nodig zijn door het tekortschieten van de verhuurder in de nakoming van zijn verplichting tot het verhelpen van gebreken. Andere dan kleine herstellingen kunnen niet ten laste van de huurder worden gebracht. In het Besluit kleine herstellingen is (niet limitatief) opgenomen welke werkzaamheden in ieder geval als kleine herstellingen worden aangemerkt. [appellanten] wijzen erop dat baggeren of het op diepte houden van een ligplaats daarin niet is opgenomen en stellen dat dit behoort tot het door het Waterschap als verhuurder te verrichten onderhoud.
3.56.
Het hof laat in het midden of baggeren of het op diepte houden van een ligplaats een kleine herstelling is of behoort tot het door de verhuurder van een ligplaats te verrichten onderhoud. Ook in dit verband is namelijk relevant dat de effecten van het nalaten op te treden tegen de golfslag en zuiging die neerkomen op een veiligheidsrisico door het Waterschap moeten worden weggenomen. [appellanten] hebben voldoende onderbouwd dat de golfslag en zuiging als gevolg van het scheepvaartverkeer op het Amsterdam-Rijnkanaal bijdragen aan de aanvoer van slib onder de woonarken. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof is duidelijk geworden dat daardoor de deining toeneemt en dat woonarken met hun bodem op de sliblaag dreigen te slaan. Dit levert een reëel risico op van een gevaarlijke situatie en het Waterschap dient zich ook in te spannen om dat veiligheidsrisico in te dammen. Het ophopen van de sliblaag betreft daarbij een collectief probleem dat zich specifiek bij de onderhavige woonarken in deze mate voordoet (elders in het beheergebied is immers niet zoveel golfslag en zuiging). Baggeren onder de woonarken ligt hier door de effecten van golfslag en zuiging met een veiligheidsrisico, waartegen het Waterschap dient op te treden, zozeer in het verlengde daarvan dat het voor rekening van het Waterschap komt. Artikel 11 van Pro de huurovereenkomst (inclusief addendum) is hier in zoverre een bepaling zonder betekenis.
3.57.
Onder de voorwaarde dat tussen het Waterschap en [appellanten] een huurovereenkomst zal worden gesloten met betrekking tot (de grond onder) het water onder de woonarken van [appellanten] , zal het hof het Waterschap veroordelen de grond onder deze woonarken uit te baggeren, zodanig dat een ruimte van 30 cm onder de woonarken wordt vrijgehouden, uitgaande van het gehandhaafde waterpeil. Het hof gaat er daarbij vanuit dat met de 30 cm norm uit de publiekrechtelijke regelgeving de veiligheid in beginsel voldoende wordt gediend. De noodzaak van het aanhouden van een ruimte van 50 cm, zoals [appellanten] vorderen, is onvoldoende onderbouwd. [appellanten] hebben gevraagd voor nakoming aan deze veroordeling een termijn van een maand na betekening van deze beslissing aan te houden. Het Waterschap heeft niet aangevoerd dat deze termijn te kort is. Deze termijn komt het hof ook niet onrealistisch voor, zodat het hof daarvan zal uitgaan, met dien verstande dat de termijn aanvangt met het ondertekenen van de huurovereenkomst. Het hof gaat ervan uit dat het Waterschap, als publiekrechtelijk lichaam, aan deze veroordeling zal voldoen en ziet geen aanleiding de beslissing met een dwangsom te versterken. Deze veroordeling geldt naast de verplichting van het Waterschap zich in te spannen om de feitelijke stoornis van het huurgenot door de golfslag en zuiging die door het scheepvaartverkeer in het Amsterdam-Rijnkanaal in de Nieuwe Wetering Oost te [plaats] wordt veroorzaakt, te voorkomen, voor zover deze golfslag en zuiging een veiligheidsrisico voor de bewoners vormt.
(iii) staat van de beschoeiing
3.58.
De stelling van [appellanten] dat ook de slechte staat van de beschoeiing een gebrek is, strandt al daarop dat de beschoeiing geen onderdeel uitmaakt van het aangebodene, zoals ook de rechtbank heeft overwogen. Niet in geschil is dat op het Waterschap een publiekrechtelijke taak rust om de beschoeiing te onderhouden met het oog op een deugdelijke waterkering en deugdelijke waterhuishouding. Ten overvloede merkt het hof op dat ook in hoger beroep onvoldoende is onderbouwd dat de staat van de beschoeiing dusdanig is dat daarop in verband met deze publiekrechtelijke taak actie moet worden ondernomen of dat er in privaatrechtelijke zin sprake is van een belemmering om veilig gebruik te kunnen maken van de ligplaatsen.
Herstel van het gebrek of verklaring voor recht
3.59.
De verhuurder is verplicht op verlangen van de huurder gebreken te verhelpen, tenzij dit onmogelijk is of uitgaven vereist die in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs niet van de verhuurder zijn te vergen (art. 7:206 lid 1 BW Pro). [appellanten] hebben gevorderd dat het Waterschap wordt veroordeeld de door hen gestelde gebreken te verhelpen. Toegespitst op de golfslag en zuiging heeft het hof daartoe onvoldoende concrete aanknopingspunten. Het hof heeft geen inzicht in de uitgaven die dat vereist en wat in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs van het Waterschap kan worden gevergd. Hiervoor is toegelicht dat alleen van een gebrek sprake is voor zover het Waterschap zich onvoldoende inspant om de feitelijke stoornis van het huurgenot door golfslag en zuiging met een veiligheidsrisico voor [appellanten] te voorkomen. Dat zal het hof opnemen in een verklaring voor recht, nu [appellanten] daarbij een voldoende belang hebben.
3.60.
[appellanten] hebben niet een dergelijke verklaring voor recht gevorderd. Het hof beschouwt een verklaring voor recht met de hiervoor bedoelde inhoud evenwel als het mindere van de door [appellanten] gevorderde veroordeling van het Waterschap tot het verhelpen van de gestelde gebreken. Zij kan daarom worden toegewezen.
Conclusie over de vorderingen in reconventie
3.61.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de beslissing in reconventie moet worden vernietigd. Voor recht zal worden verklaard dat - als tussen het Waterschap en [appellanten] een huurovereenkomst zal worden gesloten met betrekking tot (de grond onder) het water onder de woonarken van [appellanten] - van het Waterschap mag worden verlangd dat het zich inspant om de feitelijke stoornis van het huurgenot door de golfslag en zuiging die door het scheepvaartverkeer in het Amsterdam-Rijnkanaal in de Nieuwe Wetering Oost te [plaats] wordt veroorzaakt voorkomt voor zover deze golfslag en zuiging een veiligheidsrisico vormt en dat sprake is van een gebrek als het Waterschap nalaat zich daartoe in te spannen. Onder voorwaarde dat tussen het Waterschap en [appellanten] een huurovereenkomst zal worden gesloten met betrekking tot (de grond onder) het water onder de woonarken van [appellanten] , zal het Waterschap ook worden veroordeeld de grond onder de woonarken van [appellanten] binnen een maand na ondertekening van de huurovereenkomst uit te baggeren, zodat een ruimte van 30 cm onder de woonarken wordt vrijgehouden, uitgaande van het gehandhaafde waterpeil.
3.62.
Omdat het Waterschap ten aanzien van de beslissing in reconventie alsnog deels in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof het Waterschap veroordelen tot betaling van de proceskosten bij de rechtbank. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak.
Bewijs
3.63.
Partijen hebben geen feiten of omstandigheden te bewijzen aangeboden die, indien bewezen, tot een ander oordeel kunnen leiden.
Conclusie in hoger beroep
3.64.
Het hof bepaalt dat elke partij zijn eigen kosten van het hoger beroep moet dragen (compensatie van proceskosten) omdat partijen ieder deels gelijk hebben gekregen.
3.65.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

4.De beslissing

Het hof:
4.1.
bekrachtigt de beslissingen onder 4.1 tot en met 4.6 van het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht van 19 juni 2024, in conventie tussen partijen gewezen en verklaart de beslissingen onder 4.1 (voorwaardelijke veroordeling tot ontruiming) en onder 4.2 (voorwaardelijke dwangsomveroordeling) uitvoerbaar bij voorraad;
4.2.
vernietigt de beslissingen onder 4.8 tot en met 4.11 van het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht van 19 juni 2024, in reconventie tussen partijen gewezen;
4.3.
verklaart voor recht dat - als tussen het Waterschap en [appellanten] een huurovereenkomst zal worden gesloten met betrekking tot (de grond onder) het water onder de woonarken van [appellanten] - van het Waterschap mag worden verlangd dat het zich inspant om de feitelijke stoornis van het huurgenot door de golfslag en zuiging die door het scheepvaartverkeer in het Amsterdam-Rijnkanaal in de Nieuwe Wetering Oost te [plaats] wordt veroorzaakt, voorkomt, voor zover deze golfslag en zuiging een veiligheidsrisico voor de bewoners vormt en voorts dat sprake is van een gebrek als het Waterschap dit nalaat;
4.4.
veroordeelt het Waterschap - als tussen het Waterschap en [appellanten] een huurovereenkomst zal worden gesloten met betrekking tot (de grond onder) het water onder de woonarken van [appellanten] - de grond onder de woonarken van [appellanten] binnen een maand na ondertekening van de huurovereenkomst uit te baggeren, zodat een ruimte van 30 cm onder de woonarken wordt vrijgehouden, uitgaande van het gehandhaafde waterpeil;
4.5.
veroordeelt het Waterschap tot betaling van de proceskosten van [appellanten] in reconventie tot aan de uitspraak van de rechtbank, begroot op € 598 (2 procespunten x 0,5 x tarief € 598);
4.6.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt van de procedure bij het hof;
4.7.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
4.8.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. G.R. den Dekker, F.J. de Vries en K.J.O. Jansen, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 21 april 2026.

Voetnoten

1.HR 3 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1815, o.v.n. HR 5 juni 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0627, HR 22 juni 1973, ECLI:NL:HR:1973:AC5347, HR 18 juni 1965, ECLI:NL:HR:1965:AC4581
2.HR 9 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0736
3.HR 26 januari 1990, ECLI:NL:HR:1990:AC0965
4.HR 31 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:497
5.TM Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 585 en HR 23 april 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2897
6.HR 8 december 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8901
7.HR 8 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1511
8.Vgl. onder meer Hoge Raad 2 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:141 en Hoge Raad 28 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ9854
9.HR 15 april 1966, ECLI:NL:HR:1966:AC4079, NJ 1966/302, en HR 9 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0736
10.HR 26 januari 1990, ECLI:NL:HR:1990:AC0965
11.HR 19 januari 1968, ECLI:NL:HR:1968:AC4812, Hof Den Haag 17 februari 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:280 en Kamerstukken II 2015-2016, nr. 4 (Advies Afdeling Advisering Raad van State en Nader Rapport), p. 4 e.v.
12.HR 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:580
13.HR 28 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1799
14.HR 19 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI8771
15.HR 28 mei 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0976
16.HR 27 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7337