Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2613

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
28 april 2026
Publicatiedatum
28 april 2026
Zaaknummer
200.348.431/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:88 BWArt. 1:89 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over verjaring en vernietiging effectenleaseovereenkomsten Dexia

In deze zaak staat centraal of het vernietigingsrecht van de afnemer jegens Dexia voor twee effectenleaseovereenkomsten uit 1997 was verjaard. De afnemer stelt dat de toenmalige echtgenote, die geen schriftelijke toestemming had gegeven, de overeenkomsten rechtsgeldig heeft vernietigd op grond van artikel 1:88 en Pro 1:89 BW.

Het hof heeft onderzocht of de echtgenote vóór 13 maart 2000 bekend was met de overeenkomsten, wat bepalend is voor het aanvangsmoment van de verjaringstermijn. Uit getuigenverklaringen en schriftelijke stukken blijkt dat de echtgenote geen kennis had van de overeenkomsten vóór die datum, mede doordat zij geen toegang had tot de bankrekeningen en de financiële administratie volledig door de afnemer werd beheerd.

Dexia heeft niet kunnen bewijzen dat de echtgenote eerder op de hoogte was. Hierdoor is de verjaringstermijn pas na 13 maart 2000 aangevangen en tijdig gestuit door de vernietigingsverklaring van 22 juli 2005. Het hof bekrachtigt de eerdere vonnissen en veroordeelt Dexia tot betaling van proceskosten.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de vernietiging van de effectenleaseovereenkomsten en wijst het hoger beroep van Dexia af wegens onvoldoende bewijs van verjaring.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.348.431
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Almere, 9820786
arrest van 28 april 2026
in de zaak van
Dexia Nederland B.V.
die is gevestigd in Amsterdam
die hoger beroep heeft ingesteld
en bij de kantonrechter optrad als eiseres
hierna: Dexia
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer
tegen
[geïntimeerde]
die woont in [woonplaats]
en bij de kantonrechter optrad als gedaagde
hierna: de afnemer
advocaat: mr. J.B. Maliepaard

1.Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
Naar aanleiding van het arrest van 21 oktober 2025 heeft op 12 februari 2026 een getuigenverhoor bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Partijen hebben het hof bericht dat zij afzien van het nemen van een memorie na enquête. Daarop is een datum voor arrest bepaald.

2.De kern van de zaak

2.1.
Tussen Dexia en de afnemer zijn (voor zover in hoger beroep nog van belang) in 1997 twee effectenleaseovereenkomsten gesloten met contractnummers [contractnummer1] en [contractnummer2] (hierna gezamenlijk: de overeenkomsten) (in het tussenarrest is onder 2.1 overigens per abuis vermeld dat de overeenkomsten in 1998 zijn gesloten). De toenmalige echtgenoot van de afnemer, [naam1] (hierna: [naam1] ), heeft geen schriftelijke toestemming verleend voor het aangaan van de overeenkomsten. De afnemer en [naam1] zijn in 1998 gescheiden. Vervolgens heeft [naam1] op 22 juli 2005 aan Dexia bericht dat zij, vanwege het ontbreken van haar toestemming, de overeenkomsten vernietigt (op grond van de artikelen 1:88 en 1:89 BW). In deze procedure stelt de afnemer dat hij, vanwege die vernietiging van de overeenkomsten, nog een vordering heeft op Dexia. Tussen partijen is in geschil of het vernietigingsrecht ten tijde van het uitbrengen van de vernietigingsverklaring was verjaard.

3.De verdere beoordeling door het hof

Vernietiging overeenkomsten ex artikel 1:88 lid 1 sub d BW Pro/1:89 lid 1 BW

3.1.
Dexia voert in dit hoger beroep drie grieven aan. De grieven richten zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat Dexia onvoldoende heeft onderbouwd dat [naam1] op een eerdere datum dan 13 maart 2000 al bekend was met de overeenkomsten, dat het bewijsaanbod van Dexia om die reden gepasseerd dient te worden, en dat zodoende als uitgangspunt heeft te gelden dat [naam1] niet voor 13 maart 2000 bekend was met de overeenkomsten (zie rov. 2.10 van het vonnis van 18 januari 2024). Dexia betoogt dat de kantonrechter met dat oordeel een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd (grief I), dat er te zware eisen zijn gesteld aan het bewijsaanbod van Dexia (grief II) en dat de kantonrechter ten onrechte is vooruitgelopen op de uitkomst van een getuigenverhoor (grief III).
3.2.
Het hof heeft in zijn tussenarrest geoordeeld dat het vernietigingsrecht van [naam1] bij het uitbrengen van de vernietigingsverklaring alleen verjaard was, als de verjaringstermijn op of voor 13 maart 2000 is aangevangen. Dat laatste is het geval indien – kort gezegd – [naam1] op of voor 13 maart 2000 daadwerkelijk bekend is geworden met de overeenkomsten. Het hof verwijst naar het toetsingskader zoals het dat uiteen heeft gezet in het tussenarrest.
3.3.
Het hof heeft in het tussenarrest verder overwogen dat niet is komen vast te staan dat de betalingen aan Dexia vanaf een gezamenlijke bankrekening ten name van de afnemer en [naam1] zijn gedaan en er daarom geen aanleiding bestaat om een bewijsvermoeden ten gunste van Dexia aan te nemen met betrekking tot de aanvang van de verjaringstermijn. Dexia is toegelaten tot het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit is af te leiden dat [naam1] vóór 13 maart 2000 bekend is geworden met het bestaan van de overeenkomsten. Dexia heeft de afnemer en [naam1] als (partij)getuige laten horen. De afnemer heeft afgezien van contra-enquête.
3.4.
Het hof is van oordeel dat Dexia niet is geslaagd in haar bewijsopdracht. Hiervoor is het volgende van belang.
3.5.
De afnemer heeft in aanvulling op zijn schriftelijke verklaring onder meer het volgende onder ede verklaard. De afnemer is via een advertentie in de krant bekend geraakt met de financiële producten van Dexia (Legio-Lease). Hij heeft vervolgens telefonisch contact opgenomen met Dexia en wat vragen gesteld. De afnemer heeft de formulieren en de overeenkomsten daarna thuisgestuurd gekregen en ondertekend teruggestuurd. Bij de totstandkoming is geen bemiddelaar betrokken geweest. De afnemer heeft de overeenkomsten afgesloten omdat hij een potje wilde creëren voor zijn kinderen om te kunnen studeren. Hij was destijds in gemeenschap van goederen getrouwd met [naam1] . De afnemer heeft het aangaan van de overeenkomsten niet met haar besproken. De afnemer regelde de financiën en [naam1] zorgde voor de kinderen en het huishouden. Als [naam1] iets nodig had, gaf de afnemer haar contant geld. De afnemer werkte destijds bij het [naam2] als [functie] . [naam1] had geen werk. De afnemer en [naam1] bespraken hun gezamenlijke financiële positie niet met elkaar. Alleen de aanschaf van bijvoorbeeld een auto werd besproken. Verder liet [naam1] de financiën helemaal aan de afnemer over. De afnemer denkt dat er in zijn huishouden destijds twee bankrekeningen waren, één waarop zijn salaris werd gestort en één waarvan de vaste lasten werden betaald. Die rekeningen stonden beide op naam van de afnemer. [naam1] had tot aan de echtscheiding geen bankrekening op haar eigen naam. Volgens de afnemer werden de betalingen voor de overeenkomsten met Dexia afgeschreven van de bankrekening waarvan de vaste lasten werden betaald. [naam1] bekeek de bankafschriften van die rekening nooit. Ook had zij geen bankpas van die rekening. Verder deed de afnemer de belastingaangifte voor zichzelf en [naam1] . [naam1] ondertekende de aangifte zonder er verder naar te kijken. De afnemer opende de post die binnenkwam in het huishouden. Hij denkt dat [naam1] mogelijk de post op haar eigen naam opende, maar heeft daar geen herinneringen aan. Verder zijn de overeenkomsten bij de echtscheiding niet ter sprake gekomen. De afnemer denkt dat [naam1] sinds 2005 weet van het bestaan van de overeenkomsten. In 2005 heeft hij zich aangemeld bij Leaseproces en toen is contact gelegd met [naam1] . De afnemer weet niet meer of hij contact heeft gelegd met [naam1] of dat Leaseproces dat heeft gedaan. Hij kan zich geen gesprek herinneren met [naam1] over de overeenkomsten.
3.6.
[naam1] heeft in aanvulling op haar schriftelijke verklaring onder meer het volgende onder ede verklaard. Zij wist niet dat de afnemer de overeenkomsten met Dexia had afgesloten. Destijds had [naam1] geen werk. Zij zorgde voor de kinderen en het huishouden. De afnemer deed de financiële administratie en de belastingaangifte. [naam1] opende nooit de post; dat deed de afnemer. Verder bespraken zij en de afnemer hun gezamenlijke financiële positie niet met elkaar. Ook grote uitgaven bespraken zij niet. Wel hebben de afnemer en [naam1] samen een huis gekocht. [naam1] denkt dat er destijds alleen een bankrekening was op naam van de afnemer. Zij had zelf tot aan de echtscheiding geen bankrekening en geen bankpas. Tijdens het huwelijk met de afnemer bekeek zij de bankafschriften niet. [naam1] weet ook niet van welke bankrekening de betalingen voor de overeenkomsten met Dexia werden afgeschreven. Ook weet zij niet of de overeenkomsten bij de echtscheiding ter sprake zijn gekomen. Het was ten tijde van de echtscheiding een moeilijke tijd voor [naam1] . Ze was vaak depressief en dingen gingen langs haar heen. [naam1] denkt dat zij in 2023 voor het eerst over het bestaan van de overeenkomsten hoorde. Zij werd toen gebeld door een advocaat en heeft wat vragen van die advocaat beantwoord. [naam1] heeft niet met de afnemer gesproken over de overeenkomsten nadat zij van het bestaan daarvan op de hoogte is gekomen. Verder weet zij niet of zij een brief heeft gestuurd aan Dexia om de overeenkomsten te vernietigen, omdat zij geen toestemming had gegeven voor de overeenkomsten. Wanneer [naam1] de vernietigingsbrief van 22 juli 2005 wordt voorgehouden, bevestigt zij wel dat het haar handtekening is die onder de brief staat.
3.7.
In aanmerking genomen deze getuigenverklaringen en de overgelegde schriftelijke verklaringen van de afnemer en [naam1] , ook in onderling verband en samenhang bezien, heeft Dexia naar het oordeel van het hof niet bewezen dat [naam1] voor 13 maart 2000 daadwerkelijk op de hoogte was van het bestaan van de overeenkomsten. Doordat het financiële beheer alleen door de afnemer werd gedaan, (onder meer) via de bankrekeningen die op naam van de afnemer stonden waarvan [naam1] geen bankpas had en die zij niet bekeek, is er geen grond om aan te nemen dat zij via deze rekeningen bekend raakte met de overeenkomsten. Zij opende geen post, waaronder bankafschriften, en hield zich niet bezig met de financiën binnen het gezin. Alleen grote uitgaven zoals de aanschaf van een auto bespraken [naam1] en de afnemer. Het hof acht de verklaringen van de afnemer en [naam1] over het beheer van de financiën geloofwaardig en als geheel voldoende consistent. Zowel de afnemer als [naam1] hebben verder consistent verklaard dat de afnemer [naam1] niet heeft ingelicht over het afsluiten van de overeenkomsten en dat zij daarvan pas jaren later op de hoogte raakte. Uit de getuigenverklaringen kan niet worden geconcludeerd dat [naam1] voor 13 maart 2000 bekend is geraakt met het bestaan van de overeenkomsten. Het hof neemt daarbij ook in aanmerking dat de overeenkomsten zonder tussenkomst van een tussenpersoon, aan Dexia (Legio-Lease) zijn toegezonden. Hetgeen Dexia verder ter onderbouwing van de door haar gestelde bekendheid heeft aangedragen betreft vooral veronderstellingen en wordt niet ondersteund door de getuigenverklaringen of door andere bewijzen.
3.8. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de verjaringstermijn van de vordering tot vernietiging pas na 13 maart 2000 is aangevangen en nadien tijdig is gestuit, zodat [naam1] met haar brief van 22 juli 2005 de overeenkomsten rechtsgeldig heeft vernietigd. Dit betekent dat de grieven van Dexia tegen de bestreden vonnissen van de kantonrechter niet slagen en deze vonnissen zullen worden bekrachtigd.
De conclusie
3.9.
Het hoger beroep slaagt niet. Omdat Dexia in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof Dexia tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening. [1]
3.10.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

4.De beslissing

Het hof:
4.1.
bekrachtigt de vonnissen van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Almere, van 31 augustus 2023, 18 januari 2024 en 5 september 2024;
4.2.
veroordeelt Dexia tot betaling van de volgende proceskosten van de afnemer:
€ 349,- aan griffierecht
€ 1.368,- aan salaris van de advocaat van de afnemer (1,5 procespunt x het toepasselijke tarief I);
4.3.
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;
4.4.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
4.5.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.C.P. Giesen, M. Schoemaker en A.A.J. Smelt, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
28 april 2026.

Voetnoten

1.HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.