Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2630

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
28 april 2026
Publicatiedatum
29 april 2026
Zaaknummer
200.332.542
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:88 BWArt. 1:89 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Effectenleaseovereenkomsten vernietigd wegens niet-verjaring vernietigingsrecht echtgenote

In deze civiele zaak staat centraal of het vernietigingsrecht van de echtgenote van de afnemer op effectenleaseovereenkomsten is verjaard. De overeenkomsten werden in 1998 en 1999 gesloten zonder schriftelijke toestemming van de echtgenote. Zij heeft in 2005 de overeenkomsten vernietigd op grond van artikel 1:88 en Pro 1:89 BW.

Het hof heeft onderzocht of de echtgenote vóór 13 maart 2000 bekend was met de overeenkomsten, wat bepalend is voor het aanvangsmoment van de verjaring. Uit het bewijs, waaronder getuigenverklaringen van de afnemer en zijn echtgenote, blijkt dat zij niet op de hoogte was van de overeenkomsten. Het hof acht de verklaringen geloofwaardig en consistent, en concludeert dat het bewijsvermoeden dat zij bekend was met de overeenkomsten is ontzenuwd.

Dexia's grieven tegen het oordeel van de kantonrechter worden verworpen. Het hof bekrachtigt de eerdere vonnissen en veroordeelt Dexia tot betaling van de proceskosten. De uitspraak is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de vernietiging van de effectenleaseovereenkomsten en wijst het hoger beroep van Dexia af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.332.542
zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, 9089428
arrest van 28 april 2026
in de zaak van
Dexia Nederland B.V.
die is gevestigd in Amsterdam
die hoger beroep heeft ingesteld
en bij de kantonrechter optrad als eiseres
hierna: Dexia
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer
tegen
[geïntimeerde]
die woont in de gemeente [woonplaats]
en bij de kantonrechter optrad als gedaagde
hierna: de afnemer
advocaat: mr. J.B. Maliepaard

1.Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
Naar aanleiding van het arrest van 21 oktober 2025 heeft op 20 januari 2026 een getuigenverhoor bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Na het getuigenverhoor hebben partijen memories na enquête genomen. Vervolgens is een datum bepaald voor arrest.

2.De kern van de zaak

2.1.
Tussen Dexia en de afnemer zijn onder meer in 1998 en 1999 de effectenleaseovereenkomsten met contractnummers [contractnummer1] en [contractnummer2] tot stand gekomen (hierna: de overeenkomsten). De echtgenote van de afnemer, [naam1] (hierna: [naam1] ), heeft geen schriftelijke toestemming verleend voor het aangaan van de overeenkomsten. Zij heeft bij brief van 9 december 2005 aan Dexia bericht dat zij, vanwege het ontbreken van haar toestemming, de overeenkomsten vernietigt (op grond van de artikelen 1:88 en 1:89 BW). De afnemer stelt dat hij gelet op die vernietiging nog een vordering heeft op Dexia. Tussen partijen is in geschil of het vernietigingsrecht is verjaard.

3.De verdere beoordeling door het hof

Vernietiging overeenkomsten ex artikel 1:88 lid 1 sub d BW Pro/1:89 lid 1 BW

3.1.
Dexia voert in dit hoger beroep drie grieven aan. De grieven richten zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat Dexia onvoldoende heeft onderbouwd dat [naam1] op een eerdere datum dan 13 maart 2000 al bekend was met de overeenkomsten, dat het bewijsaanbod van Dexia om die reden gepasseerd dient te worden, en dat zodoende als uitgangspunt heeft te gelden dat [naam1] niet voor 13 maart 2000 bekend was met de overeenkomsten. Dexia betoogt dat de kantonrechter met dat oordeel een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd (grief I), dat er te zware eisen zijn gesteld aan het bewijsaanbod van Dexia (grief II) en dat de kantonrechter ten onrechte is vooruitgelopen op de uitkomst van een getuigenverhoor (grief III).
3.2.
Uit het tussenarrest volgt dat het vernietigingsrecht van [naam1] bij het uitbrengen van de vernietigingsverklaring alleen verjaard was, als de verjaringstermijn voor 13 maart 2000 is aangevangen. Dat laatste is het geval indien – kort gezegd – [naam1] voor 13 maart 2000 daadwerkelijk bekend is geworden met de overeenkomsten. Het hof verwijst naar het toetsingskader zoals het dat uiteen heeft gezet in het tussenarrest.
3.3.
Het hof heeft in het tussenarrest verder geoordeeld dat het ervan uitgaat dat de betalingen ten aanzien van de overeenkomsten vanaf het begin van de overeenkomsten zijn gedaan vanaf een gezamenlijke bankrekening (een “en/of-rekening”) die op naam was gesteld van de afnemer en [naam1] . Gelet daarop heeft het hof geoordeeld dat wordt vermoed, behoudens tegenbewijs, dat [naam1] al vóór 13 maart 2000 bekend was met het bestaan van de overeenkomsten. De afnemer is toegelaten tot het leveren van tegenbewijs tegen dat vermoeden. Hij heeft zichzelf en [naam1] als (partij)getuigen laten horen. Dexia heeft niet verzocht om een contra-enquête.
3.4.
Het hof is van oordeel dat de afnemer het voorshands aangenomen bewijs heeft ontzenuwd en daarmee in het leveren van tegenbewijs is geslaagd. Hiervoor is het volgende van belang.
3.5.
De afnemer heeft in aanvulling op zijn schriftelijke verklaring onder meer het volgende onder ede verklaard. Hij weet niet meer hoe hij bekend is geraakt met de financiële producten van Dexia. Bij de totstandkoming was in ieder geval geen adviseur betrokken. De afnemer denkt dat hij de overeenkomsten per post thuisgestuurd heeft gekregen en ondertekend heeft teruggestuurd. Hij heeft de overeenkomsten afgesloten omdat hij wilde sparen voor zijn oude dag. Het aangaan van de overeenkomsten heeft de afnemer destijds niet besproken met [naam1] . Zij waren in gemeenschap van goederen getrouwd. De afnemer werkte destijds bij de stichting [naam2] en [naam1] was secretaresse. Ze beslisten gezamenlijk over uitgaven boven de NLG 100,-. De betalingen aan Dexia zag de afnemer echter niet als uitgaven, maar als sparen. De afnemer en [naam1] bespraken hun gezamenlijke financiële positie verder niet. Ze leefden op een bescheiden manier en daar was voldoende inkomen voor. De afnemer en [naam1] hadden destijds twee en/of-rekeningen. De afnemer weet niet van welke bankrekening de betalingen voor de overeenkomsten met Dexia werden afgeschreven. Hij denkt dat [naam1] van beide rekeningen een bankpas had, maar weet dat niet zeker. De afnemer en [naam1] hadden allebei in ieder geval één bankpas. Binnen het gezin werd het huishouden gedaan door [naam1] en de afnemer deed de financiële administratie en de belastingaangifte voor hemzelf en voor [naam1] . [naam1] bekeek de belastingaangifte niet. Wat betreft het openen van de post in het huishouden heeft de afnemer verklaard dat degene voor wie de post bestemd was de betreffende post opende. De afnemer opende de bankafschriften. [naam1] bekeek de bankafschriften niet. Sinds de televisie-uitzending van Radar weet [naam1] van het bestaan van de overeenkomsten. De afnemer weet niet meer hoe het gesprek tussen hem en [naam1] ging toen zij over het bestaan van de overeenkomsten hoorde. Verder heeft de afnemer verklaard dat hij [naam1] wel eerder heeft verteld dat hij spaarde.
3.6.
[naam1] heeft in aanvulling op haar schriftelijke verklaring onder meer het volgende onder ede verklaard. Zij wist niet dat de afnemer de financiële producten bij Dexia had afgesloten. [naam1] en de afnemer beslisten gezamenlijk over uitgaven boven de NLG 100,-. Die afspraak zag op de aanschaf van artikelen voor het huishouden en niet op het sparen door de afnemer bij Dexia. Verder bespraken [naam1] en de afnemer hun financiële positie niet. Ze hadden geen financiële problemen. De afnemer hield de financiële administratie bij en deed de belastingaangifte voor hemzelf en [naam1] . [naam1] had daar geen belangstelling voor. Zij bekeek de belastingaangifte niet. [naam1] regelde het gezin, de kinderen en alles wat daaromheen speelde. [naam1] was eerst thuis bij de kinderen. Ten tijde van het aangaan van de overeenkomsten werkte zij als secretaresse. [naam1] en de afnemer hadden destijds twee en/of-rekeningen. [naam1] weet niet van welke rekeningen de betalingen voor de overeenkomsten met Dexia werden afgeschreven.
De post die aan [naam1] was gericht was opende zij zelf en de post die aan de afnemer was gericht opende de afnemer. De afnemer opende ook de bankafschriften. [naam1] bekeek de bankafschriften nooit. Ze vertrouwde de afnemer volledig. [naam1] had wel een bankpas. Zij denkt dat zij slechts van één van de rekeningen een bankpas had, maar weet dat niet zeker. [naam1] weet sinds een televisie-uitzending van de TROS van het bestaan van de overeenkomsten. Zij denkt dat dit in 2003 geweest is. [naam1] en de afnemer hebben er na de televisie-uitzending over gepraat.
3.7.
In aanmerking genomen deze getuigenverklaringen en de overgelegde schriftelijke verklaringen van de afnemer en [naam1] , ook in onderling verband en samenhang bezien, is naar het oordeel van het hof het aan de afschrijvingen van de en/of rekening ontleende bewijsvermoeden (Dexia heeft geen (nader) bewijs geleverd) dat [naam1] voor 13 maart 2000 daadwerkelijk op de hoogte was van het bestaan van de overeenkomsten ontzenuwd.
Doordat het financiële beheer alleen door de afnemer werd gedaan, (onder meer) via de en/of-rekening(en) die [naam1] niet bekeek, kan niet worden aangenomen dat zij via deze rekeningen bekend raakte met de overeenkomsten. Zij bekeek bankafschriften niet en hield zich niet bezig met de financiën binnen het gezin. Alleen grotere (huishoudelijke) uitgaven bespraken [naam1] en de afnemer. Het hof acht de verklaringen van de afnemer en [naam1] over het beheer van de financiën geloofwaardig en als geheel voldoende consistent. Dexia heeft aangevoerd dat de afnemer en [naam1] wisselende verklaringen hebben afgelegd over het moment waarop de afnemer [naam1] heeft ingelicht over de overeenkomsten. Als momenten waarop de afnemer [naam1] heeft ingelicht zijn door de afnemer en/of [naam1] genoemd het moment dat een eerdere door de afnemer in 1995 afgesloten overeenkomst met Dexia in mei 2000 eindigde met een flinke winst, en een televisie-uitzending van Radar die werd uitgezonden in maart 2002 dan wel rond 2003. Deze en de andere door Dexia gesignaleerde (mogelijke) tegenstrijdigheden in de getuigenverklaringen zijn echter van onvoldoende gewicht om de verklaringen van de afnemer en [naam1] ongeloofwaardig te achten. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat het gaat om gebeurtenissen die zich vele jaren geleden hebben afgespeeld, waardoor de afnemer en [naam1] zich de gebeurtenissen mogelijk niet goed kunnen herinneren. De afnemer en [naam1] hebben consistent verklaard dat de afnemer [naam1] niet heeft ingelicht over het afsluiten van de overeenkomsten en dat zij daarvan pas vele jaren later op de hoogte raakte. Uit de getuigenverklaringen kan niet worden geconcludeerd dat [naam1] vóór 13 maart 2000 bekend is geraakt met het bestaan van de overeenkomsten; veeleer blijkt daaruit het tegendeel. Het gegeven dat [naam1] wist dat er gespaard werd is, anders dan Dexia meent, niet voldoende om aan te nemen dat [naam1] met de overeenkomsten bekend was, ook niet als de overige omstandigheden van dit geval daarbij in aanmerking worden genomen. [naam1] wist voor 13 maart 2000 alleen dat de afnemer spaarde en daarvoor geld opzij zette, maar zij wist niet van het bestaan van de overeenkomsten met Dexia. Het aangaan van de overeenkomsten met Dexia en de maandelijkse betalingen aan Dexia heeft de afnemer niet met haar besproken. Het hof neemt ook in aanmerking dat de overeenkomsten zonder tussenkomst van een tussenpersoon, aan Dexia (Legio-Lease) zijn toegezonden. Hetgeen Dexia verder ter onderbouwing van de door haar gestelde bekendheid heeft aangedragen betreft vooral veronderstellingen en wordt niet ondersteund door bijvoorbeeld de getuigenverklaringen.
3.8.
Dexia vermeldt in haar memorie na enquête dat een medewerker van Leaseproces, de gemachtigde van de afnemer in eerste aanleg, “voorafgaand aan iedere enquête” op de gang gesprekken voert met de getuigen, en dat het daarbij “vaker voorkomt” dat betrokkenen aan de zijde van Dexia horen dat die medewerker van Leaseproces inhoudelijk op de zaken ingaat en deze met de getuigen bespreekt. Dexia meent dat “een dergelijke beïnvloeding van getuigen” onaanvaardbaar is en zij verzoekt het hof daaraan de gevolgen te verbinden die het hof geraden acht. Het hof ziet daartoe echter geen aanleiding. Reden daarvoor is reeds dat Dexia niet, of in elk geval niet voldoende duidelijk gesteld heeft dat in dit geval van beïnvloeding van de getuigen sprake zou zijn geweest. Bovendien is een van de gehoorde getuigen – te weten de afnemer – zelf ook procespartij. Dat laatste brengt mee dat niet elke bespreking van inhoudelijke aspecten van de zaak met een getuige, als een ongeoorloofde beïnvloeding van die getuige kan worden aangemerkt. De beschuldigingen van Dexia zijn daarom te vaag en te algemeen om daar in deze concrete procedure gevolgen aan te kunnen verbinden.
3.9.
Het hof is, zoals vermeld, van oordeel dat de afnemer het in zijn nadeel werkende bewijsvermoeden ontzenuwd heeft. Voorts is het hof van oordeel dat Dexia, gelet op wat de afnemer en [naam1] als getuige hebben verklaard, met de door haar genoemde stellingen en bewijsstukken, niet bewezen heeft dat [naam1] op of voor 13 maart 2000 al bekend was met de overeenkomsten. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de verjaringstermijn van de vordering tot vernietiging pas na 13 maart 2000 is aangevangen en nadien tijdig is gestuit, zodat [naam1] met haar brief van 9 december 2005 de overeenkomsten rechtsgeldig heeft vernietigd. Dit betekent dat de grieven van Dexia tegen de bestreden vonnissen van de kantonrechter niet slagen en deze vonnissen zullen worden bekrachtigd.
De conclusie
3.10.
Het hoger beroep slaagt niet. Omdat Dexia in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof Dexia tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening. [1]
3.11.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

4.De beslissing

Het hof:
4.1.
bekrachtigt de vonnissen van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 2 juni 2022 en 15 juni 2023;
4.2.
veroordeelt Dexia tot betaling van de volgende proceskosten van de afnemer:
€ 343,- aan griffierecht
€ 4.175,- aan salaris van de advocaat van de afnemer (2,5 procespunten x het toepasselijke tarief III);
4.3.
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;
4.4.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
4.5.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.C.P. Giesen, M. Schoemaker en A.A.J. Smelt, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 28 april 2026.

Voetnoten

1.HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.